ECLI:NL:GHARL:2025:7668

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
200.355.008/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake omgangsregeling tussen vader en minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige dochter, geboren in 2019. De vader had eerder bij de rechtbank een verzoek ingediend voor vervangende toestemming voor erkenning, gezamenlijk gezag en een omgangsregeling. De rechtbank had in eerdere beschikkingen een begeleide omgangsregeling vastgesteld, maar de vader was van mening dat deze regeling te beperkt was en dat er meer ruimte moest komen voor de omgang met zijn dochter. De moeder, die het gezag over de minderjarige heeft, vreesde dat de juridische procedures een negatieve invloed op haar welzijn hadden en pleitte voor rust en stabiliteit in de omgangsregeling. Het hof heeft de belangen van de minderjarige vooropgesteld en geconcludeerd dat de omgang met de vader genormaliseerd moest worden. Het hof heeft een nieuwe omgangsregeling vastgesteld, waarbij de begeleiding geleidelijk wordt afgebouwd en de vader meer verantwoordelijkheden krijgt in het ophalen en terugbrengen van de minderjarige. De beslissing is genomen met inachtneming van de adviezen van de raad voor de kinderbescherming, die ook aanwezig was tijdens de zitting. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en een definitieve regeling vastgesteld die de opbouw van de omgang tussen de vader en de minderjarige waarborgt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.008/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 169835)
beschikking van 2 december 2025
in de zaak van
[verzoeker](de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden,
en
[verweerster](de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. C. Kamp-Wiggers te Leek.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen-)beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 februari 2020, 24 maart 2021, 22 september 2021, 5 november 2021, 29 december 2022, 12 juli 2024 en 19 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 19 februari 2025 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 16 mei 2025;
- een journaalbericht namens de vader van 28 mei 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 4 juni 2025 met bijlage(n);
- het verweerschrift.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 november 2025 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad was een vertegenwoordiger aanwezig.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren [in] 2019. De vader en de moeder hebben geen affectieve relatie met elkaar gehad.
3.2
Op 7 november 2019 heeft de vader een verzoek ingediend bij de rechtbank tot vervangende toestemming voor de erkenning van [de minderjarige] , vaststelling van gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangsregeling.
3.3
Bij beschikking van 22 september 2021 heeft de rechtbank vervangende toestemming verleend aan de vader tot erkenning van [de minderjarige] . Deze beschikking is door dit hof op
22 september 2022 bekrachtigd.
3.4
[de minderjarige] woont samen met haar moeder bij de grootouders moederszijde in [woonplaats] .
3.5
De vader heeft uit een inmiddels verbroken relatie nog een dochter, [naam] (2023), die op basis van co-ouderschap bij hem verblijft. De vader woont inmiddels samen met zijn huidige partner in [woonplaats] .
3.6
Moeder heeft alleen het gezag over [de minderjarige] . De vader heeft zijn verzoek tot gezamenlijk gezag ingetrokken.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 12 juli 2024 gewijzigd en als definitieve omgangsregeling bepaald:
- in de periode van 19 februari 2025 tot 19 mei 2025 heeft de vader eenmaal per twee
weken gedurende twee uren begeleide omgang met [de minderjarige] bij hem thuis. De aanwezigheid van de pake van [de minderjarige] wordt in deze periode afgebouwd, zodanig dat de pake na deze periode niet meer aanwezig is bij de omgang;
  • in de periode van 19 mei 2025 tot 19 augustus 2025 heeft de vader eenmaal per twee weken gedurende drie uren omgang met [de minderjarige] bij hem thuis, waarbij de omgang wordt begeleid vanuit [naam1] ;
  • met ingang van 19 augustus 2025 heeft de vader eenmaal per twee weken gedurende vier uren omgang met [de minderjarige] bij hem thuis, zo nodig nog in aanwezigheid van de begeleider vanuit [naam1] , waarbij de begeleiding in overleg tussen de ouders en [naam1] steeds verder wordt afgebouwd.
4.2
De vader komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling toe te wijzen. Naar het hof begrijpt verzoekt de vader het hof om nu geen eindbeschikking te geven maar een tussenbeschikking, waarbij de tussentijdse uitbreiding van de omgang na enige tijd opnieuw ter zitting wordt besproken, net zolang en steeds opnieuw totdat de door de vader als definitief verzochte omgang plaats zal vinden.
4.3
De moeder voert verweer en verzoekt het hof het beroep van de man ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.2
De vader is van mening dat er nog geen definitieve regeling vastgesteld had moeten worden, omdat er nog gewerkt moet worden aan de verdere opbouw van de omgang tussen hem en [de minderjarige] . De regeling die nu is vastgesteld, is in zijn ogen te beperkt en kan geen eindstation zijn. Ook de raad zou aangegeven hebben dat de omgang uitgebreid kan en moet worden, aldus de vader. De ouders hebben daarin nog een lange weg te gaan en daarom zou het volgens de vader goed zijn als het hof de vinger aan de pols houdt om te beoordelen hoe de (opbouw van de) omgang zich verder ontwikkelt.
5.3
De moeder vindt het van belang dat er rust komt en dat de juridische procedures stoppen, omdat die een dusdanig negatieve invloed op haar welzijn hebben dat zij zich (opnieuw) tot een psycholoog heeft moeten wenden. Zij vreest dat zij -al dan niet bewust- negatieve signalen over de vader aan [de minderjarige] overbrengt. Volgens haar gaat de omgang nu goed en dient de focus niet te liggen op uitbreiding, maar op de kwaliteit van het contact. De moeder voelt te weinig erkenning van de zijde van de vader voor haar trauma als gevolg van de gebeurtenissen rond de verwekking van [de minderjarige] . Zij vindt dat de vader meer rekening zou moeten houden met de stappen die zij al heeft gezet om de omgang tussen [de minderjarige] en de vader mogelijk te maken.
