De zaak betreft een geschil over de omgangsregeling tussen een vader en zijn drie minderjarige kinderen, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) een verzoek deed tot schorsing van de omgangsregeling en regie over de omgang.
De kinderen wonen sinds 2022 bij de moeder in Nederland, terwijl de vader in het buitenland verblijft en tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Er zijn ernstige zorgen over het welzijn van de kinderen, waaronder traumagerelateerde klachten en signalen van huiselijk geweld. De omgang tussen vader en kinderen is sinds 2023 minimaal en onder begeleiding verlopen.
Het hof oordeelt dat vanwege de zorgelijke situatie en het ontbreken van voldoende zicht op de veiligheid en het welzijn van de kinderen, het in hun belang is dat er momenteel geen fysieke omgang plaatsvindt. De regie over het opstarten en uitbreiden van de omgang wordt aan de GI gegeven. Daarnaast wordt de vaste videobelregeling afgeschaft en wordt spontaan contact tussen vader en kinderen gestimuleerd.
De beschikking van de kinderrechter wordt vernietigd en de omgangsregeling gewijzigd in het belang van de kinderen, waarbij de GI de regie voert gedurende de ondertoezichtstelling.