In deze civiele zaak gaat het om een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter over de omgangsregeling tussen een moeder en haar twee minderjarige kinderen. De moeder en vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen, die onder toezicht zijn gesteld en bij de oma verblijven. De moeder was het niet eens met de beperkte omgangsregeling die de kinderrechter had vastgesteld, waarbij contact slechts eens per vier weken onder begeleiding was toegestaan.
Tijdens de procedure bleek dat de omstandigheden sinds de beschikking aanzienlijk waren gewijzigd. De moeder was enige tijd vermist geweest, de politie had drugs aangetroffen in haar woning en zij verbleef op dit moment ondergedoken voor haar eigen bescherming. De kinderen hebben vanaf jonge leeftijd te maken gehad met een instabiele thuissituatie en zijn emotioneel belast. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht het hof om het contact voorlopig stop te zetten.
Het hof oordeelde dat de bestaande omgangsregeling niet langer in het belang van de kinderen was en stelde ambtshalve een contactstop vast totdat de moeder voldoet aan voorwaarden die de GI zal opstellen voor contactherstel. De beschikking van de kinderrechter werd vernietigd voor zover deze de omgangsregeling betrof, en het verzoek van de moeder tot een ruimere omgangsregeling werd afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.