ECLI:NL:GHARL:2025:7545

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
16-322701-23 / 001051-25 – 03
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 e.v. Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen schorsing voorlopige hechtenis in cocaïnehandelzaak afgewezen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland die de voorlopige hechtenis van verdachte had geschorst. Verdachte was eerder onder voorwaarden geschorst geweest, maar het hof beoordeelde de belangen opnieuw na het veroordelend vonnis.

De rechtbank had vastgesteld dat verdachte een organiserende en cruciale rol had bij acht transporten van in totaal 423 kilogram cocaïne, waarbij hij anderen risicovolle taken liet uitvoeren en zelf zoveel mogelijk uit het zicht bleef. Deze feiten en de ernst van de handel, met een goede organisatie en verborgen ruimtes in voertuigen, maakten de zaak ernstig.

Het hof oordeelde dat de rol van verdachte bij de feiten nu concreter en zwaarder was ingevuld dan ten tijde van de eerdere schorsing, waardoor het recidiverisico groter werd geacht. Persoonlijke omstandigheden, zoals zijn werkzaamheden als voetbalmakelaar en de gezondheid van zijn moeder, waren onvoldoende zwaarwegend om de schorsing voort te zetten.

Het hof wees het verzoek tot schorsing af en vernietigde de beslissing van de rechtbank. Omdat de voorlopige hechtenis niet werd geschorst, werd niet inhoudelijk op de wijziging van de schorsingsvoorwaarden ingegaan. Het hof bevestigde dat het recidiverisico niet effectief kan worden beperkt met bijzondere voorwaarden bij dit type criminaliteit.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af en vernietigt de eerdere schorsingsbeslissing.

Uitspraak

beschikking
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Arnhem
pkn: 16-322701-23
avnr: 001051-25 – 03
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door de officier van justitie in de zaak van:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans niet gedetineerd.
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 3 oktober 2025, voor zover houdende de toewijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door
mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 16 oktober 2025.

OVERWEGINGEN:

