ECLI:NL:GHARL:2025:7855

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
Wahv 200.355.109
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.1 Regeling voertuigenArt. 5.2.51 Regeling voertuigenArt. 5.2.55 Regeling voertuigenWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor rijden met niet goed werkende remlichten

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd voor het rijden met een voertuig waarvan twee van de drie remlichten niet functioneerden. De betrokkene voerde aan dat het bovenste remlicht wel werkte en dat hij zich niet bewust kon zijn van het defect. Ook werd aangevoerd dat normaal gesproken een waarschuwing wordt gegeven, wat hier niet is gebeurd.

Het hof oordeelt dat de bestuurder verantwoordelijk is voor de juiste werking van de remlichten en dat het niet vereist is dat de bestuurder zich bewust is van het defect. De ambtenaar heeft geconstateerd dat twee remlichten niet werkten tijdens het rijden, wat de overtreding bevestigt.

De betrokkene stelde dat de ambtenaar een waarschuwing had moeten geven, maar het hof benadrukt dat het opleggen van een sanctie een discretionaire bevoegdheid is die terughoudend wordt getoetst. Er is geen reden om te twijfelen aan de redelijkheid van de sanctiebeslissing.

Daarom bevestigt het hof de beslissing van de kantonrechter om de sanctie te matigen tot €112,50 en wijst het het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene wordt niet in het gelijk gesteld.

Uitkomst: De sanctie voor rijden met defecte remlichten wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.355.109/01
CJIB-nummer
: 251594452
Uitspraak d.d.
: 9 december 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2025, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor:
“als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl voertuig niet voorzien is van goed werkende remlichten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 augustus 2022 om 20:50 uur op de St. Annastraat in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Het bovenste remlicht functioneerde wel, waardoor de betrokkene geen enkel benul kon hebben dat een remlicht het niet deed. De betrokkene merkt op dat hier normaal gesproken een “toonbrief” voor wordt gegeven, maar dat hij hier geen kans voor kreeg. De gemachtigde voert verder aan dat uit het dossier niet naar voren komt of de ambtenaar heeft geconstateerd dat gereden werd met defecte remlichten.
3. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een aanvullend proces-verbaal overgelegd, waarin de ambtenaar verklaart dat hij zag dat het voertuig ten tijde van de geconstateerde verkeersovertreding reed en dat (zo volgt uit het zaakoverzicht: twee van de drie) remlichten het niet deden. Dat de gedraging is verricht, staat dan ook vast. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
4. Uit het samenstel van artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de ten tijde van de gedraging geldende Regeling voertuigen, in verbinding met de artikelen 5.2.51, eerste lid, onder f, en 5.2.55, eerste lid, van die regeling vloeit voort dat de bestuurder van een voertuig verantwoordelijk is voor de juiste werking van de remlichten. Een en ander brengt mee dat het niet voldoen aan de hiervoor genoemde bepalingen van de Regeling voertuigen op zichzelf reeds het opleggen van een sanctie rechtvaardigt. Niet is vereist dat de bestuurder zich bewust is van de ondeugdelijke werking van de verlichting.
5. Voor de opvatting dat de ambtenaar hier, zo begrijpt het hof althans het standpunt van de (gemachtigde van de) betrokkene, had moeten volstaan met een waarschuwing is geen plaats. De bevoegdheid van een ambtenaar om, indien een gedraging is verricht, al dan niet een sanctie op te leggen, is discretionair van aard, zodat het hof deze slechts terughoudend kan toetsen. In dit geval is er geen aanleiding voor het oordeel dat de ambtenaar, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de sanctie op te leggen.
6. De aangevoerde gronden treffen gelet op het voorgaande geen doel. Het hof zal derhalve de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.