ECLI:NL:GHARL:2025:7535

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
21-005017-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring en strafbaarheid bij illegale lotto-organisatie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland. De verdachte is beschuldigd van het organiseren van een illegale lotto in de periode van 25 november 2013 tot en met 10 april 2016, waarbij hij samen met twee medeverdachten gelegenheid heeft gegeven aan het publiek om deel te nemen aan kansspelen zonder de vereiste vergunning. Het hof heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 november 2013 wegens verjaring. De verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 3.500, waarbij de rechtbank eerder een boete van € 7.000 had opgelegd. Het hof heeft de boete gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De zaak kwam aan het licht door meldingen bij het Team Criminele Inlichtingen en Meld Misdaad Anoniem, waarna een onderzoek werd ingesteld. Bij doorzoekingen zijn bewijsstukken aangetroffen die de illegale activiteiten van de verdachte en zijn medeverdachten bevestigen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om deel te nemen aan een illegale lotto, wat als een gewoonte wordt beschouwd. De uitspraak benadrukt de ernst van het overtreden van de Wet op de Kansspelen en de noodzaak van vergunningen voor kansspelen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005017-19
Uitspraakdatum: 25 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 september 2019 met parketnummer 05-880539-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1938 in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [adres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 oktober 2025 – welk onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 25 november 2025 - en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsman, mr. H.J.M. Nijenhuis, is aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De economische kamer van de rechtbank heeft verdachte voor het samen met anderen organiseren van een illegale lotto veroordeeld tot een geldboete van € 7.000,-, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis.
Het hof vernietigt het vonnis omdat het ten laste gelegde feit deels is verjaard en het hof tot een andere strafoplegging komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.

De bevoegdheid van de economische kamer

Het aan verdachte tenlastegelegde betreft een economisch delict. Op grond van artikel 38
Wet op de economische delicten (hierna: WED) worden economische delicten behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank als bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). Ingevolge artikel 52 van de WED is de economische kamer van het hof in hoger beroep bevoegd om van de feiten kennis te nemen.
Op de dagvaarding voor de zitting van 28 oktober 2025 staat niet expliciet vermeld dat verdachte is gedagvaard voor de meervoudige economische strafkamer. Desondanks is de zaak wel - zoals wettelijk verplicht - aangebracht bij en behandeld door de meervoudige economische kamer. De zaak is dan ook behandeld door een bevoegde kamer. Dat op de dagvaarding niet expliciet vermeld staat dat verdachte is gedagvaard voor de economische kamer, doet aan die bevoegdheid niet af.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 10 april 2016 te [plaats] en/of andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om (telkens) door middel van een of meer (kans)spel(en), te weten (onder meer) een lottospel (“6 aus 49” en/of “6 uit 45” en/of soortgelijke spellen) dat gebaseerd is op Nederlandse en/of Duitse lottotrekkingen mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars (telkens) geschiedde door enige kansbepaling (te weten een (legale) Nederlandse en/of Duitse lottotrekking) waarop de deelnemers (telkens) in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor (telkens) geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend,
terwijl hij van het plegen van dit/deze misdrijf/misdrijven een gewoonte van heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof overweegt dat aan verdachte ten laste is gelegd dat hij opzettelijk aan publiek de gelegenheid heeft gegeven om aan prijswinnende lottospelen mee te doen, zonder dat daarvoor een vergunning in de zin van de Wet op de kansspelen was verleend. Het verbod hierop is in artikel 1, eerste lid en onder a, van de Wet op de kansspelen opgenomen. Overtreding van dit voorschrift is strafbaar gesteld in artikel 1, onder 3° van de WED en ingevolge artikel 2, derde lid, van de WED juncto artikel 36, eerste lid, van de Wet op de kansspelen wordt dit strafbare feit als een misdrijf gekwalificeerd.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij van het plegen van dat misdrijf een gewoonte heeft gemaakt. Van het een gewoonte maken van een economisch delict is sinds 1 januari 2015 op grond van artikel 6, eerste lid en onder 3
°van de WED een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren gesteld.
Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 3º, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld in twaalf jaren. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 6, eerste lid en onder 3
°van de WED blijkt dat dit artikel tot stand is gekomen om het gevaar van een te vroege verjaring van economische delicten af te wenden. [1] Voor 1 januari 2025 kende artikel 6 WED noch enig ander artikel uit de WED een dergelijke verzwaring en gold er voor de overtreding van artikel 1, eerste lid en onder a, van de Wet op de kansspelen op grond van artikel 6, eerste lid en onder 2
°van de WED een maximale gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. Op grond van artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2º, Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld in zes jaren.
De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd, zo volgt uit artikel 71 Sr. Ingevolge artikel 72, eerste lid, Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring. Het tweede lid van artikel 72 Sr bepaalt dat het recht op strafvervolging ten aanzien van misdrijven vervalt indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan twee maal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
Het hof is van oordeel dat in onderhavige zaak geen sprake is van een voortdurend delict omdat het gaat om het telkens gelegenheid geven aan een illegale lotto, zodat de verjaringstermijn op 2 januari 2009 is aangevangen. Dit heeft tot gevolg dat het recht op strafvordering door verjaring is vervallen voor zover het de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 november 2013 betreft, omdat er voor dat deel van de tenlastelegging op het moment van het wijzen van het arrest meer dan twaalf jaar is verstreken.
Op basis van het voorgaande verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van het tenlastegelegde als het gaat om de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 november 2013.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs [2]
Aanleiding onderzoek
In februari 2014 kwam een melding binnen bij het Team Criminele Inlichtingen en in augustus 2014 een melding bij Meld Misdaad Anoniem. De strekking van de meldingen was dat [medeverdachte 1] en verdachte zich met illegale lotto bezig houden in [plaats] en omgeving. Naar aanleiding hiervan werd nader onderzoek ingesteld.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet met de heer [medeverdachte 1] en/of de heer [medeverdachte 2] heeft samengewerkt ten behoeve van een illegale loterij. Ook heeft hij niet alleen een illegale loterij zonder vergunning gehouden. In tegenstelling tot de medeverdachten zijn er in de woning van verdachte weinig zaken aangetroffen die met illegale lotto te maken hebben. Daarnaast is de verklaring van [medeverdachte 5] niet bruikbaar voor het bewijs, nu deze verklaring vol twijfels zit en objectieve onderbouwing mist. Verdachte kan hoogstens in verband worden gebracht met activiteiten in het kader van een legale lotto en in dat verband moeten de wekelijkse bijeenkomsten in de woning van verdachte ook worden gezien.
Het bestellen van lottoboekjes is volgens de raadsman niet meer dan het zelf drukken van boekjes en indien de rol van verdachte daaruit heeft bestaan, past de kwalificatie van medeplichtigheid beter dan medeplegen.
