Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak en de beslissing
bovenopde wettelijke transitievergoeding.
3.De achtergrond van het geschil
2. Werkingssfeer en doelstellingen
4.De beoordeling
de verplichtingrust om, als een zieke werknemer de aangeboden vaststellingsovereenkomst niet tekent, aan het UWV toestemming te vragen om de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen te mogen beëindigen. Er geldt dan immers een opzegverbod tijdens ziekte, waarbij de werkgever verplicht is om de zieke werknemer te laten re-integreren. TN Europe heeft onder verwijzing naar brieven van het UWV [van] 2022 en [van] 2022 gemotiveerd betwist dat zij geen poging zou hebben ondernomen, zoals [verzoeker] stelt, om [in] 2022 de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen op te mogen zeggen. TN Europe heeft dat gelet op de inhoud van deze brieven wel degelijk gedaan, maar het UWV wilde hiervoor geen toestemming geven vanwege het opzegverbod tijdens ziekte. Uit genoemde brieven blijkt namelijk dat het UWV meende dat er geen sprake was van een volledige bedrijfsbeëindiging in Nederland, maar van een gedeeltelijke.
kunnenindienen vanwege bedrijfseconomische redenen voor [verzoeker] , omdat het opzegverbod tijdens ziekte op grond van artikel 7:670a lid 2 onder b BW niet geldt als de opzegging plaatsvindt wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Dat wil echter nog niet zeggen dat TN Europe daartoe ook
verplichtwas. Het is aan de werkgever om te bepalen wanneer en op welke grondslag hij aan het UWV een verzoek doet om de arbeidsovereenkomst te mogen beëindigen. Zoals hierboven geoordeeld is TN Europe door artikel 12 van het Sociaal Plan, mede in combinatie met de genoemde uitzonderingen onder artikel 2.2, niet in haar keuze beperkt.
hof) nu met de ontslagronde van afdeling SMP meegaat, is in het licht van het voorgaande dan ook niet juist. In deze mail schrijft de HR-medewerker:
werkte vorig jaar op de Rollen afdeling en is toen aangezegd wegens het vervallen van zijn functie. De aangeboden vaststellingsovereenkomst weigerde [verzoeker] , op advies van de door jullie ingeschakelde arbeidsjurist, te ondertekenen omdat hij [per] 2022 arbeidsongeschikt was. Uiteraard was dat zijn goed recht op dat moment, aangezien hij volledig arbeidsongeschikt was (…). Wij hebben echter begrepen dat [verzoeker] nog niet in staat is om te werken en dat hij graag een IVA wil aanvragen (…). Mocht [verzoeker] uiteindelijk een IVA toegewezen krijgen, dan geldt nog steeds wel het opzegverbod tijdens ziekte, aangezien die 104 weken duurt. TN Europe kan dan nog steeds geen vaststellingsovereenkomst met [verzoeker] sluiten. TN Europe heeft dan ook geen andere optie dan de ziekteperiode van 104 weken vol te maken en pas [in] 2024 een vaststellingsovereenkomst aan [verzoeker] te bieden.(onderstreping hof).’
Wij hebben echter begrepen dat [verzoeker] nog niet in staat is om te werken en dat hij graag een IVA wil aanvragen, waar wij achter staan. Wij begrepen echter ook dat de bedrijfsarts deze IVA nog tegenhoudt omdat [verzoeker] nog in behandeling is. Echter in het rapport van de arbeidsdeskundige wordt geconcludeerd dat er geen perspectief is op structureel betaalde arbeid. Ter versterking van die visie hebben we nu een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.’
TN Europe nog steeds geen vaststellingsovereenkomst met [verzoeker] kan sluiten’ blijkt dat TN Europe dit ook als een optie heeft gezien maar daarvan heeft afgezien en de weg via het UWV heeft gekozen. Het had wat het hof betreft des te meer voor de hand gelegen hem toen opnieuw een vaststellingsovereenkomst aan te bieden, nu TN Europe zelf met zoveel woorden als uitgangspunt in het Sociaal Plan heeft opgenomen dat het haar voorkeur heeft om de arbeidsovereenkomst met de boventallige werknemer in ‘onderling overleg’ te beëindigen (artikel 12.2), waarmee de vaststellingsovereenkomst in het vorige lid is bedoeld.