ECLI:NL:GHARL:2025:7824

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.351.519/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:87 BWArt. 25 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep geschil over terugbetaling voorschot tuinwerkzaamheden

In deze zaak gaat het om een geschil tussen [appellante] B.V. en [geïntimeerde] over de uitvoering van tuinwerkzaamheden en de terugbetaling van een voorschot van €6.050,-. Partijen sloten een overeenkomst voor het plaatsen van schuttingen en een later afgesproken tuinrenovatie tijdens een periode dat [geïntimeerde] in het buitenland verbleef. Hoewel het voorschot werd betaald, heeft [appellante] het werk niet afgerond en de uitvoering van de tuinrenovatie stopgezet.

[geïntimeerde] vorderde bij de kantonrechter terugbetaling van het voorschot plus wettelijke rente en kosten, wat werd toegewezen. [appellante] stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk werkzaamheden had verricht ter waarde van het voorschot, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. Het hof stelde vast dat er geen concrete afspraken waren over de tuinrenovatie en dat foto’s en bewijs ontbraken om de uitvoering aan te tonen.

Daarnaast wees het hof de vorderingen van [geïntimeerde] toe voor herstelkosten van een verkeerd geplaatste schutting en bevestigde het de toegewezen buitengerechtelijke kosten. Het hoger beroep van [appellante] werd verworpen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, met veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van [appellante] wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.351.519/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10856859)
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[appellante] B.V.,
die is gevestigd in [vestigingsplaats] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en die bij de kantonrechter optrad als gedaagde,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. V.L.M.J. Boitelle, die kantoor houdt te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde],
die woont in [woonplaats] ,
en die bij de kantonrechter optrad als eiseres,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. E.J. Loos, die kantoor houdt te Amsterdam.

1.De verdere procedure bij het hof

1.1
Na het tussenarrest van 25 augustus 2025 heeft op 17 november 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte verslag (proces-verbaal) bevindt zich bij de stukken.
1.2
Daarop is het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De feiten van de zaak

2.1
[geïntimeerde] heeft met [appellante] in de eerste helft van 2023 een overeenkomst gesloten die zag op het plaatsen van schuttingen. De schuttingen zijn vervolgens geplaatst.
2.2
Op zeker moment hebben partijen ook afgesproken dat [appellante] - tijdens een periode dat [geïntimeerde] voor haar werk een periode in [land] zou verblijven - een tuinrenovatie voor [geïntimeerde] zou gaan uitvoeren. [appellante] heeft [geïntimeerde] daarvoor een voorschotnota ten belope van € 6.050,-. (hierna: het voorschot) gestuurd. Deze nota is door [geïntimeerde] voldaan.
2.3
Op 21 april 2023 heeft [naam1] namens [appellante] [geïntimeerde] een whatsappbericht gestuurd met de volgende tekst:
“Ik heb besloten niet meer voor jou te willen werken. Ik zal daarom het werk aan
de tuin niet verder uitvoeren! Ik zal de afrekening maken, de factuur sturen en je
geld terug storten. Onze denkwijzen verschillen teveel.
Met vriendelijke
groeten,
[naam1]
[appellante] ”
2.4
Tussen partijen is in de periode hierna een discussie ontstaan over de financiële afwikkeling van hun contractsrelatie.

3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd om – kort gezegd – [appellante] te veroordelen tot terugbetaling van het voorschot, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten, een en ander met veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Bij conclusie van repliek heeft [geïntimeerde] haar eis vermeerderd met een bedrag ad € 1.472,50.
3.2
De kantonrechter heeft op 13 november 2024 de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

4.De vorderingen en de grieven van [appellante]

4.1
[appellante] vordert in hoger beroep blijkens haar appeldagvaarding vernietiging van het veroordelende vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] . Tevens vordert [appellante] daarin terugbetaling door [geïntimeerde] van hetgeen zij op grond van dat vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Aan het slot van de memorie van grieven heeft [appellante] het hof verzocht “te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding(,) (…) daarbij rekening houdend met de erkenning van de verschuldigdheid van het bedrag ad
€ 517,50”.
4.2
[appellante] heeft het vonnis bestreden met een drietal grieven, die tot de door [appellante] gewenste beslissing moeten leiden. Deze grieven worden hierna zo veel mogelijk in onderlinge samenhang en thematisch besproken.

