Deze zaak betreft de omgangsregeling tussen een minderjarige geboren in 2014 en haar voormalige pleegouders, oom en tante van haar moeder, die van oktober 2015 tot eind 2021 bij hen woonde. De kinderrechter had bepaald dat de omgang eens per vier weken anderhalf uur begeleid plaatsvindt, maar de pleegouders wensten een uitgebreidere regeling.
Het hof heeft diverse rapporten en adviezen ontvangen, waaronder een psychologisch onderzoek en een raadsonderzoek, die wijzen op hechtingsproblematiek, loyaliteitsconflicten en trauma’s bij de minderjarige. De raad adviseerde een omgangsregeling van eens per zes weken met begeleide omgang, gekoppeld aan een speltherapie en traumabehandeling, om het kind de nodige rust en ruimte te bieden.
De pleegouders stelden dat het rapport onvolledig was en dat de omgang uitgebreid moest worden. De minderjarige ervaart spanningen rondom omgangsmomenten en geeft aan baat te hebben bij langere perioden tussen de contacten. Het hof oordeelt dat de omgangsregeling moet worden aangepast naar eens per zes weken vier uur begeleide omgang, waarbij de GI de regie voert. Dit biedt een feitelijke uitbreiding van de totale omgangstijd en sluit aan bij de behoeften van het kind om rust te ervaren en aan haar ontwikkeling te werken.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking en stelt de nieuwe regeling vast, waarbij belcontacten komen te vervallen om de rust van de minderjarige te waarborgen. Tevens benadrukt het hof het belang van een open houding van de pleegouders ten aanzien van de gevoelens van het kind en het belang van samenwerking tussen alle betrokkenen.