5.4
Het hof overweegt dat de gebeurtenissen in de nacht waarin [de minderjarige] is verwekt hun uitwerking op het leven van de beide ouders niet hebben gemist. Omdat zij ieder een zeer verschillende beleving hebben van wat er is gebeurd, is het nog steeds moeilijk voor beide ouders om begrip te hebben voor de gevoelens van de ander hierover. Dit beïnvloedt de onderlinge relatie nog altijd in hoge mate. Het hof vindt het knap dat de ouders desondanks allebei het belang van [de minderjarige] voorop willen stellen. Zij vinden beiden dat de band tussen de vader en [de minderjarige] moet worden versterkt en zijn het erover eens dat hierbij de nodige voorzichtigheid moet worden betracht. De ouders verschillen alleen van mening over het tempo waarmee en de wijze waarop dat zou moeten gebeuren.
5.5
Het hof constateert dat sprake is van een uitvoerige procedurele voorgeschiedenis, waarbij de behandeling van de zaak bij de rechtbank meermaals is aangehouden om de omgang te monitoren. Het hof vindt dat de precaire situatie tussen de ouders en het belang van [de minderjarige] nu vragen om rust en duidelijkheid. Anders dan de vader heeft gevraagd, zal het hof daarom een eindbeschikking geven.
5.6
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt dat [de minderjarige] goed reageert op de omgangsmomenten. De vader heeft aangegeven dat hij niet alleen leuke dingen wil doen met [de minderjarige] , maar dat hij ook zijn vaderrol meer wil oppakken. Het hof acht dat ook in het belang van [de minderjarige] . De moeder vindt het belangrijk dat de vader en [de minderjarige] meer één-op-één contact hebben, in plaats van met het halfzusje [naam] erbij en/of de vriendin van de vader.
5.7
Gelet hierop zal het hof een ruimere regeling vaststellen dan de rechtbank heeft gedaan. Daarbij acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat de begeleiding wordt afgebouwd. Zoals het hof ter zitting met de moeder heeft besproken, kan van het feit dat er begeleiding bij de omgang aanwezig is onbedoeld het signaal uitgaan naar [de minderjarige] dat de omgang met de vader niet veilig is. Het is in het belang van [de minderjarige] dat de omgang met de vader wordt genormaliseerd, hoe moeilijk dit misschien ook is voor de moeder. Het hof zal bepalen dat de vader [de minderjarige] telkens ophaalt en terugbrengt naar de moeder. Indien het makkelijker is voor de moeder om zelf geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen voor de (praktische zaken rondom de) omgang, zoals het halen en brengen, kan worden afgesproken dat de begeleidende instantie of de pake van [de minderjarige] dit voor hun rekening (blijven) nemen. Zoals de raad ter zitting uiteen heeft gezet, zijn er vanuit [de minderjarige] geen belemmeringen voor (uitbreiding van) de omgang. Het zijn vooral de gebeurtenissen uit het verleden en de spanningen tussen de ouders die hen belemmeren om de volgende stap te zetten. Het hof spreekt de hoop uit dat de moeder spoedig opnieuw kan starten met de traumaverwerking waarvoor zij op de wachtlijst staat. De raad heeft de ouders daarnaast geadviseerd om hulpverlening van [naam2] in te schakelen. Het hof drukt de ouders op het hart dit advies op te volgen. Dat is niet alleen in het belang van [de minderjarige] maar ook in hun eigen belang.
5.8
Alles overwegend zal het hof een omgangsregeling vaststellen met daarin een opbouw van het contact tussen de vader en [de minderjarige] , waarbij de vader vanaf januari 2026 eerst [de minderjarige] uit school zal halen op de dag dat zij omgang hebben en waarbij vervolgens wordt toegewerkt naar een definitieve regeling op grond waarvan [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen in het weekend gedurende acht uren op zaterdag bij de vader verblijft. De aanwezigheid van [naam1] tijdens de omgang zal worden afgebouwd. Het hof merkt op dat het de ouders uiteraard vrij staat in onderling overleg een andere dag in het weekend af te spreken.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van
19 februari 2025, en opnieuw beschikkende:
wijzigt de in de beschikking van 12 juli 2024 bepaalde omgangsregeling en stelt de volgende definitieve omgangsregeling vast:
- in de periode tot 31 januari 2026 heeft de vader eenmaal per twee weken op een in onderling overleg te bepalen doordeweekse dag gedurende vier uren omgang met [de minderjarige] bij hem thuis, zo nodig in aanwezigheid van een begeleider van [naam1] , waarbij de begeleiding in overleg tussen de ouders en [naam1] wordt afgebouwd;
- in de periode van 1 februari 2026 tot 1 april 2026 heeft de vader eenmaal per twee weken op een in onderling overleg te bepalen doordeweekse dag gedurende vier uren omgang met [de minderjarige] bij hem thuis, zonder begeleiding vanuit [naam1] , waarbij de vader [de minderjarige] uit school haalt en haar na de omgang terugbrengt naar de moeder;
- in de periode van 1 april 2026 tot 1 juni l 2026 heeft de vader eenmaal per twee weken in het weekend op zaterdag gedurende zes uren omgang met [de minderjarige] bij hem thuis of elders, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt;
- met ingang van 1 juni 2026 heeft de vader eenmaal per twee weken in het weekend op zaterdag gedurende acht uren omgang met [de minderjarige] bij hem thuis of elders, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. M.J. van Mourik als griffier, en is op 2 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.