5.Het oordeel van het hof

Voorschot van € 6.050,- onverschuldigd betaald?
5.1
De eerste grief van [appellante] strekt in de kern ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het in rov. 2.2 genoemde bedrag als onverschuldigd betaald aan [geïntimeerde] moet worden terugbetaald.
5.2
Bij een vordering uit onverschuldigde betaling rust de stelplicht en, bij voldoende gemotiveerde bewisting, de bewijslast ter zake van de onverschuldigdheid van hetgeen betaald is bij degene die de vordering heeft ingesteld, in dit geval [geïntimeerde] .
5.3
[appellante] heeft zich erop beroepen dat zij ter uitvoering van de in rov. 2.2 genoemde overeenkomst diverse tuinrenovatiewerkzaamheden voor [geïntimeerde] heeft verricht en dat de waarde van die werkzaamheden zelfs een hoger bedrag beloopt dan het door [geïntimeerde] betaalde bedrag. Daarom is van onverschuldigdheid geen sprake.
5.4
[geïntimeerde] heeft van haar kant aangegeven dat zij weliswaar een aantal bij haar levende wensen op het gebied van tuinrenovatie met [naam1] zijdens [appellante] heeft besproken, maar dat het – afgezien van het sturen en betalen van de voorschotnota - tussen hen nooit tot concrete afspraken over de aard en omvang van de tuinrenovatie is gekomen, laat staan tot uitvoering daarvan. De offerte waarnaar [appellante] in dit kader verwijst, is nooit door haar ontvangen of door haar geaccepteerd. De wensen die zij wel op het punt van tuinrenovatie aan [naam1] heeft geuit en met een tekening heeft toegelicht (naar het hof begrijpt: het leggen van tegels respectievelijk het aanleggen van een terras in de tuin en het maken van betonnen plantenbakken) zijn niet gerealiseerd en staan ook niet op de offerte of het uitvoeringsoverzicht vermeld. Zij verwijst ook naar de door haar in eerste aanleg overgelegde, door haar zoon begin 2024 gemaakte foto’s, waarop is te zien dat in de tuin niets noemenswaardigs is gebeurd.
5.5
Op vragen van het hof ter zitting over wat partijen over het renoveren van de tuin van [geïntimeerde] concreet met elkaar hebben afgesproken, wat daarvan is uitgevoerd en waaruit dit een en ander blijkt, heeft [naam1] erkend (en zichzelf aan het slot van de zitting ook kwalijk genomen) dat die afspraken niet goed tussen partijen zijn vastgelegd en dat zich dus ook niet laat vaststellen in hoeverre door [appellante] in de tuin van [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden of anderszins uitgevoerde activiteiten hun basis vinden in daadwerkelijk tussen partijen gemaakte contractuele afspraken op het punt van tuinrenovatie (en dat er dus voor moet worden betaald). Foto’s of andere stukken waaruit zich niet alleen laat afleiden wat is afgesproken, maar ook wat van die afspraken feitelijk terecht is gekomen, ontbreken in het dossier. De foto’s die er wel zijn en die door [geïntimeerde] in eerste aanleg zijn overgelegd, bieden evenmin steun aan de gedachte dat het tuinrenovatiewerk van de grond is gekomen. Ter zitting is nog door [appellante] aangevoerd (en door [geïntimeerde] weersproken) dat die foto’s van voor de beoogde tuinrenovatie dateren (en dus niet representatief zijn voor wat er in de tuin aan werk heeft plaatsgevonden). Aan deze nieuwe stelling gaat het hof voorbij, enerzijds omdat die welbeschouwd niet meer behelst dan een niet onderbouwde suggestie, anderzijds omdat deze - gelet op de zogeheten twee-conclusieregel – te laat in de procedure is betrokken.
5.6
Nu [appellante] aldus niet heeft duidelijk weten te maken ten aanzien van welke werkzaamheden of activiteiten tussen partijen is afgesproken dat deze in het kader van de tuinrenovatie zouden worden uitgevoerd en evenmin hoe deze afspraken zich verhouden tot wat er feitelijk al dan niet in de tuin door [appellante] is gedaan, acht het hof de stelling van [appellante] dat zij contractueel overeengekomen tuinrenovatiewerkzaamheden ter waarde van het door [geïntimeerde] aanbetaalde bedrag heeft verricht, onvoldoende feitelijk onderbouwd. Daarmee valt het doek voor haar betwisting van de onverschuldigdheid van de in rov. 2.2 genoemde betaling en moet in rechte van die onverschuldigdheid worden uitgegaan. De eerste grief faalt om die reden.
Bij eisvermeerdering gevorderde bedragen ten onrechte toegewezen?
5.7
