ECLI:NL:GHARL:2025:7828

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.354.929/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133 lid 4 RvArt. 353 RvArt. 1.3 LprArt. 1.12 LprArt. 1.14 Lpr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdig indienen memorie van grieven

In deze civiele zaak bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter. Tijdens de procedure in hoger beroep heeft appellant meerdere malen uitstel gevraagd voor het indienen van de memorie van grieven vanwege een wisseling van advocaat en de omvang van het dossier. Het hof heeft enkele uitstelverzoeken toegekend, maar een verzoek op 5 september 2025 werd afgewezen.

De memorie van grieven is uiteindelijk op 16 september 2025 om 10:34 uur via Veilig Mailen ingediend, terwijl het uiterste inlevertijdstip op die dag om 10:00 uur was verstreken. Bovendien was eerder die dag een memorie van grieven ingediend die niet op deze zaak betrekking had. Namens geïntimeerde is bezwaar gemaakt tegen de niet-tijdige indiening. Het hof heeft het verzoek van appellant om de laat ingediende memorie alsnog te accepteren afgewezen en akte van niet-dienen verleend.

Het hof oordeelt dat geen verschoonbare omstandigheden zijn aangevoerd die de termijnoverschrijding rechtvaardigen, noch dat sprake is van een fout van het hof. Gezien de wettelijke bepalingen en het Landelijk procesreglement is het recht van appellant om grieven te formuleren vervallen. Daarom wordt appellant niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en veroordeeld in de kosten van het geding, terwijl het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens niet tijdig indienen van de memorie van grieven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.354.929/01
zaaknummer rechtbank Overijssel 10588012
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde
hierna:
[appellant]
advocaat: mr. L.A.W. Hermans te Venlo
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
en bij de kantonrechter optrad als eiseres
hierna:
[geïntimeerde]
advocaat: mr. T.M. Spoler te Zwolle

1.Het verloop van de procedure bij de kantonrechter

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt onder meer uit de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 11 februari 2025 en
18 maart 2025.

2.Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit het namens [appellant] uitgebrachte exploot van betekening van de dagvaarding in hoger beroep van 10 mei 2025, met oproeping van [geïntimeerde] tegen de zitting van het hof van 27 mei 2025. De zaak is tegen de rolzitting van die datum aangebracht.
2.2
Aan [appellant] is een termijn gegeven voor het nemen van de memorie van grieven. Het hof heeft de zaak hiertoe op de rol van 22 juli 2025 geplaatst.
2.3
Op 21 juli 2025 is een uitstelverzoek ontvangen van [appellant] voor het nemen van de memorie van grieven, omdat de toenmalige advocaat van [appellant] , [naam1] , voornemens was zich op korte termijn aan de zaak te onttrekken. Het hof heeft daarop [appellant] een uitstel gegeven tot 19 augustus 2025.
2.4
Op 8 augustus 2025 heeft [naam1] zich onttrokken aan de zaak. Zij heeft [appellant] schriftelijk op de gevolgen daarvan gewezen.
2.5
Op de rol van 19 augustus 2025 heeft [naam2] zich gesteld voor [appellant] . Op diezelfde datum is een uitstelverzoek voor het nemen van de memorie van grieven ingediend. Het hof heeft hierop aan [appellant] nader uitstel verleend van vier weken tot 16 september 2025 (ambtshalve peremptoir).
2.6
Op 5 september 2025 is opnieuw een uitstelverzoek – gebaseerd op artikel 1.14 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) – ontvangen van [naam2] voor het nemen van de memorie van grieven. [naam2] heeft in dat verband zich beroepen op de omvang van het dossier en gesteld dat zij het dossier pas die dag ter beschikking had gekregen. Namens [geïntimeerde] heeft [naam3] daartegen bezwaar gemaakt. De rolraadsheer heeft het verzoek om uitstel afgewezen.
2.7
De memorie van grieven is op 16 september 2025 om 10:34 uur via Veilig Mailen binnengekomen op de griffie van het hof, nadat eerder die dag om 10:02 uur in deze zaak een memorie van grieven was ingediend die niet op deze zaak betrekking had. [naam3] heeft namens [geïntimeerde] diezelfde dag bezwaar gemaakt omdat de memorie van grieven niet tijdig is ingediend. [appellant] heeft vervolgens verzocht om de laat ingediende memorie van grieven alsnog “als genomen” te beschouwen. De rolraadsheer heeft dit verzoek afgewezen en aan [appellant] akte van niet-dienen verleend.
2.8
Op 17 september 2025 heeft [naam3] het hof laten weten dat [geïntimeerde] haar hiervoor genoemde bezwaar handhaaft.
2.9
De zaak is verwezen naar de rol van 30 september 2025. [geïntimeerde] mocht op die datum incidenteel hoger beroep instellen of arrest vragen. Op 22 september 2025 heeft [geïntimeerde] het hof laten weten arrest te vragen.

3.De kern van de zaak

3.1
In artikel 133 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Op grond van artikel 353 Rv Pro is die bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In artikel 1.12 Lpr (zestiende versie) is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden nageleefd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
3.2
In artikel 1.3 Lpr is bepaald dat processtukken op de roldatum (dinsdag) uiterlijk om 10:00 uur moeten zijn ingeleverd. Dat kan ook via Veilig Mailen, mits het processtuk direct per post aan de griffie van het hof wordt nagezonden of wordt afgegeven aan de Centrale balie, onder de uitdrukkelijke vermelding dat het reeds eerder via Veilig Mailen ingediende stukken betreft (artikel 2.1 onder a Lpr). Het hof constateert dat bij indiening van de memorie van grieven de hiervoor genoemde bepalingen niet in acht zijn genomen. Het processtuk is immers na het verstrijken van het uiterste inlevertijdstip via Veilig Mailen ingediend, wat ook geldt voor de eerder ingediende memorie die niet op deze zaak betrekking had. Een hernieuwd tijdig uitstelverzoek op de voet van artikel 1.14 Lpr is niet gedaan. Het hof stelt verder vast dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is of de ontijdige indiening van de memorie te wijten is aan een apparaatsfout van het hof. Gelet op een en ander ziet het hof geen reden om terug te komen op de beslissing van de rolraadsheer van
16 september 2025 aan [appellant] akte van niet-dienen te verlenen.
3.3
Omdat de uitsteltermijnen voor het nemen van de memorie van grieven ongebruikt zijn verstreken, is het recht voor [appellant] om een memorie van grieven te nemen vervallen op 16 september 2025. [appellant] heeft daardoor niet binnen de daarvoor geldende termijn grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. In aanmerking nemend dat dit vonnis niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep.
3.4
[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld worden in de kosten van het geding in hoger beroep. Deze worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 362 aan griffierecht en € 607 (0,5 punt x tarief II) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief. Het hof zal het meer of anders gevorderde afwijzen.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
4.2
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 362 aan griffierecht en € 607 aan salaris advocaat.
4.3
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. P.S. Bakker en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 december 2025.