In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter, geboren in 2019. De vader had eerder bij de rechtbank een verzoek ingediend voor vervangende toestemming voor erkenning, gezamenlijk gezag en een omgangsregeling. De rechtbank had in eerdere beschikkingen een begeleide omgangsregeling vastgesteld, maar de vader was van mening dat deze regeling te beperkt was en dat er meer ruimte moest komen voor de omgang met zijn dochter. De moeder, die het gezag over de minderjarige heeft, vreesde dat de juridische procedures een negatieve invloed op haar welzijn hadden en pleitte voor rust en stabiliteit in de omgangsregeling. Het hof heeft de belangen van de minderjarige vooropgesteld en geconcludeerd dat de omgang met de vader genormaliseerd moest worden. Het hof heeft een nieuwe omgangsregeling vastgesteld, waarbij de begeleiding geleidelijk wordt afgebouwd en de vader meer verantwoordelijkheden krijgt in het ophalen en terugbrengen van de minderjarige. De beslissing is genomen met inachtneming van de adviezen van de raad voor de kinderbescherming, die ook aanwezig was tijdens de zitting. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en een definitieve regeling vastgesteld die de opbouw van de omgang tussen de vader en de minderjarige waarborgt.