Met haar tweede grief keert [appellante] zich tegen de toewijzing in eerste aanleg van het bij eisvermeerdering door [geïntimeerde] gevorderde bedrag van € 1.472,50, bestaande uit een bedrag aan schadevergoeding ad € 437,50 en het volgens [geïntimeerde] onverschuldigd, want ‘dubbel’ betaalde bedrag ad € 1.035,-. Wat het eerstgenoemde bedrag betreft faalt de grief. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en bij memorie van antwoord aangegeven dat [naam1] in haar aanwezigheid heeft toegezegd de verkeerd geplaatste schutting te zullen herplaatsen. Ook ter zitting heeft zij dit standpunt betrokken, waarop vervolgens niet door [appellante] is gerespondeerd, hetgeen wel op haar weg lag. Het hof is het verder met [geïntimeerde] eens dat zij uit het in rov. 2.3 genoemde appbericht van [naam1] redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat [appellante] over de hele linie niet langer wilde nakomen en dat dus haar verzuim van rechtswege is ingetreden (vgl. art. 6:83 sub c en Pro art. 25 Rv Pro). Gelet daarop was [geïntimeerde] gerechtigd (art. 6:87 BW Pro) om van [appellante] vergoeding te vorderen van de herstelkosten van het herplaatsen van de schutting door een derde. Nu die herstelkosten bij conclusie van repliek zijn gevorderd, gaat het hof ervan uit dat dit processtuk als de daarvoor benodigde omzettingsverklaring dient te worden begrepen. [1]
5.8
De grief faalt eveneens voor zover deze ziet op het aan [geïntimeerde] toegewezen bedrag van € 1.035,-. Ter zitting heeft het hof - nu het schriftelijke debat daarover door partijen niet heeft uitgeblonken in helderheid – [naam1] gevraagd naar de reden van het ogenschijnlijk meermaals factureren van dit bedrag aan [geïntimeerde] . Daarop heeft hij na overleg met zijn advocaat toegelicht dat dit bedrag niet (al dan niet ‘dubbel’) voor een schutting in rekening is gebracht, maar het verschil bedraagt tussen € 4.270,- (50% van het op offerte 2302041 genoemde totaalbedrag van € 8.540; zie productie 2 bij conclusie van antwoord) en het bedrag dat [appellante] daadwerkelijk van de buurman heeft betaald gekregen. Ter verduidelijking van deze handelwijze heeft [naam1] aangegeven dat hij er destijds vanuit is gegaan dat, als de buurman onverhoopt niet mee zou gaan met een 50/50 verdeling/betaling van genoemd factuurbedrag, [appellante] het ontbrekende bedrag bij [geïntimeerde] zou kunnen innen. [geïntimeerde] heeft van haar kant betwist dat dit de bedoeling was en heeft erop gewezen dat de factuur duidelijk vermeldt dat bij haar slechts de helft van het totaalbedrag in rekening zou worden gebracht. Het hof volgt [geïntimeerde] daarin, nu onder het kopje “betalingscondities” duidelijk staat dat elk van beide buren 50% van het factuurbedrag dient te betalen en op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting niet valt in te zien dat [geïntimeerde] dit destijds anders heeft moeten begrijpen dan dat zij slechts voor die 50% door [appellante] kon worden aangesproken. Aan de ter zitting door [naam1] nog gemaakte opmerking dat er correspondentie is die bevestigt dat het bij [geïntimeerde] aldus in rekening brengen van het bij de buurman ‘misgelopen’ bedrag haar instemming had, gaat het hof voorbij, omdat ook voor deze, eveneens nieuwe stelling geldt dat die - gelet op de zogeheten twee-conclusieregel – te laat in de procedure is betrokken.
Te veel buitengerechtelijke kosten toegewezen?
5.9
[appellante] derde en laatste grief ziet op de in eerste aanleg toegewezen buitengerechtelijke kosten. Ook deze grief faalt. Het in dit kader toegewezen bedrag beloopt € 677,50, hetgeen op basis van de ‘BIK-staffel’ correspondeert met een hoofdsom van
€ 6.050,-. Nu dat laatste bedrag blijkens het voorgaande terecht is toegewezen en [appellante] geen verdere argumenten heeft aangevoerd dan de hoogte van het haars inziens toe te wijzen bedrag aan hoofdsom, is er geen grond om aan te nemen dat door de kantonrechter een te hoog bedrag aan buitengerechtelijke kosten is toegewezen.
De slotsom: het hoger beroep slaagt niet
5.1
De conclusie van het voorgaande is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld (tariefgroep I, 2 punten).

6.De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoge beroep:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 362,- aan verschotten (griffierecht)
€ 1.716,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x appeltarief I);
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, M.W. Zandbergen en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 december 2025.

Voetnoten

1.Vgl. HR 5 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1028.