ECLI:NL:GHARL:2025:7658

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
21-002841-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de politierechter inzake mishandeling met verwerping van het beroep op noodweer

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 28 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, dat op 6 juni 2024 was gewezen. De verdachte, geboren in 1972, had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis waarin hij was veroordeeld voor mishandeling. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 16 maart 2022, waarbij de verdachte zijn buurman, [slachtoffer], heeft geduwd, wat leidde tot letsel bij de buurman. De verdachte voerde aan dat hij handelde uit zelfverdediging, maar het hof verwierp dit beroep op noodweer. Het hof oordeelde dat de omstandigheden niet rechtvaardigden dat de verdachte zich bedreigd voelde en dat zijn reactie niet proportioneel was. Het hof heeft de eerdere strafbeschikking vernietigd en de verdachte opnieuw veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 400,-, met een proeftijd van twee jaar. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft rekening gehouden met de aard van het delict, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de financiële situatie van de verdachte. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002841-24
Uitspraakdatum: 28 november 2025
VERSTEK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2024 met parketnummer 18-264411-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de terechtzitting van het hof van 14 november 2025 bij het hof is besproken en daarbij meegenomen wat verdachte eerder in zijn verzetschrift had opgeschreven.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd:
  • vernietiging van het vonnis;
  • bewezenverklaring van het tenlastegelegde;
  • veroordeling tot een geldboete van € 400,-, waarvan € 200,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 6 juni 2024:
  • de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd;
  • het tenlastegelegde bewezenverklaard;
  • verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 maart 2022 te [plaats] , [gemeente] [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te duwen ten gevolge waarvan hij ten val is gekomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. Verdachte heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat hij naar [slachtoffer] is gelopen om hem te vertellen dat hij zijn auto niet in zijn voortuin mag parkeren, dat [slachtoffer] dreigend op hem afkwam, dat een discussie ontstond en dat [slachtoffer] zo dicht voor verdachte kwam staan dat hij zich bedreigd voelde. Hierop heeft verdachte [slachtoffer] geduwd om de afstand te bewaren, waarna [slachtoffer] is gevallen.
Het hof leidt uit het dossier de volgende feiten en omstandigheden af.
Verdachte is op 16 maart 2022 naar de woning gelopen van zijn buurman, [slachtoffer] . Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij al langere tijd ruzie had met de buurman en dat hij die avond verhaal ging halen. Hij heeft bij de woning van [slachtoffer] aangebeld. Verdachte was, zo heeft hij bij de politie verklaard, er niet van gediend dat [slachtoffer] met zijn vinger naar hem wees en heeft hem daarop een duw gegeven, waardoor [slachtoffer] is gevallen. Kennelijk was die duw zo hard dat [slachtoffer] door die val letsel opliep.
Juridisch geformuleerd:
Vooropgesteld moet worden dat als een beroep is gedaan op noodweer of noodweerexces, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Dat houdt in dat pas sprake is van een terecht beroep op zelfverdediging als het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging - waarmee de proportionaliteits- en subsidiariteitseis tot uitdrukking wordt gebracht - van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.
Duidelijk is dat verdachte zelf boos naar [slachtoffer] is toegegaan en dat [slachtoffer] verdachte in dezelfde gemoedstoestand van repliek diende. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat noch ‘wijzen’ noch ‘neus aan neus staan’ gedrag is op grond waarvan verdachte een beroep kan doen op gerechtvaardigde zelfverdediging (‘noodweer’) door buurman [slachtoffer] een heel harde duw te geven.
Het hof verwerpt het beroep op zelfverdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 16 maart 2022 te [plaats] , [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] te duwen, ten gevolge waarvan hij ten val is gekomen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf en/of maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte en zijn financiële draagkracht.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn buurman. Verdachte en zijn buurman stonden niet op goede voet met elkaar. Verdachte wilde verhaal bij zijn buurman halen en heeft, toen de buurman met een vinger naar verdachte wees, de buurman een duw gegeven, waardoor de buurman ten val is gekomen.
Wat er ook zij van het wijzen door de buurman, dat rechtvaardigt niet het gedrag dat verdachte daarna heeft vertoond. Dat verdachte nadien excuses heeft aangeboden is goed en verstandig geweest, het heeft de verhouding, zo geeft verdachte aan, verbeterd.
Verdachte is eerder ter zake van soortgelijke feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel veroordeeld, zo volgt uit het strafblad van verdachte 13 oktober 2025. Het betreft echter oude recidive, die niet zal worden meegewogen bij de strafoplegging.
Gelet op de financiële situatie van verdachte, zijn excuses en de ouderdom van het feit ziet het hof aanleiding om de door de politierechter opgelegde straf geheel voorwaardelijk opleggen. Deze straf wordt passend en geboden geacht. Het hof zal verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 400,- subsidiair 8 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Verdachte zou deze boete dus alleen maar hoeven betalen als hij in die proeftijd weer een strafbaar feit (welk feit dan ook) pleegt.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 23 december 2022 onder CJIB-nummer 2132 5420 0494 7500.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
8 (acht) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. T.H. Bosma en mr. M.C. Fuhler, in aanwezigheid van de griffier mr. I.N. Koers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 november 2025.