ECLI:NL:GHARL:2025:7601

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
200.357.104/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging benoeming mentoren in hoger beroep met betrekking tot de zorg voor een betrokkene met dementie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de benoeming van mentoren voor een betrokkene die lijdt aan dementie. De zaak betreft een verzoek van de verzoekster, die in hoger beroep is gegaan tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 april 2025. De verzoekster, bijgestaan door haar advocaat mr. H.A. Jeuring, is de dochter van de betrokkene en heeft bezwaar gemaakt tegen de benoeming van haar zussen, de verweerster en een andere belanghebbende, tot mentoren. De verweerster, vertegenwoordigd door mr. M.J.S. Spanjersberg, heeft verweer gevoerd en verzocht om bekrachtiging van de eerdere beschikking. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene niet in staat is om een voorkeur voor een mentor aan te geven vanwege haar ziektebeeld. Het hof heeft de argumenten van de verzoekster en de verweerster afgewogen en geconcludeerd dat de benoeming van de zussen tot mentoren gerechtvaardigd is, gezien hun betrokkenheid en de zorg voor de betrokkene. De beschikking van de kantonrechter is bekrachtigd, waarbij het hof heeft benadrukt dat de verzoekster nog steeds een belangrijke rol kan spelen in de zorg voor haar moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.357.104/01
(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland 11297201 en 11388910)
beschikking van 25 november 2025
inzake
[verzoekster]( [verzoekster] ),
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. H.A. Jeuring te Groningen,
en
[verweerster]( [verweerster] ),
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.J.S. Spanjersberg te Zoetermeer.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1](de betrokkene),
wonende te [woonplaats3] ,
[belanghebbende2]( [belanghebbende2] ),
wonende te [woonplaats4] ,
[belanghebbende3]( [belanghebbende3] ),
wonende te [woonplaats5] ,
advocaat: mr. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer.
[belanghebbende4]( [belanghebbende4] ),
wonende op een geheim te houden adres.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen , van 15 april 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 14 juli 2025;
- een journaalbericht namens [verzoekster] van 28 jul 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift van [verweerster] .
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 29 oktober 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren [verzoekster] , bijgestaan door haar advocaat, [verweerster] en [belanghebbende3] , bijgestaan door mr. A. van Bendegem (waarnemend kantoorgenoot van mr. Spanjersberg en mr. Van Leeuwen), en [belanghebbende2] . Mr. Jeuring heeft het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen.

