ECLI:NL:GHARL:2025:7923

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
200.354.869
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling in hoger beroep tussen ouders van minderjarige

In deze zaak gaat het om een wijziging van de zorgregeling voor de minderjarige, geboren in 2021, tussen de ouders, de vader en de moeder. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2025, waarin een voorlopige zorgregeling was vastgesteld. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige en de rechtbank had bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder zou zijn, met een zorgregeling waarbij de minderjarige om de week bij de vader verblijft. De vader verzoekt het hof om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem vast te stellen en een week-op-week-af regeling in te voeren. De moeder verzet zich hiertegen en vraagt om de zorgregeling te handhaven zoals deze door de rechtbank is vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling op 30 oktober 2025 zijn beide ouders aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. Het hof overweegt dat de ouders niet voor elkaar onderdoen in hun liefde voor de minderjarige, maar dat er een gezamenlijke basis moet worden gevonden voor de opvoeding. Het hof wijst het verzoek van de vader tot een week-op-week-af regeling af, maar past de zorgregeling aan zodat de minderjarige in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vader verblijft en in de oneven weken van vrijdag uit school tot dinsdag naar school bij de vader verblijft. De verzoeken van de vader om de hoofdverblijfplaats bij hem vast te stellen en om de vakantie- en feestdagenregeling te wijzigen worden afgewezen. De beschikking van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd en de zorgregeling wordt aangepast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.354.869
(zaaknummer rechtbank Gelderland 431192 en 443784)
beschikking van 11 december 2025
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.A. Spekschoor
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P. Adema

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 12 februari 2025, uitgesproken onder de zaaknummers 431192 en 443784 . Het hof zal deze beschikking verder ook noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 mei 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 19 oktober 2025 met productie;
- een journaalbericht namens de vader van 21 oktober 2025 met productie
.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 oktober 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2021.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 28 maart 2024 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald voor de duur van de procedure bij de rechtbank, die inhoudt dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
  • om de week van zaterdagochtend 9.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur, en
  • iedere dinsdag van 9.00 uur tot 16.00 uur.
De rechtbank heeft iedere verdere beslissing op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling (en de hoofdverblijfplaats) aangehouden in afwachting van een door de ouders te volgen hulpverleningstraject [naam1] .
3.3
Bij beschikking van 15 juli 2024 heeft de rechtbank de voorlopige zorgregeling uit de beschikking van 28 maart 2024 gewijzigd in die zin dat [de minderjarige] voor de duur van de procedure bij de rechtbank bij de vader verblijft:
  • om de week van zaterdagochtend 9.00 uur tot zondagmiddag 16.00 uur;
  • iedere week van dinsdagochtend 9.00 uur tot woensdagmiddag 16.00 uur,
en van 19 juli 2024 om 9.00 uur tot en met 23 juli 2024 om 16.00 uur.
3.4
Door de vader is tegen de beschikking van 28 maart 2024 hoger beroep ingesteld. Dit hof heeft bij beschikking van 19 december 2024 het verzoek van de vader afgewezen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [de minderjarige] in geschil.
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepaald en als zorgregeling vastgelegd dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
tot [de minderjarige] vier jaar is (en tot hij naar school gaat)
  • in de even weken van maandag 9.00 uur tot dinsdag 17.00 uur (1 nacht) en,
  • in de oneven weken van zaterdag 9.00 uur tot dinsdag 17.00 uur (3 nachten),
  • de voorjaarsvakantie bij helfte zoveel mogelijk aansluitend op de gewone regeling, de meivakantie ieder een week en in de zomervakantie (2025) week op week af;
vanaf dat [de minderjarige] vier jaar is (en hij naar school gaat en in ieder geval tot [de minderjarige] 8 jaar is)
  • in de even weken van maandag uit school tot dinsdag naar school (1 nacht) en,
  • in oneven weken van vrijdag uit school tot dinsdag naar school (4 nachten), en de vakanties:
- de vakanties van 1 week (herfstvakantie en voorjaarsvakantie) 50-50 verdelen, zoveel mogelijk aansluitend op de gewone regeling;
- de vakanties van 2 weken iedere ouder een week.
