ECLI:NL:GHARL:2025:7639

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.335.855
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling tussen minderjarige en voormalige pleegouders in het belang van de minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen de minderjarige [minderjarige1] en haar voormalige pleegouders, verzoekers in deze procedure. De minderjarige, geboren in 2014, heeft van oktober 2015 tot eind 2021 bij verzoekers gewoond. De kinderrechter had eerder bepaald dat verzoekers eens per vier weken begeleide omgang met [minderjarige1] zouden hebben, maar verzoekers stelden dat deze regeling niet in het belang van de minderjarige was en vroegen om een uitgebreidere regeling.

Het hof heeft in zijn uitspraak de eerdere beschikking van de kinderrechter vernietigd en de omgangsregeling gewijzigd naar eenmaal per zes weken vier uur begeleide omgang. Dit besluit is genomen na het horen van verschillende betrokkenen, waaronder de gecertificeerde instelling (GI) en de raad voor de kinderbescherming, die beiden adviseerden om de omgangsfrequentie te verlagen om de minderjarige meer rust en ruimte te geven in haar ontwikkeling. Het hof heeft vastgesteld dat [minderjarige1] kampt met hechtingsproblematiek en trauma's, en dat de omgang met verzoekers deze problematiek kan verergeren. De nieuwe regeling biedt meer mogelijkheden voor een zinvolle invulling van de omgang, terwijl het ook de minderjarige de nodige hersteltijd biedt na de omgangsmomenten.

De uitspraak benadrukt het belang van samenwerking tussen alle betrokken partijen en de noodzaak voor verzoekers om de gevoelens van [minderjarige1] serieus te nemen. Het hof hoopt dat de nieuwe omgangsregeling niet alleen meer rust zal geven aan de minderjarige, maar ook zal bijdragen aan een betere vertrouwensrelatie tussen verzoekers, de GI en de gezinshuisouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.335.855
(zaaknummers rechtbank Overijssel 296748 en 300812)
beschikking van 2 december 2025
inzake
[appellante],
en
[appellant],
beiden wonende te [woonplaats1] ,
verzoekers in hoger beroep,
verder gezamenlijk ook te noemen: de voormalige pleegouders of verzoekers,
advocaat: mr. G.G. Kempenaars,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Utrecht, tevens kantoorhoudende te Enschede,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gezinshuisouders van [minderjarige1],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de gezinshuisouders.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 4 maart 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
  • een brief van de GI van 26 maart 2025 met als productie het rapport psychologisch onderzoek van [minderjarige1] uitgevoerd door [de praktijk] ; (verder: het rapport psychologisch onderzoek);
  • een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) met als bijlage een rapport raadsonderzoek van 16 juli 2025;
  • een brief van de GI van 5 augustus 2025 met een bijlage;
  • een journaalbericht namens verzoekers van 5 september 2025 met een bijlage;
  • een journaalbericht namens verzoekers van 8 september 2025 met bijlagen.
1.3
[minderjarige1] heeft met haar voogd een brief geschreven aan het hof over wat zij vindt van de omgangsregeling met verzoekers.
1.4
Op 23 september 2025 is de mondelinge behandeling voortgezet. Aanwezig waren:
  • verzoekers en hun advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
De gezinshuisouders zijn met kennisgeving vooraf niet verschenen.
Bij aanvang van de zitting bleek dat de GI en de raad het journaalbericht met bijlagen van verzoekers van 5 en 8 september 2025 niet hadden ontvangen. De GI en de raad wilden beiden graag de gelegenheid krijgen om de bijlagen te bespreken met de binnen hun organisatie aangestelde gedragswetenschapper. Het hof heeft de mondelinge behandeling vervolgens aangehouden.
1.5
Op 11 november 2025 is de mondelinge behandeling opnieuw voortgezet. Aanwezig waren:
  • verzoekers en hun advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de raad.

2.De motivering van de beslissing

waar het over gaat
2.1
Deze zaak gaat over de vraag welke omgangsregeling tussen [minderjarige1] , geboren [in] 2014, en verzoekers (een oom en een tante van haar moeder) het meest in het belang van [minderjarige1] is. [minderjarige1] heeft van oktober 2015 tot eind 2021 bij verzoekers gewoond.
