Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn, waarbij de kinderen worden ingeschreven op het adres van de vrouw en worden bijgeschreven op de zorgverzekering van de vrouw;
- een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld (de zorgregeling);
- bepaald dat de man met ingang van de datum van de beschikking aan de vrouw € 422 per kind per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie);
- bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw € 2.865 per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (partneralimentatie);
- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met uitzondering van de echtscheiding;
- de kosten van de procedure gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
4.De omvang van het geschil
- te bepalen dat de kinderen geen hoofdverblijfplaats hebben, dan wel (subsidiair) hun hoofdverblijfplaats bij de man te bepalen;
- te bepalen dat de kinderen op het adres van de man worden ingeschreven;
- te bepalen dat de kinderen op de ziektekostenpolis van de man worden bijgeschreven;
- de door de man te betalen kinderalimentatie op € 184,35 per kind per maand te bepalen, met ingang van de in deze te wijzen beschikking;
- te bepalen dat de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen voor rekening van de man komen;
- de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw per 2023 op € 3.357 netto per maand te bepalen en per 2025 (na indexering) op € 3.797 netto per maand;
- de door de man te betalen partneralimentatie op € 1.521 bruto per maand te bepalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
- de vrouw te veroordelen om al hetgeen door de man vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot aan de datum van deze beschikking meer is betaald aan partneralimentatie terug te betalen;
- de beslissing over de alimentatie, voor zover die ziet op de draagkracht van de man, aan te houden tot onherroepelijk is beslist over de waardering van de eenmanszaak, of partijen daarover overeenstemming hebben bereikt;
- de beslissing van de rechtbank onder 8.22 te vernietigen en te bepalen dat de man een termijn krijgt van zes maanden, welke termijn eerst ingaat nadat alle beslissingen over de alimentatie, verdeling van de woning, de eenmanszaak en overige bestanddelen van de huwelijksgemeenschap en eventuele verrekenvorderingen onherroepelijk zijn geworden en gezag van gewijsde hebben gekregen;
- de beslissing van de rechtbank onder 8.9 te vernietigen en te bepalen dat de eenmanszaak van de man gewaardeerd dient te worden per 31 december 2023, dan wel 3 januari 2024, en tegen die waarde in de verdeling betrokken dient te worden.
- te bepalen dat de man aan de vrouw € 462 per kind per maand kinderalimentatie moet betalen met ingang van 22 januari 2025;
- te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de vrouw € 4.141 bruto aan partneralimentatie moet betalen;
- de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan toedeling (uitbetaling) van de kinderbijslag door de SVB (Sociale Verzekeringsbank) aan de vrouw onder verbeurte van een dwangsom van € 50 per dag dat de man hier niet aan meewerkt met een maximum van € 55.000;
- de man te veroordelen om aan de vrouw € 3.926,93 te betalen, nog te vermeerderen met de door de vrouw vanaf 1 oktober 2025 niet ontvangen kinderbijslag en kindgebonden budget en wettelijke rente.
- de verzoeken van de vrouw af te wijzen, dan wel – ten aanzien van het verzoek over de betalingen in verband met kinderbijslag en kindgebonden budget – de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijslag over de periode 22 januari 2025 tot en met oktober 2025 te bepalen op maximaal € 695,68 en het kindgebonden budget op maximaal € 807,62 dan wel € 1.441,22;
- de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in het incidenteel hoger beroep.