Kerstvakantie: vader 1e week oneven jaren, 2e week even jaren en andersom, waarbij voor de kerstvakantie heeft te gelden dat de ouder die de tweede week [de minderjarige] heeft, in de 1e week op 2e kerstdag omgang heeft met [de minderjarige] van 10.00 uur tot 19.00 uur;
Meivakantie: moeder 1e week oneven jaren, 2e week even jaren en andersom;
- Vaderdag en verjaardag van de vader bij de vader van 10.00 uur tot 19.00 uur;
- Moederdag en verjaardag van de moeder bij de moeder van 10.00 uur tot 19.00 uur;
- de zomervakantie maximaal 2 weken aaneengesloten bij de vader en 2 weken aaneengesloten bij de moeder en de resterende 2 weken een week bij de vader en een week bij de moeder, in het weekschema 1,2,2,1. In de even jaren heeft de vader eerste keus en in de oneven jaren de moeder.
4.2
De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te wijzigen en te bepalen dat:
  • [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
  • als zorgregeling zal gelden, vanaf het moment dat [de minderjarige] vier jaar is, een week-op-week-af regeling waarbij [de minderjarige] in de oneven weken van maandag na school tot de maandag erop naar school bij de vader verblijft en in de andere week bij de moeder;
  • of nadat [de minderjarige] vier jaar is geworden vanaf donderdag na school tot en met dinsdagochtend naar school in de oneven week en van maandag na school tot woensdagochtend naar school in de even week;
  • de vakanties en feestdagen aansluitend aan de reguliere zorg- en contactregeling plaatsvinden;
  • de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 van de bestreden beschikking te bevestigen;
  • dan wel een regeling vast te stellen die het hof in goede justitie juist acht.
4.3
De moeder is op haar beurt met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor wat betreft de vastgestelde zorgregeling, te vernietigen en te bepalen dat:
  • [de minderjarige] , buiten de vakanties om, eens per twee weken (dus om de week) bij de vader verblijft van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 16.00 uur, en
  • de verzoeken van de vader af te wijzen.
4.4
De vader voert verweer en hij vraagt het hof de verzoeken van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat er in de wet?
5.1
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid BW, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid BW, wordt verschaft.
Standpunten
5.2
De vader is het niet eens met de zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld voor de periode vanaf de vierde verjaardag van [de minderjarige] tot in ieder geval het moment dat [de minderjarige] acht jaar is. De vader vindt het niet in het belang van [de minderjarige] deze regeling vast te leggen tot het moment dat [de minderjarige] acht jaar is. De vader wil het liefst een co-ouderschap waarbij [de minderjarige] de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader is, maar hij wil in ieder geval een uitbreiding van de zorgregeling. De vader ziet [de minderjarige] minder omdat [de minderjarige] nu naar school gaat. Deze beperking van de zorgregeling sluit volgens de vader niet aan bij een gelijkwaardig ouderschap. Volgens de vader is [de minderjarige] graag bij hem en is het in het belang van [de minderjarige] om de regeling uit te breiden. Een week-op-week-af-regeling zorgt voor minder wisselingen en is daardoor volgens de vader beter voor [de minderjarige] . De vader vindt het ook niet goed dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder is bepaald. Hij zou liever zien dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader wordt vastgesteld.
5.3
De moeder vindt juist dat de vastgestelde zorgregeling te intensief is voor [de minderjarige] en dat het contact tussen [de minderjarige] en de vader verminderd moet worden. [de minderjarige] gaat sinds kort naar school en de moeder merkt dat dit hem, in combinatie met de lange reistijd van en naar de vader, veel energie kost. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen om [de minderjarige] . Zij merkt dat [de minderjarige] stil is na de overdracht en zij vindt dat de uitbreiding van het contact tussen [de minderjarige] en de vader voor veel onrust zorgt. Dit geldt helemaal nu [de minderjarige] naar school gaat in [woonplaats2] en daardoor lang moet reizen naar de vader toe. De moeder denkt dat [de minderjarige] belast wordt met informatie die nog niet voor hem bestemd is, hier heeft hij volgens de moeder last van. Het zou daarom volgens de moeder beter zijn dat [de minderjarige] minder vaak bij de vader is . Volgens de moeder is het ook niet in het belang van [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader vast te stellen, de vader heeft hiervoor ook geen goede redenen aangevoerd.