Oordeel van het hof
Feiten en omstandigheden
Op 10 april 2016 hebben diverse doorzoekingen plaatsgevonden. [3]
Bij de doorzoeking in de woning van verdachte in [plaats] waren naast verdachte zelf, ook
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig. Bij die doorzoeking werden blanco en ingevulde lottobriefjes, € 12.500,- aan contant geld in een kluis, € 672,70 aan kleingeld en doormidden gescheurde formulieren aangetroffen. De formulieren betreffen namenlijsten. Op één van deze namenlijsten staat vermeld: “de Duitse lotto 6 uit 49” met daarop handgeschreven de uitslag van de Duitse lotto “6 aus 49” van zaterdag 9 april 2016. [4]
In het souterrain van de woning van verdachte was onder andere een kantoorruimte ingericht. Op een tafel in deze ruimte lagen onder andere lottoformulieren en een rekenmachine. [5]
In de tuin, op een terras naast de keuken van de woning van [medeverdachte 1] in [plaats] , werd in een emmer een omvangrijke partij (ruim 1600) [6] ingevulde lottobriefjes en papiersnippers
aangetroffen. De lottobriefjes hadden de onderscheidende opdruk “6 aus 49” en “6 uit 45” en “ [naam] .” Twee uit de aangetroffen papiersnippers
gereproduceerde documenten betreffen gedeeltes van Lotto-totaallijsten, waarvan op één lijst de datum 2 april 2016 vermeld staat. Ook op de aangetroffen ingevulde lottobriefjes staat de datum 2 april 2016 vermeld. [7]
In de woning van [medeverdachte 2] in [plaats] werden onder andere aangetroffen: blanco
lottoboekjes, een usb-stick en diverse namenlijsten, waaronder een lijst met namen van
‘lopers’ en een lijst met 674 namen met daarop vermeld: “de [naam] 6 uit 49” [8] . Op de
usb-stick werden meerdere Excel-rekenbestanden aangetroffen. Het bestand genaamd ‘kopie van controlelijst’ was op zaterdag 9 april 2016 om 20.44 uur voor het laatst gewijzigd. Dit rekenbestand bleek zodanig ingericht dat de opgenomen lottospelers, na de invoer van de uitslagen van de legale Nederlandse en/of Duitse lottotrekkingen, eenvoudig als prijswinnaars konden worden geselecteerd. [9]
[getuige] heeft verklaard dat hij een deel van de loterij organiseerde. Hij had ongeveer zes klanten en bracht wekelijks 100 a 110 briefjes naar verdachte. Ook verklaarde [getuige] dat hij bedoeld werd met de vermelding AK NO: 6, zoals dit staat vermeld op een serie lottobriefjes “6 aus 49” die in de in beslag genomen emmer uit de tuin van verdachte zijn aangetroffen. Hij is in februari 2015 begonnen met spelen en is een maand of acht a negen, bijna een jaar lang met de boekjes bezig geweest. [10]
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat, voor zover hij weet, de lotto van [medeverdachte 1] is. Al 20 jaar krijgt hij
zijn boekjes van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 4] speelde wekelijks mee, hij vulde iedere week 12 of 15
briefjes in. [medeverdachte 1] haalde de briefjes iedere zaterdag voor de trekking op, dit was tussen
15:30 en 16:00 uur. Dan liep [medeverdachte 4] naar beneden en gaf de briefjes aan [medeverdachte 1] . Hij heeft
de envelop ook wel eens uit het raam gegooid. De trekking van zowel de Hollandse als de
Duitse lotto is op zaterdagavond te zien op TV. Als hij had gewonnen kwam [medeverdachte 1]
zondags tussen 10:00 uur en 12:00 uur een envelop met geld brengen. [11] Als [medeverdachte 1] op vakantie was, nam verdachte de zaken waar. [12]
[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij enkele keren per jaar boekjes drukte voor verdachte en
[medeverdachte 2] . Omstreeks het jaar 2006 vroeg [medeverdachte 2] of [medeverdachte 5] lottoformulieren voor hem
wilde drukken. Op basis van het model wist [medeverdachte 5] dat het niet om de legale lotto ging. [medeverdachte 5] heeft ongeveer tien jaar lang voor [medeverdachte 2] gedrukt. Hij weet niet precies meer hoe lang hij voor verdachte heeft gedrukt, hij denkt een jaar of acht. De laatste bestelling van verdachte is in april 2014 geweest. Verdachte en [medeverdachte 2] bestelden formulieren die betrekking hadden op de Nederlandse en Duitse lotto. [13]
Op 4 februari 2015 is plaatsbepalingsapparatuur geplaatst in de Porsche Panamera van
[medeverdachte 1] . Tussen 4 februari 2015 en 27 november 2015 liggen 42 weekenden. In 28
weekenden is het baken op zowel zaterdag als zondag gepeild aan de [adres] in
[plaats] , de woning van verdachte. In vier weekenden is het baken niet gepeild bij die
woning. In zeven weekenden is er alleen op zaterdag gepeild en in drie weekenden alleen
op zondag. [14]
Bij observaties is ook [medeverdachte 2] regelmatig gezien bij de woning van verdachte, op momenten dat [medeverdachte 1] daar ook was.