De advocaat-generaal heeft een nadere toelichting gegeven op de door het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de raadkamer aan het hof toegezonden schriftuur hoger beroep.
De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het ingestelde hoger beroep nu het besluit waartegen het beroep is ingesteld in wezen een voortzetting van een eerdere afgegeven schorsing betreft.
Het hof stelt vast dat de eerdere schorsing expliciet was afgegeven voor de periode tot aan de einduitspraak van de rechtbank. Het besluit waartegen het beroep is gericht (het ingaan van een nieuwe schorsing per datum uitspraak) heeft daarmee te gelden als een volwaardige nieuwe schorsingsbeslissing waartegen het Openbaar Ministerie ingevolge de bepalingen van het wetboek van Strafvordering appel in kan stellen. Het Openbaar Ministerie is derhalve ontvankelijk in het ingestelde beroep.
Voorts heeft de raadsman ter zitting verzocht het appel ongegrond te verklaren en de schorsing te handhaven. Daarbij heeft de raadsman tevens verzocht de aan de schorsing verbonden voorwaarden in die zin te wijzigen dat het paspoort van verdachte wordt teruggegeven en hem wordt toegestaan naar het buitenland te reizen.
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft in het veroordelend vonnis het navolgende vastgesteld: “De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren, verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne. De verdachte was daarbij opdrachtgever en organisator en zijn rol was daarmee cruciaal en essentieel voor het laten plaatsvinden en doen slagen van de transporten. Daarnaast onderhandelde hij over de prijs van de cocaïne. Zo had hij dus ook een grote rol bij de handel. De stelselmatigheid van de handelingen en de grote hoeveelheid cocaïne die bij de transporten in omloop was, dragen in dit geval bij aan de ernst van het feit. De rechtbank is gekomen tot een bewezenverklaring van maar liefst 8 transporten van in totaal 423 kilogram cocaïne. Deze transporten vonden op geraffineerde wijze plaats. Er lag een goede organisatie aan ten grondslag, met meerdere betrokken personen, en ten minste één auto met een speciaal daarvoor ingebouwde verborgen ruimte.
De rechtbank vindt het ook ernstig dat de verdachte anderen. waaronder zijn stiefzoon, de
risicovolle taken heeft laten uitvoeren en zelf zoveel mogelijk uit het zicht bleef. Het lijkt
erop dat hij op die manier vooral de vruchten wilde plukken en de risico’s bij anderen
neerlegde.”.
Naar het oordeel van het hof staan met deze vaststellingen de rol van de (ontkennende) verdachte bij de feiten en de wijze waarop hij invulling gaf aan deze rol niet onherroepelijk vast, maar zijn zij wel nadrukkelijk nader en concreter ingevuld dan ten tijde van de schorsing aan de orde was. Naar het oordeel van het hof zien de ernstige bezwaren thans op een zware en cruciale rol van verdachte bij de ten laste gelegde feiten, die onder meer inhield dat verdachte zo opereerde dat hij anderen de risicovolle taken liet uitvoeren en zelf zoveel mogelijk uit het zicht bleef.
Tegen deze achtergrond komt het hof op dit moment tot een andere afweging van de belangen die afgewogen moeten worden bij de beoordeling van een schorsingsverzoek dan de rechtbank.
Met de hiervoor weergegeven omstandigheden komt naar het oordeel van het hof een groter gewicht toe aan de recidivegrond die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag ligt dan het geval was ten tijde van de schorsing voorafgaand aan het vonnis. De door verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden (zijn werkzaamheden als voetbalmakelaar en de gezondheid van zijn moeder) zijn naar het oordeel van het hof daarmee thans onvoldoende zwaarwegend om een voortzetting van de schorsing te rechtvaardigen.
Bij dit oordeel heeft het hof meegewogen dat de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte een organiserende rol had en zelf zoveel mogelijk uit het zicht bleef en dat het bij het type criminaliteit waar het in deze zaak over gaat in zijn algemeenheid moeilijk kan zijn het recidiverisico met bijzondere voorwaarden effectief te ondervangen. Naar het oordeel van het hof kan bij de huidige stand van zaken in de procedure het recidiverisico – zoals dit na het veroordelend vonnis scherper in beeld is – niet afdoende worden ingeperkt door het stellen van bijzondere voorwaarden.
Met betrekking tot de aangevoerde werkzaamheden als voetbalmakelaar stelt het hof overigens vast dat dit belang in zoverre betrekkelijk is dat ter zitting is gebleken dat verdachte de licentie voor deze werkzaamheden pas gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft behaald en dat verdachte zich tijdens de opleiding die daarvoor gevolgd zal zijn dus bewust moet zijn geweest van het feit dat hij in een geschorste voorlopige hechtenis liep die op de datum van het te wijzen vonnis zou eindigen, terwijl het allerminst zeker was dat de voorlopige hechtenis daarna opnieuw geschorst zou worden.
Het hof is zich bewust van het feit dat verdachte geruime tijd geschorst is geweest en dat niet gebleken is dat verdachte in die tijd gerecidiveerd heeft. Dit gegeven maakt de afweging die het hof op dit moment moet maken echter niet anders.
Alles overziende zal het hof de beslissing van de rechtbank tot schorsing van de voorlopige hechtenis vernietigen en het verzoek tot schorsing alsnog afwijzen.
Nu de voorlopige hechtenis niet geschorst wordt, komt het hof niet meer toe aan de behandeling van het verzoek de schorsingsvoorwaarden te wijzigen.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 80 e.v. Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof:
  • verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep;
  • vernietigt de beslissing van de rechtbank voor zover daartegen hoger beroep was ingesteld;
  • wijst af het verzoek van verdediging namens de verdachte gedaan tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gegeven op 19 november 2025 door mr. M.H.D.M. van Leent, voorzitter,
mr. J. Corthals en mr. M. Nooijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van
A. van de Wardt, griffier, en ondertekend door de oudste raadsheer. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.