ECLI:NL:GHARL:2025:7782

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
23/1350
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en schadevergoeding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende B.V. tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). De rechtbank had de naheffingsaanslag van € 3.886 verminderd tot € 2.069 en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend. Belanghebbende stelde dat er meer schade aan de auto was dan door de inspecteur en de rechtbank was aangenomen, en dat 100% van de schade als waardevermindering in aanmerking moest worden genomen. De inspecteur had een schade van € 1.856 vastgesteld, waartegen belanghebbende in hoger beroep ging. Tijdens de zitting op 19 november 2025 werd de bewijslast besproken, waarbij het hof oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor een hogere schade dan het door de inspecteur vastgestelde bedrag. Het hof oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een lage puntwaarde voor de kostenvergoeding had gehanteerd, en dat belanghebbende recht had op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De uitspraak van het hof bevestigde de beslissing van de rechtbank voor het grootste deel, maar vernietigde de beslissing inzake de proceskostenvergoeding en kende een schadevergoeding van € 1.000 toe aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1350
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 4 april 2023, nummer AWB 21/5089 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 3.886.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.069. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen toegekend voor proceskosten (€ 2.266) en het griffierecht (€ 360).
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 27 augustus 2020 een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Mercedes (Benz GLC-klasse Coupé – 220d 4 MATIC; hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 48.000 (incl. btw). Op de factuur is vermeld dat sprake is van “Seitenschaden rechts und links”. De datum van eerste toelating van de auto is 13 januari 2020.
2.2.
De auto is op 31 augustus 2020 door de RDW goedgekeurd. Belanghebbende heeft op 15 september 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 4.820. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam4] van [bedrijf1] op 13 september 2020 opgesteld taxatierapport. De schouw van de auto door deze taxateur heeft op 9 september 2020 plaatsgevonden. De kilometerstand beliep toen 22.899. In het taxatierapport is onder meer – op basis van een schadecalculatie – uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 12.998 welk bedrag voor 100% als waardevermindering in aanmerking is genomen. Volgens het taxatierapport is er schade aan de elektrische installatie, de carrosserie en het interieur. In het rapport is voorts vermeld dat de reminrichting in een goede staat verkeert. Volgens het rapport betreft het een intensief gebruikte, voormalige huurauto. In het taxatierapport is uitgegaan van een bruto-BPM van € 16.424 (2019), een historische nieuwprijs van € 86.872 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 38.298. De laatste twee waarden zijn gebaseerd op een koerslijst van X-RAY.
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 23 september 2020 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 2 oktober 2020 een rapport opgesteld. DRZ heeft een schade vastgesteld van € 1.856 en 72% daarvan (€ 1.336) als waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft DRZ op basis van een koerslijst van [bedrijf2] bepaald op € 48.486, zodat de handelsinkoopwaarde volgens DRZ € 47.150 beloopt. In het rapport van DRZ is een historische nieuwprijs van € 87.962 vermeld.
2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 3.886 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur 100% van de door DRZ vastgestelde schade van € 1.856 als waardevermindering in aanmerking genomen. Verder is de Inspecteur uitgegaan van een bruto-BPM van € 16.424 (tarief 2019).
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 2 oktober 2020 plaatsgevonden.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag vergeefs bezwaar aangetekend. In beroep heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.069. De Rechtbank is daarbij uitgegaan van een bruto-BPM van € 16.424, een historische nieuwprijs van € 86.872 en een handelsinkoopwaarde van € 38.298 in onbeschadigde staat en van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 36.442. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende een vergoeding toegekend voor de in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten van in totaal € 2.266. Daarbij is de Rechtbank voor het bezwaar uitgegaan van een puntwaarde van € 296. De Rechtbank heeft ook een vergoeding voor het griffierecht toegekend.
2.7.
Belanghebbende heeft op 2 mei 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of grond bestaat voor het in aanmerking nemen van meer schade dan het bedrag van € 1.856 waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Voorts stelt belanghebbende dat 100% van de schade als waardevermindering in aanmerking moet worden genomen. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de Rechtbank ten onrechte een lage puntwaarde voor de bezwaarkostenvergoeding heeft gehanteerd. Tot slot heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Omvang schade
4.1.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.2.
Hetgeen belanghebbende in dit dossier aan bewijs heeft geleverd, waaronder het taxatierapport en het fotomateriaal, acht het Hof – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – niet toereikend voor de conclusie dat zij erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de auto meer schade heeft dan het bedrag van € 1.856 dat door de Inspecteur en de Rechtbank in aanmerking is genomen. Over het gestelde door belanghebbende is bij het Hof twijfel blijven bestaan en dat werkt, zoals gezegd, in haar nadeel. In dit verband wijst het Hof onder meer erop dat belanghebbende heeft gesteld dat de remschijven en -blokken aan de voorzijde van de auto zijn versleten, terwijl in het taxatierapport van belanghebbende is vermeld dat de reminrichting in een goede staat verkeert. Dit valt naar het oordeel van het Hof niet goed met elkaar te rijmen en doet afbreuk aan de overtuigingskracht van het door belanghebbende aangedragen bewijs.
Waardevermindering 100%
4.3.
De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag en de Rechtbank bij het verminderen van de naheffingsaanslag 100% van de bruto-schade van € 1.856 als waardevermindering in aanmerking genomen. De stelling van belanghebbende dat is uitgegaan van 72% mist derhalve feitelijke grondslag. Daarom heeft belanghebbende geen belang bij deze klacht.
Kostenvergoeding bezwaar
4.4.
Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, klaagt belanghebbende terecht erover dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase is uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde van € 296. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.
Vergoeding immateriële schade
4.5.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In aanmerking genomen dat belanghebbende op 2 mei 2023 hoger beroep heeft ingesteld en het Hof op 2 december 2025 uitspraak doet, is die aanspraak terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is met meer dan zes maanden maar met minder dan twaalf maanden overschreden. Redenen voor een termijnverlenging zijn hier niet aanwezig. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.6.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is wat betreft de kostenvergoeding voor het bezwaar. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.5 vermelde vergoeding van € 1.000 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu belanghebbende op een punt van ondergeschikt belang (alleen wat betreft de puntwaarde voor de kostenvergoeding in bezwaar) in het gelijk wordt gesteld, past het Hof op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een zodanige matiging toe dat de vergoeding wordt vastgesteld op € 400 voor het hoger beroep. De kostenvergoeding voor het bezwaar wordt – berekend naar het tarief van 2025 – nader vastgesteld op € 1.294 (2 punten x € 647). De beslissing van de Rechtbank inzake de proceskostenvergoeding voor het beroep laat het Hof in stand.
5.2
In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 3.368 (€ 1.294 + € 1.674 + € 400).
5.3.
Opmerking hierbij verdient nog dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.
5.4.
Het Hof ziet voorts aanleiding voor vergoeding aan belanghebbende van het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 548, te betalen door de Inspecteur. De Rechtbank heeft belanghebbende reeds een vergoeding voor het voor het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht toegekend. Het Hof laat die beslissing in stand.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend wat betreft de beslissing inzake de proceskostenvergoeding;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 1.000;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.368; en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door haar voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.