3.De feiten

3.1
De betrokkene is geboren [in] 1929. [verzoekster] , [verweerster] , [belanghebbende2] , [belanghebbende3] en [belanghebbende4] zijn de kinderen van de betrokkene.
3.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 6 september 2024, hebben [verweerster] en [belanghebbende2] verzocht om een bewind in te stellen over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de betrokkene en hen te benoemen tot bewindvoerders.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 5 november 2024, heeft [verweerster] verzocht om een mentorschap over de betrokkene in te stellen en haar en [belanghebbende2] te benoemen tot mentoren.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een bewind ingesteld voor onbepaalde tijd over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de betrokkene wegens haar lichamelijk of geestelijke toestand. De kantonrechter heeft tevens een mentorschap ingesteld over de betrokkene wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. De kantonrechter heeft [verweerster] en [belanghebbende2] benoemd tot bewindvoerders en mentoren.
4.2
[verzoekster] is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 april 2025. Grief 1 ziet op de schending van hoor en wederhoor. Grief 2 ziet op de onjuiste waardering van feiten en omstandigheden. Grief 3 ziet op de onjuiste toepassing van artikel 1:452 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Grief 4 ziet op de ontoereikende motivering van de rechtbank. [verzoekster] verzoekt het hof om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de benoeming van de mentoren en, opnieuw rechtdoende, [verzoekster] te benoemen tot mentor van de betrokkene.
4.3
[verweerster] voert verweer en zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen. [belanghebbende2] en [belanghebbende3] hebben ter zitting ook verweer gevoerd en voor de inhoud aangesloten bij wat [verzoekster] naar voren heeft gebracht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
[verzoekster] heeft tegen de instelling van het mentorschap (en het bewind) voor de betrokkene geen bezwaar, maar zij heeft wel bezwaar tegen de benoeming van haar zussen [verweerster] en [belanghebbende2] tot mentoren van de betrokkene. [verzoekster] wil zelf alleen als mentor worden benoemd, omdat zij de betrokkene al jaren verzorgt, dicht bij haar woont en dagelijks bij haar langskomt. De zussen van [verzoekster] vinden dat zij niet geschikt is om de rol van mentor
te vervullen, omdat [verzoekster] onvoldoende met hen overlegt en hen onvoldoende informeert.
Ook vinden zij dat de communicatie tussen [verzoekster] en de zorgverleners onvoldoende is, omdat [verzoekster] zich te kritisch opstelt. Zij vinden dat [verweerster] en [belanghebbende2] door de kantonrechter terecht tot mentoren zijn benoemd.
5.2
Op grond van 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
5.3
Het hof stelt voorop dat de betrokkene vanwege haar ziektebeeld (dementie) niet in staat is om een uitdrukkelijke voorkeur bij de benoeming van de mentor aan te geven.
Voor het hof is duidelijk dat alle vier dochters betrokken zijn bij hun moeder en dat zowel [verweerster] en [belanghebbende2] als [verzoekster] bereid zijn om als mentor voor haar op te treden.
De kantonrechter heeft [verweerster] en [belanghebbende2] op verzoek van [verweerster] benoemd tot mentoren en heeft hierbij in aanmerking genomen dat de communicatie over de zorgbeslissingen voor de betrokkene vanuit [verzoekster] , toen zij nog het eerste aanspreekpunt was in woonzorgcentrum [naam1] waar de betrokkene eerder verbleef, niet naar behoren verliep. Niet is gebleken van redenen die zich tegen de benoeming van [verweerster] en [belanghebbende2] verzetten. Gebleken is dat zij hun taken als mentor op een goede wijze invullen waarbij de zorg voor de betrokkene centraal staat, in balans met de werkwijze van de zorginstelling waar zij verblijft.
Ook informeren zij alle zussen en overleggen zij met hen waar nodig. Zo heeft [verweerster] het zorgleefplan van de betrokkene samen met [verzoekster] besproken met de zorginstelling, waar de betrokkene nu verblijft. Om de goede invulling van het mentorschap te kunnen waarborgen, is het hof van oordeel dat [verweerster] en [belanghebbende2] de zorgtaken voor de betrokkene moeten blijven regelen. Dit neemt niet weg dat [verzoekster] nog steeds een belangrijke bijdrage kan leveren aan de dagelijkse zorg voor de betrokkene en haar regelmatig kan blijven bezoeken. Het hof merkt hierbij op dat [verzoekster] , wanneer zij zorgen heeft over de wijze waarop de zorg door de instelling wordt ingevuld, deze moet bespreken met de mentoren of in het zorgdossier kan melden.
5.4
Voor zover [verzoekster] klaagt over de wijze van totstandkoming van de bestreden beschikking van 15 april 2025, in het bijzonder over het niet in acht nemen van het beginsel van hoor en wederhoor, overweegt het hof als volgt. In het midden kan blijven of de kantonrechter bij de totstandkoming van voornoemde beschikking in strijd heeft gehandeld met het beginsel van hoor en wederhoor, omdat [verzoekster] geen belang heeft bij de behandeling van haar klacht. Zij heeft immers in hoger beroep de zaak ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren tegen de beschikking van 15 april 2025 kenbaar te maken (en heeft daarvan ook gebruik gemaakt). De procedure in hoger beroep strekt er bovendien mede toe eventuele omissies uit de eerste aanleg te herstellen.
6. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen , van 15 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, L. van Dijk en K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 25 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.