Zaterdag 21 november 2015 [15] :
16.29
uur: Ik zag dat de Porsche (...) geparkeerd werd op de [adres] te [plaats] , ter
hoogte van de woning [adres] en dat [medeverdachte 1] (...) in de richting van de voordeur van genoemde
woning liep.
17.11
uur: wij zagen dat [medeverdachte 2] (...) vanaf de [adres] te [plaats] vertrok
met de Renault (...).
Zondag 22 november 2015 [16] :
7.59
uur: (...). Wij zagen dat [medeverdachte 1] (...) naar binnen ging bij perceel [adres] te
[plaats] .
8.03
uur: (...). Wij zagen dat [medeverdachte 2] (..) uitstapte en perceel [adres] te [plaats] binnenging.
9.26
uur: Wij zagen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit perceel [adres] te [plaats]
kwamen lopen. Wij zagen dat [medeverdachte 1] twee oranje doosjes in zijn handen droeg. Wij zagen
dat [medeverdachte 2] een blauw/witte plastic tas droeg en twee oranje doosjes. Wij zagen dat ze alles
in de Renault (...) legden.
Zaterdag 19 maart 2016 [17] :
16.29
uur: Ik zag dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen aan kwamen lopen over de [adres] te
[plaats] .(...). Ik zag dat beiden richting de voordeur van perceel [adres] te
[plaats] liepen.
Zondag 20 maart 2016 [18] :
7.58
uur: Ik zag dat [medeverdachte 1] (...) aanbelde bij perceel [adres] en vervolgens werd
binnengelaten.
8.08
uur: Ik zag dat [medeverdachte 2] (...) na aanbellen bij perceel [adres] te [plaats] werd
binnengelaten.
9.16: Ik zag dat [medeverdachte 2] als bestuurder vertrok in de Peugeot (...).
10.03: Ik zag dat [medeverdachte 1] uit perceel [adres] te [plaats] kwam en richting zijn
BMW (...) liep.
Overwegingen van het hof
Op basis van voorgaande bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wekelijks op zaterdag op het tijdstip van de trekking van de Nederlandse en Duitse Lotto bij elkaar kwamen in de woning van verdachte. Op zondag kwamen ze weer bij verdachte in de woning samen en werden de prijzen verdeeld onder de prijswinnaars. Voor het bepalen van de prijswinnaars beschikten zij over een rekenbestand. Verder heeft [medeverdachte 4] verklaard dat hij via [medeverdachte 1] met de lotto meespeelde en dat hij, als hij gewonnen had, op zondag geld ontving. Op basis van de aangetroffen lottopapiertjes met de tekst “6 aus 49” en “6 uit 45” die in de woning van verdachte en in de tuin van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen, en de link met de Nederlandse en Duitse lottotrekkingen, kan worden vastgesteld dat voor het bepalen van de prijswinnaars gebruik werd gemaakt van de lottotrekkingen van de legale lotto. Bij [medeverdachte 5] werden de boekjes voor de Nederlandse en Duitse lotto besteld. Niet is gebleken dat één van de verdachten over een vergunning als bedoeld in de Wet op de Kansspelen beschikte. Hiermee staat dan ook vast dat er sprake was van een illegale lotto.
