ECLI:NL:GHARL:2025:7540

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
200.354.952
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie met terugwerkende kracht in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 27 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de wijziging van kinderalimentatie. De vrouw, verzoekster in hoger beroep, was het niet eens met de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, die op 10 mei 2022 de kinderalimentatie had vastgesteld op € 30,- per kind per maand. De vrouw verzocht het hof om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht te verhogen naar € 250,- per kind per maand vanaf 1 september 2022. De man, verweerder in hoger beroep, voerde verweer en vroeg het hof de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.

Het hof heeft vastgesteld dat de man en de vrouw gehuwd zijn geweest en dat zij samen twee minderjarige kinderen hebben. De rechtbank had eerder bepaald dat de kinderalimentatie per 1 januari 2024 € 250,- per kind per maand zou zijn, maar de vrouw was van mening dat de alimentatie ook met terugwerkende kracht verhoogd moest worden. Het hof oordeelde dat, anders dan de rechtbank, op basis van de overgelegde stukken de kinderalimentatie wel met terugwerkende kracht kon worden gewijzigd. Het hof concludeerde dat de man een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw moest betalen van € 227,66 per kind per maand voor de periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2023 en € 235,40 per kind per maand voor de periode van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.952
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 582890)
beschikking van 27 november 2025
inzake
[appellante],
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen,
en
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 februari 2025, uitgesproken het hiervoor genoemde zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 mei 2025;
- een journaalbericht namens de vrouw van 26 september 2025 met een ‘Akte overlegging nadere stukken en noodzakelijke uitleg daarbij, tevens houdende wijziging verzoek’ met producties.
2.2
De minderjarige [minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vrouw met haar advocaat;
- de man.
2.4
Na de mondelinge behandeling zijn ingekomen een emailbericht van de man van 26 oktober 2025 met bijlagen en een emailbericht van de man van 2 november 2025. Nu de mondelinge behandeling is gesloten en het hof partijen geen toestemming heeft gegeven nog nadere stukken na te zenden slaat het hof geen acht op deze stukken.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd geweest. Op 10 mei 2022 heeft de rechtbank tussen hen de echtscheiding uitgesproken.
3.2
De vrouw en de man zijn de ouders van:
- [minderjarige1] , geboren [in] 2008;
- [minderjarige2] , geboren [in] 2015.
[minderjarige1] en [minderjarige2] staan ingeschreven op het adres van de vrouw.
3.3
Bij beschikking van 10 mei 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 10 mei 2022 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] (hierna ook: de kinderalimentatie) aan de vrouw € 30,- per kind per maand zal voldoen.
Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2024 ingevolge de wettelijke indexering € 32,94 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2025 € 35,08 per kind per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - met wijziging van de beschikking van 10 mei 2022 - bepaald dat de kinderalimentatie vanaf 1 januari 2024 € 250,- per kind per
maand bedraagt, vanaf 1 december 2024 € 263,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2025
€ 280,10 per kind per maand en beslist dat de man vanaf de datum van de beschikking de kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen.
4.2
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de ingangsdatum. Zij komt daarvan in hoger beroep. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van de vaststelling van de kinderalimentatie over de periode van 1 september 2022 tot en met 31 december 2023 en alsnog te bepalen dat de man gehouden is een bijdrage van € 250,- per kind per maand te voldoen met ingang van
1 september 2022 tot en met 31 december 2023, althans een bijdrage die het hof juist acht.
4.3
De man heeft mondeling verweer gevoerd en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