In de bestreden beschikking van 20 september 2023 heeft de kinderrechter bepaald dat verzoekers eens per vier weken begeleide omgang hebben met [minderjarige1] gedurende anderhalf uur en dat de belcontacten gehandhaafd blijven. Verzoekers willen een uitgebreidere regeling.
het verloop in hoger beroep tot nu toe
2.2
Dit hof heeft in zijn tussenbeschikking van 30 april 2024 aan de raad verzocht om onderzoek te doen en te rapporteren. De raad heeft in zijn rapport van 20 december 2024 het hof geadviseerd de beslissing over de omgangsregeling aan te houden gedurende vier maanden in afwachting van de uitkomsten van het psychodiagnostisch onderzoek van [minderjarige1] door [de praktijk] . Alle belanghebbenden zijn daar schriftelijk mee akkoord gegaan, waarna het hof op 4 maart 2025 opnieuw een tussenbeschikking heeft gegeven. Daarin is bepaald dat de in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling voorlopig nog geldt en dat in aanvulling op deze beschikking de omgangsregeling onder regie van de GI kan worden uitgebreid. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
informatie uit het rapport van [de praktijk]
2.3
Het hof heeft op 26 maart 2025 van de GI het rapport psychologisch onderzoek van [minderjarige1] door [de praktijk] ontvangen.
De adviezen in het rapport van [de praktijk] :
  • Speltherapie gericht op:
  • Hechting: Het zou waardevol zijn om te werken door middel van speltherapeutische interventies die specifiek gericht zijn op het verbeteren van de hechting, met de focus op het vergroten van haar gevoel van veiligheid en vertrouwen. En mede met als doel het verstevigen van haar bestaansrecht.
  • Emotieregulatie: [minderjarige1] zou baat kunnen hebben bij technieken voor emotieregulatie, door middel van speltherapie en andere creatieve werkvormen die haar helpen beter om te gaan met frustraties en andere emoties.
  • Zelfbeeld en Zelfvertrouwen: Aanbevolen wordt om therapeutische interventies te richten op het versterken van [minderjarige1] ’ zelfbeeld en zelfvertrouwen, en haar in staat te stellen om haar eigen behoeften en gevoelens beter te begrijpen en te uiten.
  • Aanvullend hierop kan traumabehandeling passend zijn voor het verwerken van haar impactvolle levensloop.
  • Er kan ouderbegeleiding gestart worden, om gezinshuisouders aan te kunnen laten sluiten bij wat [minderjarige1] nodig heeft vanuit de speltherapie.
  • Terugkoppeling van de onderzoeksresultaten aan betrokkenen van school met als doel dat er zo goed mogelijk wordt aangesloten op [minderjarige1] haar onderliggende (onderwijs)behoeften.
  • Het is van belang dat er een eenduidige visie en aanpak is t.a.v. de woonplek en het onderling contact, zodat uitsluitend in het belang van [minderjarige1] gehandeld kan worden en zij door de diverse volwassenen gesteund kan worden bij haar evt. conflicterende loyaliteiten. Er dient goed gekeken te worden hoe de contacten met pleegouders, maar ook met biologische moeder vormgegeven kunnen worden zodat het aansluit bij de behoefte van [minderjarige1] . Het is van belang dat er goed gekeken wordt welke hulp vanuit welke organisatie hiertoe het meest passend is.
