ECLI:NL:GHARL:2025:7841

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.357.687
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:253a lid 1 BWArt. 1:253a lid 4 BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing co-ouderschapsregeling en bijzondere curator in zorgregeling minderjarige

De moeder van een minderjarige, geboren in 2009, heeft in hoger beroep verzocht om een co-ouderschapsregeling en de benoeming van een bijzondere curator, nadat de rechtbank deze verzoeken had afgewezen. De ouders hebben samen het gezag en hadden een ouderschapsplan uit 2012, waarin omgangsregeling met de vader was vastgelegd. Sinds januari 2024 woont het kind bij de vader.

Het hof constateert dat de situatie is gewijzigd, maar acht uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van het kind, mede omdat het kind bijna 16 jaar is en de huidige regeling passend vindt. De moeder maakt zich zorgen over de situatie, maar het hof vindt een nieuw hulpverleningstraject niet zinvol gezien de verstoorde ouderrelatie en het advies van de raad.

De benoeming van een bijzondere curator wordt afgewezen omdat er geen sprake is van een belangenstrijd tussen ouders en kind die dit rechtvaardigt. Ook het verzoek om een raadsonderzoek wordt afgewezen omdat het dossier en de adviezen geen noodzaak daarvoor tonen. Het hof bekrachtigt daarmee de eerdere beschikking van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van de verzoeken tot co-ouderschapsregeling, benoeming bijzondere curator en raadsonderzoek.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.357.687
zaaknummer rechtbank Overijssel 328980
beschikking van 9 december 2025
over de zorgregeling
in de zaak van
[appellante](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M.A. Knobben
en
[geïntimeerde](de vader)
die woont in [woonplaats1]

1.Samenvatting

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft in de beschikking van 6 mei 2025 de verzoeken van de moeder tot het vaststellen van een co-ouderschapsregeling en het benoemen van een bijzondere curator, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders hebben een kind: [minderjarige] , geboren [in] 2009.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.2.
De ouders hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad. Zij hebben na de beëindiging van hun relatie afspraken over [minderjarige] gemaakt in een overeenkomst, tevens ouderschapsplan van december 2012. In de beschikking van 9 januari 2013 heeft de rechtbank bepaald dat de overeenkomst, tevens ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.
2.3.
In het ouderschapsplan zijn de ouders de volgende zorgregeling overeengekomen:
“Vader zal eens per twee weken van vrijdagmiddag tot en met zondagmiddag contact/omgang hebben met [minderjarige] alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen. De concrete omgangsregeling gedurende de vakanties en feestdagen zal in onderling overleg worden vastgesteld.”
2.4.
[minderjarige] woont sinds januari 2024 bij de vader. Sinds 20 november 2024 staat [minderjarige] ingeschreven op het adres van de vader.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De moeder heeft verzocht een co-ouderschapsregeling vast te stellen en een bijzondere curator te benoemen.
3.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder afgewezen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 6 mei 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moederis het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en alsnog haar verzoeken toewijst. Kort samengevat wil zij een co-ouderschapsregeling en benoeming van mevrouw [naam] als bijzondere curator voor [minderjarige] of, als het hof die verzoeken niet toewijst, een raadsonderzoek.
4.2.
De vaderheeft tijdens de zitting in hoger beroep een mondelinge toelichting gegeven. Hij wil dat de zorgregeling blijft zoals die op dit moment is.
4.3.
De raadheeft tijdens de zitting geadviseerd de huidige zorgregeling in stand te laten.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • een bericht van de moeder van 23 oktober 2025 met bijlagen
  • een bericht van de moeder van 24 oktober 2025 met bijlage
4.5.
[minderjarige] heeft een brief geschreven.
4.6.
De zitting bij het hof was op 7 november 2025. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat
  • de vader
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad)

5.Het oordeel van het hof

Zorgregeling
Wettelijke bepaling
5.1.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] en dat betekent onder andere dat zij samen beslissen over de zorgregeling. Een geschil daarover kan op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. [1] De rechter kan een door de ouders gemaakte afspraak over de zorgregeling wijzigen als de omstandigheden daarna zijn gewijzigd. [2] De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Oordeel hof
5.2.
De ouders zijn het erover eens dat de situatie sinds het opstellen van het ouderschapsplan is gewijzigd. Inmiddels woont [minderjarige] bij haar vader en heeft zij eens per twee weken contact met haar moeder. De wens van de moeder om meer contact met [minderjarige] te hebben, vindt het hof heel begrijpelijk. Het hof ziet echter geen mogelijkheden voor een uitbreiding van de zorgregeling. [minderjarige] is bijna 16 jaar oud en heeft duidelijk aangegeven dat haar mening niet is veranderd. [minderjarige] heeft tijdens het gesprek bij de rechtbank duidelijk verteld dat zij de huidige regeling prima vindt. Eerder is er een co-ouderschapsregeling geweest die haar niet beviel.
5.3.
Het is duidelijk dat partijen een andere visie hebben op hoe het met [minderjarige] gaat. De moeder maakt zich zorgen en vindt hulpverlening nodig, terwijl de vader deze zorgen niet (in die mate) herkend. De vader schetst een beeld dat passend is bij een kind van bijna 16 jaar. De situatie tussen de ouders is al langere tijd niet goed. Hiervoor is in het verleden hulpverlening ingezet, maar dat heeft niet tot een verbetering van de onderlinge verhoudingen geleid. Het hof acht een nieuw hulpverleningstraject daarom niet zinvol. Ondanks de verstoorde verhoudingen tussen de ouders, lijkt [minderjarige] zich goed staande te houden en doet zij het goed op school. De raad heeft geadviseerd de huidige zorgregeling in stand te laten en daarbij aangegeven dat het passend is dat [minderjarige] op deze leeftijd haar eigen grenzen gaat aangeven. De raad verwacht dat het toewijzen van het verzoek van de eerder een negatief effect zal hebben op de relatie tussen [minderjarige] en de moeder.
5.4.
Gelet op het voorgaande acht het hof een uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] . De eerste grief van de moeder faalt dan ook.
Bijzondere curator
5.5.
De moeder heeft het hof gevraagd om een bijzondere curator te benoemen. De rechter kan een bijzondere curator benoemen als de belangen van de ouders in strijd zijn met de belangen van [minderjarige] . [3]
5.6.
Het hof ziet geen aanleiding een bijzondere curator te benoemen. Een bijzondere curator is bedoeld voor de situatie dat sprake is van een belangenstrijd tussen de ouder(s) en het kind. De bijzondere curator vertegenwoordigt de belangen van het kind in een concreet geschil. Het is niet de bedoeling dat de bijzondere curator de taak krijgt algemene opvoedingsproblemen tussen ouders en het kind op te lossen. De bijzondere curator is niet een soort jeugdbeschermer. In deze situatie is het hof van oordeel dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium. De tweede grief van de moeder faalt daarom.
Raadsonderzoek
5.7.
Omdat het hof de verzoeken van de moeder over de zorgregeling en de benoeming van een bijzondere curator heeft afgewezen, moet het hof nog beslissen op het verzoek van de moeder om te bepalen dat er een raadsonderzoek moet komen.
5.8.
Het hof ziet geen aanleiding om te bepalen dat de raad een onderzoek moet doen. Op basis van het dossier, de verklaringen van de ouders en het advies van de raad, is het hof van oordeel dat er geen noodzaak bestaat voor een raadsonderzoek.
Conclusie
5.9.
De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder afgewezen. De beslissing van de rechtbank zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 6 mei 2025;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, J.U.M. van der Werff en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:253a lid 1 BW.
2.artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e BW.
3.artikel 1:250 BW Pro.