Alle bewijsmiddelen in samenhang bezien is het hof van oordeel dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen aan het publiek gelegenheid hebben gegeven om met een lotto mee te spelen en op die manier mee te dingen naar prijzen. Zij hebben daarbij ieder een substantiële rol gehad. Hoewel niet specifiek duidelijk is geworden hoe de onderlinge rolverdeling was, staat dit niet aan een bewezenverklaring van het medeplegen in de weg, nu uit de bewijsmiddelen wel blijkt dat de verdachten in een voor een bewezenverklaring van het medeplegen vereiste mate van een nauwe en bewuste wijze hebben samengewerkt.
[medeverdachte 5] heeft op 13 april 2016 verklaard dat hij denkt dat hij al een jaar of acht voor verdachte boekjes heeft gemaakt en dat de laatste bestelling in april 2014 was. Hoewel [medeverdachte 5] niet exact meer weet hoe lang hij voor verdachte heeft gedrukt, valt de ten laste gelegde periode ruim binnen de door hem genoemde periode van acht jaar.
Het hof is van oordeel dat verdachte zich in de periode van 25 november 2013 tot en met 10 april 2016 samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gelegenheid geven aan het publiek om door middel van een lottospel mede te dingen naar prijzen. Gelet op de frequentie van de trekkingen en de periode waarin het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat verdachte en medeverdachten van het gelegenheid geven tot het spelen van een illegale lotto een gewoonte hebben gemaakt.
Het verweer van de raadsman dat de verklaring van [medeverdachte 5] niet voor het bewijs kan
worden gebruikt, wordt door het hof verworpen, omdat het hof geen reden heeft om aan de verklaring van [medeverdachte 5] te twijfelen, nu hij volledige openheid van zaken heeft gegeven en hij ook zichzelf in zijn verklaring heeft belast.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode van 25 november 2013 tot en met 10 april 2016 te [plaats] en
/ofandere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met
een ander ofanderen,
althans alleen,
(telkens
)opzettelijk gelegenheid heeft gegeven aan (personen uit) het publiek om
(telkens
)door middel van een of meer
(kans
)spel
(en
), te weten
(onder meer)een lottospel ("6 aus 49" en
/of"6 uit 45"
en/of soortgelijke spellen) dat gebaseerd is op Nederlandse en
/ofDuitse lottotrekkingen mede te dingen naar prijzen en/of premies, waarbij de aanwijzing der winnaars
(telkens
)geschiedde door enige kansbepaling (te weten een
(legale
)Nederlandse en/of Duitse lottotrekking) waarop de deelnemers
(telkens
)in het algemeen geen overwegende invloed konden uitoefenen, terwijl daarvoor
(telkens
)geen vergunning ingevolge de Wet op de kansspelen was verleend,
terwijl hij van het plegen van dit
/dezemisdrijf
/misdrijveneen gewoonte heeft gemaakt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 1, eerste lid onder a, van de Wet op de kansspelen, terwijl van het plegen van dat misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 3.500,-.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er sprake is van een dermate forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, dat er geen redelijk strafdoel nog bereikt zou kunnen worden met het opleggen van een sanctie. Ook gezien de leeftijd van verdachte zou er geen redelijk strafdoel meer bereikt worden. Verzocht is om verdachte geen straf of maatregel op te leggen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het is verboden om zonder vergunning een lotto te organiseren. Doel van dit verbod is niet
alleen om gokverslavingen te voorkomen, maar ook om kansspelspelers te beschermen en criminaliteit en illegaliteit in de kansspelwereld tegen te gaan. Een vergunningstelsel maakt het mogelijk om (voorafgaand) toezicht te houden op de aanbieders van kansspelen.
Verdachte heeft samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] jarenlang de Wet op de Kansspelen overtreden door een illegale lotto te organiseren. Daarbij hebben de verdachten enkel vanuit eigen financieel gewin gehandeld en hebben zij het door de overheid gehanteerde kansspelbeleid doorkruist.
Uit het de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 september 2025 blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Alles overziend is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde geldboete van
€ 7.000,- passend is voor de periode die in hoger beroep bewezen is verklaard, te weten de periode van 25 november 2013 tot en met 10 april 2016.