het advies van de raad: rapport 16 juli 2025
2.4
Het hof heeft van de raad opnieuw een rapport ontvangen. In dit rapport van de raad van 16 juli 2025 staat dat de raad zich kan vinden in de adviezen van [de praktijk] . De raad concludeert dat [minderjarige1] klem zit tussen verzoekers en de gezinshuisouders en dat [minderjarige1] in een ernstig loyaliteitsconflict verkeert. Daarnaast voelt [minderjarige1] zich door onderliggende trauma’s niet vrij om haar gevoelens en emoties tijdens de omgangsregeling met verzoekers te uiten. Om het behandeltraject bij [de praktijk] in de vorm van speltherapie en traumabehandeling een kans van slagen te geven is de raad van mening dat [minderjarige1] hiervoor rust en ruimte moet krijgen. Daarom adviseert de raad een begeleide omgangsregeling met verzoekers van één keer per zes weken. De speltherapie moet zo spoedig mogelijk worden opgestart. Het is van belang dat zowel verzoekers als de gezinshuisouders worden meegenomen in het behandeltraject, zodat zij goed kunnen aansluiten bij wat [minderjarige1] nodig heeft. De raad adviseert de omgangsregeling te blijven begeleiden. Het is van belang dat er zicht blijft op de gesteldheid van [minderjarige1] , gelet op de gevoelens die bij haar leven voor, tijdens en na de uitvoering van de omgang met verzoekers. Het is aan de voogd welke organisatie hiervoor wordt ingezet. De raad adviseert de belcontacten aan de GI over te laten, omdat de GI het beste invulling kan geven aan de belangen van [minderjarige1] . De raad kan zich voorstellen dat de duur van de omgang met verzoekers wordt uitgebreid als deze eenmaal per zes weken wordt uitgevoerd.
de aanvullende informatie van de GI
2.5
Uit de door de GI overgelegde informatie blijkt dat GI op grond van het rapport van [de praktijk] en het advies van de raad, heeft besloten dat ook de belmomenten tussen verzoekers en [minderjarige1] moeten worden begeleid door Curess, zodat [minderjarige1] uit de spanningen tussen verzoekers en de gezinshuisouders blijft. Verzoekers hebben de GI laten weten dat zij dat niet willen.
de aanvullende informatie van verzoekers
2.6
Verzoekers hebben bij journaalbericht van 5 september 2025 een aanvullende beschouwing psychodiagnostisch onderzoek van GZ-psycholoog [psycholoog] overgelegd. Zij wijzen er vooruitlopend op de mondelinge behandeling in hun brief van 8 september 2025 op dat deze GZ-psycholoog concludeert dat het rapport van [de praktijk] onvolledig is, terwijl het rapport van Jarabee van 13 november 2023 zorgvuldiger is en op grond van het rapport van Jarabee meer (diagnostisch) onderzoek gedaan kan worden. In 2021 had al ingespeeld kunnen worden op de problematiek van [minderjarige1] . Het verhaal van de pleegouders is onvoldoende meegewogen in het onderzoek door [de praktijk] en de raad en zij worden onvoldoende geïnformeerd door de instanties. De omgangsmomenten verlopen consequent goed. De belmomenten hebben helaas al twee maanden geen doorgang omdat verzoekers begeleiding daarbij door Curess te ver vinden gaan.
het nadere standpunt verzoekers op de zitting
2.7
Het is volgens verzoekers niet in het belang van [minderjarige1] om de omgang te verminderen, de omgang moet juist worden uitgebreid.
Op de zitting wijst de advocaat van verzoekers er opnieuw op dat wat de pleegouders in het onderzoek hebben aangegeven zeer beperkt is terug te vinden in het rapport van [de praktijk] . Het rapport is pas in juni 2025 met hen besproken en pas na afloop van het gesprek werd het rapport aan hen verstrekt.
Bij de raad hebben verzoekers toegelicht dat hun visie onvoldoende in het rapport van [de praktijk] is verwerkt, maar de raad is hier verder niet op ingegaan.
De hechtingsproblematiek bij [minderjarige1] is al ontstaan in de periode voordat zij bij verzoekers ging verblijven en de afgelopen jaren is de hulpverlening op dit punt maar niet van de grond gekomen.
De GI probeert al vanaf het moment dat [minderjarige1] niet meer bij hen is geplaatst om de omgang met hen te verminderen. [minderjarige1] heeft in de onderzoeken laten weten dat zij verzoekers mist en het is vreemd dat dit niet wordt opgepakt. De GI en de raad pikken alleen de signalen op die in hun beeld passen, er is sprake van een tunnelvisie. De GI stelt dat het minder goed ging op school met [minderjarige1] , maar de GI heeft dit niet onderbouwd. Volgens verzoekers blijkt dit in ieder geval niet uit de rapporten van [minderjarige1] .