Het oordeel van het hof
5.4
Het hof zal het verzoek van de vader – mede gezien het (wettelijk) uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap – toewijzen. Uit de stukken en wat op de zitting bij het hof is besproken is niet gebleken van contra-indicaties waardoor een andere invulling van de zorgregeling, met een extra overnachting van [de minderjarige] bij de vader, niet mogelijk is. De zorgen van de moeder over de belastbaarheid van [de minderjarige] en de reistijd van en naar de vader maken dit niet anders. [de minderjarige] is net gestart op de basisschool en dit vraagt veel energie van hem. Hij zal de komende periode moeten wennen aan een nieuw ritme en veel nieuwe indrukken op school krijgen. Deze indrukken moet hij thuis verwerken en daardoor zal hij moe zijn en meer behoefte hebben aan rustige momenten. Dit maakt niet dat de tijd die de vader met [de minderjarige] doorbrengt, zoals de moeder stelt, moet worden beperkt. De vader kan [de minderjarige] deze rustige momenten ook bieden. Ook de reistijd van en naar de vader maakt niet dat de zorgregeling moet worden aangepast. Een autorit kan ook worden beschouwd als een rustig moment waarin [de minderjarige] kan schakelen van de situatie op school of bij de moeder naar de situatie bij de vader en omgekeerd.
5.5
Voor een uitbreiding naar een zogenoemde week-op-week-af regeling, zoals de vader primair heeft verzocht, is het naar het oordeel van het hof op dit moment nog te vroeg. De ouders zijn lange tijd bezig zijn geweest met het traject [naam2] maar dat, voor vele ouders in een vergelijkbare situatie succesvol gebleken, traject is eind juni 2025 gestopt vanwege gebrek aan perspectief op een positieve afronding daarvan. Daarbij komt dat de moeder recent nog vervangende toestemming aan de kinderrechter heeft gevraagd om [de minderjarige] in te schrijven op de basisschool. Een co-ouderschapsregeling kan alleen werken als beide ouders in staat en/of bereid zijn om hun eigen wensen en hun eigen gelijk ondergeschikt te maken aan het belang van [de minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof gezien dat de ouders niet voor elkaar onderdoen wat betreft hun liefde voor [de minderjarige] . Het hof wenst de ouders toe dat ook zij die liefde voor [de minderjarige] in elkaars gedrag en woorden gaan zien en erkennen en daarin een gezamenlijke basis vinden om in het belang van [de minderjarige] -opnieuw- te gaan werken aan de verbetering van hun communicatie. [de minderjarige] kan er niets aan doen dat zijn ouders uit elkaar zijn tenslotte.
Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding een onderscheid te maken in de periode tot [de minderjarige] vier jaar is (en tot hij naar school gaat) en de periode vanaf het moment dat hij vier jaar is (en hij naar school gaat en in ieder geval tot hij acht jaar is).
5.6
Het hof zal bepalen dat [de minderjarige] in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school (twee nachten) en in de oneven weken van vrijdag uit school tot dinsdag naar school (vier nachten) bij de vader verblijft. De beslissing van de rechtbank wordt door het hof op dit punt aangepast (vernietigd).
5.7
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vader aangegeven dat zijn verzoeken te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij hem heeft en de wijziging van de vakantie- en feestdagenregeling wat hem betreft minder urgent zijn dan zijn verzoek tot aanpassing van de zorgregeling. Hij heeft daarbij toegelicht dat het voor hem vooral belangrijk is dat hij een meer gelijkwaardige rol krijg in de opvoeding van [de minderjarige] . Aangezien het hof de tijd die [de minderjarige] bij de vader is, zal uitbreiden en [de minderjarige] in [woonplaats2] naar school gaat, ziet het hof geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader vast te stellen of de vakantie- en feestdagenregeling te wijzigen. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder en/of de huidige vakantie-en feestdagenregeling hebben geleid tot een situatie die niet in het belang is van [de minderjarige] . Deze verzoeken van de vader worden afgewezen en de beslissing van de rechtbank op deze punten wordt door het hof bevestigd (bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 12 februari 2025 ten aanzien van de reguliere zorgregeling die geldt voor het moment dat [de minderjarige] vier jaar is en in ieder geval tot [de minderjarige] acht jaar is, en opnieuw beschikkende:
verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en de vader aldus dat [de minderjarige] bij de vader verblijft in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school
(twee nachten) en in de oneven weken van vrijdag uit school tot dinsdag naar school
(vier nachten);
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, E. de Boer en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.