ECLI:NL:GHARL:2025:7784

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
23/2622
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en vergoeding immateriële schade

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 augustus 2023. De rechtbank had de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 1.237 opgelegd door de Inspecteur, ongegrond verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld, waarbij het geschil vooral draaide om de vraag of er meer schade in aanmerking moest worden genomen dan de Inspecteur had vastgesteld. Het Hof oordeelde dat de bewijslast bij belanghebbende lag en dat zij niet voldoende bewijs had geleverd voor een hogere schadevergoeding. Het Hof heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 39.439 en de naheffingsaanslag verlaagd tot € 1.169. Tevens heeft het Hof belanghebbende een vergoeding van immateriële schade van € 500 toegekend, omdat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden. Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van belanghebbende, die in totaal € 5.322 bedragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2622
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 10 augustus 2023, nummer AWB 21/2655 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 1.237.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar belanghebbende wel een vergoeding van immateriële schade toegekend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 12 september 2019 een uit Spanje afkomstige gebruikte personenauto van het merk Opel (Zafira – 1.4 Turbo Innovation; hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 13.900 (excl. btw). De verkoper was [naam4] De datum van eerste toelating van de auto is 13 maart 2018.
2.2.
De auto is op 31 oktober 2019 door de RDW goedgekeurd. Belanghebbende heeft op 1 november 2019 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 2.785. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam5] van [bedrijf1] op 22 oktober 2019 opgesteld taxatierapport. De schouw van de auto door deze taxateur heeft op 14 oktober 2019 plaatsgevonden. De kilometerstand beliep toen 23.053. In het taxatierapport is onder meer – op basis van een schadecalculatie – uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 7.698 welk bedrag voor 100% als waardevermindering in aanmerking is genomen. Volgens het taxatierapport is er schade aan de elektrische installatie, de carrosserie en het interieur. Het betreft volgens het taxatierapport een intensief gebruikte, voormalige huurauto. In het taxatierapport is voorts uitgegaan van een bruto-BPM van € 9.845 (2018) en een historische nieuwprijs van € 38.775.
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 7 november 2019 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 4 december 2019 een rapport opgesteld. DRZ heeft een schade vastgesteld van € 1.841 en 84% daarvan (€ 1.540) als waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft DRZ op basis van een koerslijst van XRAY (Marge) Rental bepaald op € 18.184, zodat de handelsinkoopwaarde volgens DRZ € 16.644 beloopt. In het rapport van DRZ is een historische nieuwprijs van € 38.775 vermeld.
2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 1.237 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is uitgegaan van een bruto-BPM van € 9.845 en is rekening gehouden met een extra leeftijdskorting.
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 31 januari 2020 plaatsgevonden.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag vergeefs bezwaar en beroep aangetekend. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, te vergoeden door de Staat. De Rechtbank heeft geen vergoedingen voor proceskosten en het griffierecht toegekend.
2.7.
Belanghebbende heeft op 30 augustus 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of grond bestaat voor het in aanmerking nemen van een groter bedrag aan waardevermindering wegens schade dan waarvan de Inspecteur is uitgegaan. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

4.Beoordeling van het geschil

Omvang schade
4.1.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.2.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar door de Rechtbank verworpen stelling dat, gelet op haar taxatierapport en de daarin opgenomen schadecalculatie, meer schade in aanmerking moet worden genomen dan het bedrag van € 1.841 dat door de Inspecteur is geaccepteerd. Daarbij heeft zij, evenals bij de Rechtbank, in het bijzonder gewezen op de schade aan de achterbumper.
4.3.
Evenals de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de auto meer schade heeft dan het bedrag dat door de Inspecteur in aanmerking is genomen. Over het gestelde door belanghebbende is twijfel blijven bestaan en dat werkt, zoals gezegd, in haar nadeel. Het Hof verenigt zich in dit verband voorts met hetgeen de Rechtbank in overweging 15 van haar uitspraak heeft overwogen en maakt dit tot de zijne.
Historische nieuwprijs; BPM van te registreren auto
4.4.
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de historische nieuwprijs van de auto moet worden vastgesteld op € 39.439. Het gelijk op dit punt is aan belanghebbende. De Inspecteur heeft ter zitting zijn beroep op interne compensatie uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. Partijen hebben voorts ter zitting eensluidend verklaard dat de naheffingsaanslag in verband hiermee moet worden verminderd tot € 1.169.
Vergoeding immateriële schade
4.5.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In aanmerking genomen dat belanghebbende op 30 augustus 2023 hoger beroep heeft ingesteld en het Hof op 2 december 2025 uitspraak doet, is die aanspraak terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is met minder dan zes maanden overschreden. Redenen voor een termijnverlenging zijn hier niet aanwezig. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 500, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.6.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is. Voorts dient aan belanghebbende de in 4.5 vermelde vergoeding van € 500 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te gelasten aan belanghebbende te vergoeden de door haar voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 908 (€ 360 + € 548).
5.2.
Het Hof ziet voorts grond de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt – naar de tarieven van 2025 – te berekenen:
Bezwaar: 2 punten x € 647 x 1 = € 1.294
Beroep: 2 punten x € 907 x 1 = € 1.814
Hoger beroep: 2 punten x € 907 x 1 = € 1.814
5.3.
Het Hof merkt hierbij op dat in geval een (hoger) beroep (in cassatie) gegrond wordt verklaard en uit dien hoofde een proceskostenvergoeding wordt toegekend, er geen aanvullend punt wordt toegekend voor het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Dat is slechts het geval indien een ingesteld rechtsmiddel ongegrond wordt verklaard, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.
5.4.
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.5) ziet het Hof aanleiding artikel 2, lid 3, Bpb toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. De verschillende zaken zelf zijn daarbij niet inhoudelijk behandeld. In aanmerking genomen deze bijzondere omstandigheden, zou het vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Bpb voor de comparitiefase waarin twee zittingen zijn gehouden en verschillende stukken zijn gewisseld naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127). Daarom kent het Hof voor de comparitiefase per (samenhangende) zaak een vergoeding van € 400 toe.
5.6.
In totaal beloopt de proceskostenvergoeding derhalve € 5.322 (€ 1.294 + € 1.814 + € 1.814 + € 400).

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;
  • verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.169;
  • veroordeelt de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
  • veroordeelt de Inspecteur in de kosten voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 1.294;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten voor beroep tot een bedrag van € 1.814;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten voor het hoger beroep tot een bedrag van € 2.214; en
  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden de door haar voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 908.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.