Het is jammer dat [minderjarige1] niet door het hof zelf is gehoord. De GI stelt dat [minderjarige1] dingen vertelt over de woonsituatie vroeger bij hen thuis die helemaal niet kloppen. Verder werken de gezinshuisouders onvoldoende mee. Het is ook jammer dat de gezinshuisouders de mondelinge behandelingen niet meer willen bijwonen.
hoe ervaart [minderjarige1] de omgangsregeling
2.8
De voogd heeft toegelicht dat zij meerdere gesprekken met [minderjarige1] heeft gevoerd en dat [minderjarige1] bij haar standpunt blijft zoals verwoord in haar brief die zij samen met haar heeft opgesteld.
In de brief is beschreven dat [minderjarige1] geen belcontacten meer heeft met verzoekers en dat zij daardoor minder last van onrust in haar hoofd en minder buikpijn heeft. [minderjarige1] vindt dat de omgangsmomenten wel goed gaan, maar zij ervaart spanningen een paar dagen ervoor en erna en zij heeft gedurende die periode last van buikpijn en onrust in haar hoofd. [minderjarige1] kan zich herinneren dat er vroeger bij verzoekers ruzies waren. Daar denkt ze niet steeds aan, maar ze denkt wel goed na over wat ze tijdens de omgang tegen verzoekers zegt. Zij wil graag dat er een langere periode tussen de omgangsmomenten zit. Daardoor krijgt ze nog meer rust in haar hoofd en dan zal ze minder ruzie maken en zal het beter gaan op school
het nadere standpunt van de GI op de zitting
2.9
De GI stelt dat het erg lastig is dat verzoekers in geen enkele instantie vertrouwen hebben. Dat maakt het moeilijk om met elkaar te overleggen en samen te werken. [minderjarige1] houdt veel van de pleegouders, maar er heeft nooit een herstelgesprek met hen kunnen plaatsvinden over de gang van zaken in het verleden. Het gaat er niet om of de beweringen van [minderjarige1] waar zijn, herinneringen kunnen namelijk een eigen leven gaan leiden. [minderjarige1] moet zich vooral gehoord voelen.
De GI heeft gezien dat [minderjarige1] ook bezig is met haar identiteit. Ze heeft bijvoorbeeld gezegd dat ze haar moeder graag een keer wil ontmoeten.
[minderjarige1] is inmiddels begonnen met de speltherapie (vier sessies heeft ze gehad) en voor het slagen van de therapie is rust en ruimte nodig.
Sinds er geen belmomenten meer zijn gaat het wel beter met [minderjarige1] , ze gaat naar clubjes en maakt minder vaak dingen kapot. De uitvoering van de huidige omgangsregeling met de pleegouders verloopt goed. De GI verwacht dat [minderjarige1] nog meer rust zal ervaren als de omgang minder vaak wordt uitgevoerd. De GI heeft daarom liever een omgangsregeling van eenmaal per zes weken en dan bijvoorbeeld wat langer.
het nadere advies van de raad op de zitting
2.1
De raad blijft bij het advies om de omgang terug te brengen naar eenmaal per zes weken. Benadrukt wordt dat het niet gaat om de oorzaak van de hechtingsproblematiek. Het is vooral belangrijk dat deze problematiek speelt en moet worden aangepakt. De eerste stap in de vorm van speltherapie is nu gezet. [minderjarige1] heeft een herstelperiode nodig na een omgangsmoment. Het is duidelijk dat zij klem zit tussen verzoekers, de gezinshuisouders en de GI. Het is niet relevant of de beweringen van [minderjarige1] over de situatie vroeger bij verzoekers thuis op waarheid berusten, maar het is begrijpelijk dat het moeilijk is voor verzoekers om de uitlatingen van [minderjarige1] te moeten horen. Ook indien het feitelijk niet klopt, is het wenselijk dat verzoekers naar [minderjarige1] luisteren en begrip tonen en dat er een herstelgesprek kan plaatsvinden. Duidelijk is voor iedereen dat verzoekers heel veel van [minderjarige1] houden, veel voor haar hebben gedaan en veel voor haar over hebben. Maar dit maakt het advies over de omgangsregeling in het belang van [minderjarige1] niet anders.
het oordeel van het hof
2.11
Het hof is van oordeel dat de omgangsregeling tussen verzoekers en [minderjarige1] moet worden gewijzigd van eenmaal per vier weken begeleide omgang gedurende anderhalf uur naar eenmaal per zes weken begeleide omgang gedurende vier uur. Het is aan de GI om de regie te voeren over de planning en de invulling en de duur van de begeleiding. Hoewel het contact dan minder vaak zal plaats vinden, neemt de omgang in zijn totaliteit in duur toe en is het feitelijk een uitbreiding van de omgang zoals verzoekers wensen.