toepassing twee-conclusieregel
5.1
Bij het journaalbericht namens de vrouw van 26 september 2025 is een ‘Akte overlegging nadere stukken en noodzakelijke uitleg daarbij, tevens houdende wijziging verzoek’ overgelegd. Zoals op de zitting besproken is naar het oordeel van het hof de in deze akte opgenomen uitleg in strijd met de zogenoemde ‘twee-conclusieregel’. In hoger beroep is er voor iedere partij één schriftelijke ronde voor beroep dan wel verweer. Een extra tweede schriftelijke ronde, zoals met de uitleg in de akte beoogd, is niet toegestaan. Het hof laat deze uitleg daarom buiten beschouwing.
Inhoudelijke overwegingen
5.2
Tussen de vrouw en de man is niet in geschil de door de rechtbank vaststelde kinderalimentatie per 1 januari 2024 van € 250,- per kind per maand, per 1 december 2024 van € 263,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2025 van € 280,10 per kind per maand.
5.3
De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank om de kinderalimentatie niet met terugwerkende kracht per 1 september 2022 te verhogen naar € 250,- per kind per maand.
5.4
Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De gewijzigde verplichting kan ingaan op de datum dat de omstandigheden zijn gewijzigd, de onderhoudsgerechtigde op de hoogte raakte van de wijziging van omstandigheden, het oorspronkelijke verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend of de bestreden beschikking is gegeven. Het wijzigen van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht is mogelijk, maar de rechter dient volgens vaste rechtspraak daarbij terughoudend te zijn, vanwege eventuele ingrijpende gevolgen van een dergelijke wijziging, met name doordat mogelijk een terugbetalingsverplichting voor de onderhoudsgerechtigde ontstaat.
5.5
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken wel met terugwerkende kracht kinderalimentatie kan worden vastgesteld. Niet is gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat uit de stukken van de man volgt dat hij per 15 september 2022 als verhuurder een huurovereenkomst is aangegaan met
een huurder voor een deel van de woning aan de [adres] in [woonplaats] met als huurprijs € 1.050,- per maand en dat dus met ingang van die datum sprake is van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt. De man heeft ook op de zitting bij het hof bevestigd dat hij extra inkomsten uit verhuur heeft, maar stelt dat hij in de voorliggende periode aan de vrouw bedragen heeft voldaan om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Alleen heeft de man deze stelling op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Partijen zijn het eens over de door de man te betalen kinderalimentatie per 1 januari 2024 van € 250,- per kind per maand en deze draagkracht wijkt ook nauwelijks af van de door de rechtbank berekende bijdrage van de man per 1 december 2024. Omdat het hof constateert op basis van de overgelegde stukken dat in de voorliggende periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2024 in de financiële situatie van partijen geen grote veranderingen hebben getreden, zal het hof in redelijkheid de door de man te betalen kinderalimentatie vaststellen met ingang van 1 september 2022 op het bedrag aan kinderalimentatie per 1 januari 2024 te verminderen met de wettelijke indexering per 1 januari 2024 (6,2%) en per 1 januari 2023 (3,4%). En met ingang van 1 januari 2023 op het bedrag aan kinderalimentatie per 1 januari 2024 te verminderen met de wettelijke indexering per 1 januari 2024 (6,2%).
Gelet op het voorgaande en omdat onvoldoende duidelijk is hoe frequent het contact tussen de man en de kinderen was in de voorliggende periode, gaat het hof voorbij aan de stelling van de vrouw over de zorgkorting.
5.6
Concluderend moet de man een bedrag aan kinderalimentatie aan de vrouw betalen:
- in de periode van 1 september 2022 tot 1 januari 2023 van € 227,66 per kind per maand en
- in de periode van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 van € 235,40 per kind per maand.
5.7
Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat de man aan de vrouw nog een aanzienlijk bedrag aan achterstallige kinderalimentatie zal moeten voldoen. Gesteld noch gebleken is dat de man niet aan die betalingsverplichting kan voldoen. Wel gaat het hof er van uit dat de vrouw de man in de gelegenheid zal stellen met haar in overleg te treden over een regeling voor de aflossing van het bedrag aan achterstallige kinderalimentatie.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna onder 7. vermeld.
6.2
Gelet op de familierechtelijke aard van de zaak zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat dat elke partij de eigen kosten draagt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 februari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 mei 2022 wat betreft de beslissing over de kinderalimentatie en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] zal betalen:
  • van 1 september 2022 tot 1 januari 2023 € 227,66 per kind per maand en
  • van 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 € 235,40 per kind per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, P.B. Kamminga en D.J.I. Kroezen en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.