In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over het gezag van de ouders over hun kinderen. De vader, verzoeker in hoger beroep, was het niet eens met de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 8 februari 2024, waarin het gezamenlijk gezag van de ouders was beëindigd en de moeder alleen met het gezag was belast. De vader heeft hoger beroep ingesteld en het hof heeft de behandeling van het verzoek in hoger beroep aangehouden in afwachting van de uitkomst van ouderschapsbemiddeling. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 oktober 2025 werd duidelijk dat de ouderschapsbemiddeling was opgestart, maar nog niet had geleid tot concrete afspraken. De vader en moeder hebben beiden hun standpunten toegelicht, waarbij de moeder aangaf dat de vader zich niet aan afspraken houdt en onvoldoende betrokken is bij het leven van de kinderen. De raad voor de kinderbescherming heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het moeilijk is om een advies te geven over het gezag, gezien de moeizame communicatie tussen de ouders. Het hof heeft overwogen dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun kinderen en dat de bezwaren van de moeder tegen gezamenlijk gezag onvoldoende concreet zijn. Het hof heeft daarom de beschikking van de rechtbank vernietigd en de vader weer met het ouderlijk gezag belast, waarbij het hof benadrukt dat beide ouders samen verantwoordelijk zijn voor het gezag over de kinderen.