De gedeeltelijke verjaring van het feit heeft geen straf verminderende invloed, omdat het hof van oordeel is dat de ernst van het feit onvoldoende in de door de rechtbank opgelegde straf tot uitdrukking is gebracht.
Voor de toepassing van een rechterlijk pardon in de zin van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is naar het oordeel van het hof, ondanks de leeftijd van verdachte, geen plaats, omdat het bewezenverklaarde gelet op het structurele plegen daarvan in een periode van drie jaren te ernstig is om verdachte geen straf of maatregel op te leggen.
De redelijke termijn voor strafzaken is in hoger beroep echter overschreden en het hof ziet hierin wel reden om de op te leggen straf te matigen. Uitgangspunt is dat de berechting van een zaak in hoger beroep moet zijn afgerond binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. De verdachte heeft op 26 september 2019 hoger beroep ingesteld en er wordt eindarrest gewezen op 25 november 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn voor strafzaken met ruim vier jaar is overschreden, terwijl er geen reden is waarom de zaak niet eerder op zitting kon worden gebracht. Het hof is dan ook van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, terwijl dit niet komt door de proceshouding van verdachte. Het hof zal daarom aan verdachte een geldboete van € 3.500,- opleggen.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen:
  • 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht
  • 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
  • 1 van de Wet op de kansspelen.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte ter zake van het tenlastegelegde, voor zover het de periode van 1 januari 2009 tot en met 24 november 2013 betreft.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
70 (zeventig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. S. Bek en mr. O.F. Essens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,
en op 25 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 25 november 2025.
Tegenwoordig:
mr. M.L. Plas, voorzitter,
mr. M. Muurmans, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte en zijn raadsman zijn niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter sluit het onderzoek.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2012/2013, 33685, nr. 3, p. 8-9.
2.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2]
3.Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5187.
4.Proces-verbaal van doorzoeking [adres] te [plaats] , p. 5154, 5156 en 5157, lijst van
5.Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5190.
6.Excel-bestand behorend bij rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, onderzoek Trombone, proces verbaalnummer AH479-001.
7.Proces-verbaal van doorzoeking [adres] in [plaats] , proces-verbaal nummer AH530, opgemaakt te Arnhem op 11 april 2016, proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5189 en 5192 t/m 5194, afbeeldingen lottobriefjes, p. 5328 t/m 5331 en gedeeltes van Lotto-totaallijsten, p. 5337 en 5338.
8.Proces-verbaal van doorzoeking [adres] [plaats] , proces-verbaal nummer AH421, opgemaakt te Arnhem op 2 mei 2016 met bijlage lijst van inbeslaggenomen goederen, proces-verbaal van bevindingen inbeslaggenomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5191, 5194 t/m 5196, afbeelding lijst lopers, p. 5381, deelnemerslijst, p. 5390 t/m 5402 en afbeeldingen blanco lottoboekjes, p. 5407 en 5408.
9.Proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen Wet op de kansspelen, p. 5191 en 5195 en Excel-bestand Kopie van controlelijst, p. 5412 t/m 5428.
10.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 5222 t/m 5224 en proces-verbaal getuigenverhoor bij de rechter-commissaris van 6 februari 2018.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , p. 1384 t/m 1386.
12.Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 2 februari 2018.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 5] , p. 1424 t/m 1427 en 1430
14.Rapport met betrekking tot bakengegevens Porsche Panamera [kenteken] , p. 5104.
15.Proces-verbaal van observatie zaterdag 21 november 2015, p. 5033, 5035 en 5036.
16.Proces-verbaal van observatie zondag 22 november 2015, p. 5039 en 5040.
17.Proces-verbaal van observatie zaterdag 19 maart 2016, p. 5047.
18.Proces-verbaal van observatie 20 maart 2016, p. 5059 en 5060.