Het hof is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met het feit dat [minderjarige1] last heeft van hechtingsproblematiek en trauma’s. Voor het hof is voldoende komen vast te staan dat deze problematiek meer naar de oppervlakte komt bij [minderjarige1] in de periode rondom de uitvoering van de omgang en dat komt het hof ook logisch en begrijpelijk voor. Dat betekent dat [minderjarige1] voldoende hersteltijd moet krijgen na een omgangsmoment. Het contact met de pleegouders brengt mooie maar ook minder mooie herinneringen bij [minderjarige1] naar boven.
Ook is duidelijk dat de forse verschillen van inzicht tussen de pleegouders, de GI en de gezinshuisouders loyaliteitsproblematiek bij [minderjarige1] veroorzaken. De rust die [minderjarige1] op dit moment nodig heeft om aan haar problematiek te kunnen werken gaat voor. Zij moet voldoende kunnen toekomen aan haar eigen ontwikkeling en dat was tot nu toe nog niet het geval. Dat kan voldoende worden afgeleid uit de rapportages die verschillende instanties hebben opgesteld.
Tot slot neemt het hof in aanmerking dat alle belanghebbenden en instanties zien dat de invulling van de omgang de afgelopen jaren steeds prettig is verlopen en dat de raad en de GI beiden hebben aangegeven dat zij mogelijkheden zien voor een langer omgangsmoment indien de frequentie wordt teruggebracht naar zes weken. De pleegouders houden veel van [minderjarige1] en [minderjarige1] vindt het leuk om haar pleegouders en ook andere familieleden te zien. Een omgangsmoment van vier uur zal meer mogelijkheden bieden voor een zinvolle invulling.
2.12
Omdat voor het hof zwaar weegt dat [minderjarige1] rust moet kunnen gaan ervaren om te kunnen herstellen en voldoende aan haar eigen ontwikkeling toe te komen, zal het hof geen tussenliggende belmomenten tussen [minderjarige1] en verzoekers vaststellen. In de afgelopen periode is gebleken dat dit voor [minderjarige1] al rust heeft gebracht.
2.13
Het hof wil verzoekers meegeven dat zij een sleutelpositie hebben in de problematiek waarmee [minderjarige1] kampt. De GI en de raad hebben op de zitting goed uitgelegd waarom het zo belangrijk is voor [minderjarige1] dat verzoekers de gebeurtenissen en gevoelens die [minderjarige1] beschrijft niet in twijfel trekken en ter discussie stellen, maar haar daarvoor de ruimte kunnen geven en haar hierin geruststellen. Hierdoor zal [minderjarige1] zich vrijer voelen en leren om haar gevoelens naar verzoekers toe beter te uiten.
Ook heeft [minderjarige1] het met het oog op haar loyaliteitsproblemen nodig dat verzoekers zich neerleggen bij het feit dat [minderjarige1] nu bij de gezinshuisouders woont. Het hof hoopt dat de nieuwe omgangsregeling niet alleen meer rust geeft voor [minderjarige1] , maar dat er vanuit een mooie invulling van de langere begeleide omgangsmomenten ook meer ruimte komt bij verzoekers, de voogd en de gezinshuisouders om elkaar wat meer te gaan vertrouwen.
2.14
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, en de omgangsregeling vaststellen als volgt.

3.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 20 september 2023, en opnieuw beschikkende:
bepaalt als omgangsregeling dat verzoekers en [minderjarige1] eenmaal per zes weken vier uur begeleide omgang met elkaar hebben, waarbij de GI de regie voert over de planning en de invulling en de duur van de begeleiding;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, H. Phaff en S. Kuijpers, bijgestaan door de griffier, en is op 2 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.