ECLI:NL:GHARL:2025:7472

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
Wahv 200.354.990/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.18.4 Regeling voertuigenArt. 3, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens onvoldoende zicht door zijruit en buitenspiegel door bagage op passagiersstoel

De betrokkene werd beboet wegens onvoldoende zicht door de voorruit, achterruit en zijruiten van zijn voertuig, veroorzaakt door drie tassen op de passagiersstoel die het zicht door de rechter zijruit en buitenspiegel belemmerden. De overtreding vond plaats op 26 mei 2023 in Amsterdam. Betrokkene voerde aan dat hij goed zicht had en vroeg om bewijs. Hij overhandigde foto's die volgens hem het zicht bevestigden, maar deze kwamen niet overeen met de door de ambtenaar gemaakte foto’s.

De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof deze beslissing. Het hof stelde vast dat het niet vereist is dat het zicht aan alle zijden onvoldoende is, maar dat de belemmering van het zicht door de tassen op de passagiersstoel voldoende is om de overtreding vast te stellen. De ambtenaar had een foto gemaakt waarop duidelijk te zien was dat het zicht op de rechter buitenspiegel en het rechtergedeelte van de zijruit werd belemmerd.

Het hof vond geen reden om aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar te twijfelen en verwierp het beroep van betrokkene. De sanctie van €440 werd bevestigd. Het arrest werd op 25 november 2025 uitgesproken door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De sanctie van €440 wegens onvoldoende zicht door de rechter zijruit en buitenspiegel wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.354.990/01
CJIB-nummer
: 258184080
Uitspraak d.d.
: 25 november 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 440,- voor: “onvoldoende zicht door voorruit, achterruit en zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op
26 mei 2023 om 18:33 uur op het Europaplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken
V-225-SK.
2. De betrokkene voert aan dat wordt gezegd dat hij geen zicht had voor, achter, links en rechts. De betrokkene verzoekt om bewijzen. Tijdens de (alcohol)controle zochten de ambtenaren iets om een sanctie te kunnen opleggen. De betrokkene kon goed zien. De betrokkene verwijst naar de door hem overgelegde foto’s waarop de rechterbuitenspiegel is te zien en twee agenten door het rechterraam. Ook links en achter had de betrokkene goed zicht. Ook is de bus voorzien van een camera voor en achter. Voor de controle had de betrokkene al tien kilometer gereden. De betrokkene wil graag bewijs zien dat hij geen zicht had door het ruit aan de linkerzijde.
3. De gedraging betreft een overtreding van artikel 5.18.4 van de Regeling voertuigen. Hierin is het volgende bepaald: “De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten, en
b. voldoende zicht hebben op het naast en achter hem gelegen weggedeelte met behulp van de voor dat voertuig of samenstel van voertuigen voorgeschreven spiegels dan wel een camera-monitorsysteem.”
4. De bijbehorende feitcode is P 041c. Die luidt als volgt:
“de bestuurder niet voldoende zicht door de voorruit en de voorste zijruiten naar voren en opzij heeft en met behulp van de voor dat voertuig of samenstel van voertuigen voorgeschreven spiegels of camera-monitorsysteem niet voldoende zicht heeft op het naast en achter hem gelegen weggedeelte.”
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Als de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is zijn of haar verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden is ervan afhankelijk of de betrokkene specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de rechter buitenspiegel niet goed zichtbaar was. Ik zag dat er drie tassen opgestapeld waren op de stoel. Hierdoor zag ik dat er een gedeelte van het rechterzijde raam het zicht ontnomen werd. Verklaring betrokkene: Een klant had spullen neergezet. Ze zou de spullen komen ophalen op de markt. Ik heb niet op haar gewacht.”
7. Het dossier bevat ook een door de ambtenaar gemaakte foto van de gedraging. De foto is gemaakt door de ruit aan de bestuurderszijde. Hierop is te zien dat op de passagiersstoel een blauwe boodschappentas en een rode koffer liggen. Op de rode koffer staat een gele boodschappentas. Door de ruit aan de passagierszijde zijn twee ambtenaren te zien, maar er is geen volledig zicht door dit ruit. Het zicht op de buitenspiegel wordt belemmerd door de blauwe boodschappentas. Daarnaast is het zicht op het rechtergedeelte van de zijruit belemmerd door de koffer en de gele boodschappentas.
8. Ook de betrokkene heeft foto’s overgelegd, maar de situatie op deze foto’s komt niet overeen met de situatie op de foto van de gedraging. De blauwe boodschappentas en de rode koffer liggen anders op de passagiersstoel. Het hof gaat, omdat de foto’s van de ambtenaar ter plaatse zijn gemaakt en niet bekend is wanneer de foto’s door de betrokkene zijn gemaakt, uit van de situatie zoals op de foto van de ambtenaar is te zien.
9. Het hof stelt voorop dat om de gedraging te kunnen vaststellen niet, anders dan de verkorte feitomschrijving wellicht doet vermoeden, vereist is dat de betrokkene aan alle zijden (voor, achter, links en rechts) onvoldoende zicht had. De ambtenaar verklaart dit ook niet en de betrokkene wordt dit ook niet verweten.
10. De ambtenaar verklaart dat het zicht was ontnomen van een gedeelte van de zijruit aan de passagierszijde door de drie tassen. Dit is ook te zien op de foto van de gedraging. Daarmee had de betrokkene niet voldoende zicht naar opzij door de voorste zijruit (artikel 5.18.4, aanhef en onder a, van de Rv). Daarnaast verklaart de ambtenaar dat de rechterbuitenspiegel niet goed zichtbaar was. Dit is ook te zien op de foto van de gedraging. Daarmee had de betrokkene niet voldoende zicht op het naast (en achter) hem gelegen weggedeelte met behulp van de spiegel (artikel 5.18.4, aanhef en onder b, van de Rv). Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen reden hieraan te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dat de betrokkene mogelijk wel voldoende zicht had door de voorruit, zijruit aan bestuurderszijde en achterruit, brengt niet mee dat de gedraging niet kan worden vastgesteld.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.