ECLI:NL:GHARL:2025:7948

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
200.354.333/01 en 200.354.333/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 283 RvArt. 130 RvArt. 360 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep gezag en zorgregeling na ernstige incidenten en vermoedens seksueel grensoverschrijdend gedrag

In deze civiele zaak staat het geschil tussen ouders over het gezamenlijk gezag en de zorgregeling voor hun minderjarige zoon centraal. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die het gezamenlijk gezag toekent en een zorgregeling vaststelt waarbij de vader na een opbouwperiode omgang heeft met de zoon. De moeder verzoekt onder meer om schorsing van de uitvoerbaarheid van deze beschikking en uiteindelijk om ontzegging van het omgangsrecht vanwege ernstige vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader.

De feiten tonen een zeer moeizame verstandhouding tussen ouders, waarbij de moeder zorgen uit over de omgang en de vader deze betwist. Er heeft een ernstig geweldsincident plaatsgevonden waarbij de partner van de moeder explosieven liet ontploffen nabij de vader. Na een periode zonder contact is de omgang weer opgestart maar later door de moeder stopgezet vanwege haar vermoedens. Hulpverleningsinstanties herkennen deze zorgen niet en rapporteren positieve omgangsmomenten.

Het hof acht zich onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen en beveelt een raadsonderzoek aan om de situatie bij beide ouders te onderzoeken en advies uit te brengen over het gezag en de zorgregeling. Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid wordt afgewezen omdat de moeder onvoldoende onderbouwing levert en het belang van de omgang voor het kind zwaarder weegt dan de mogelijke belasting. De zaak wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de raad en schriftelijke reacties van partijen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en gelast een raadsonderzoek naar gezag en zorgregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.333/01 en 200.354.333/02
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 140911)
beschikking van 11 december 2025
inzake
[verzoekster](de moeder),
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep en het schorsingsverzoek,
advocaat: mr. E. Peeters te Groningen,
en
[verweerder](de vader),
wonende op een geheim te houden adres,
verweerder in hoger beroep en het schorsingsverzoek,
advocaat: mr. L.S. Meijer te Wageningen.
In het kader van zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 25 januari 2023, 12 april 2023, 6 december 2023,
28 juni 2024 en 14 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), door het hof ontvangen op 6 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 21 oktober 2025 met bijlage(n);
- twee journaalberichten namens de moeder van 6 november 2025 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 19 november 2025 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden.
Aanwezig waren de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door
mr. C.L. Berkel (waarnemend advocaat). Tevens was er een vertegenwoordiger namens de raad aanwezig.
3. De feiten
3.1
Partijen zijn de ouders van [minderjarige1] , geboren op 12 juli 2021. [minderjarige1] is door de vader erkend.
3.2
[minderjarige1] verblijft bij de moeder.
3.3
Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 31 juli 2025 is de vordering van de vader om te bepalen dat de moeder de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling dient na te komen, toegewezen. De moeder is veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat zij niet aan de uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking van 14 februari 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de vader en de moeder voortaan gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige1] (3.2 van de bestreden beschikking) en, met onmiddellijke ingang, de volgende definitieve zorgregeling vastgesteld (3.1 van de bestreden beschikking):
  • de vader heeft gedurende de eerste twee maanden één keer per veertien dagen op zondag van 9.00 uur tot 13.00 uur, in de regio van de moeder, omgang met [minderjarige1] ;
  • vervolgens heeft de vader gedurende een maand één keer per veertien dagen op
zondag van 9.00 uur tot 17.00 uur, in de regio van de moeder, omgang met [minderjarige1] ;
- vervolgens heeft de vader gedurende een maand één keer per veertien dagen op
zaterdag van 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader thuis, omgang met [minderjarige1] ;
- vervolgens heeft de vader één keer per veertien dagen op vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de vader thuis, omgang met [minderjarige1] ;
- indien de ouders over het halen en brengen van [minderjarige1] bij de omgangsmomenten bij
de vader niet tot overeenstemming kunnen komen, geldt dat de moeder [minderjarige1]
voorafgaand aan de omgang naar [woonplaats2] brengt en de vader [minderjarige1] in [woonplaats2]
ophaalt. Na afloop van de omgang brengt de vader [minderjarige1] naar [woonplaats2] en haalt de
moeder [minderjarige1] op in [woonplaats2] ;
- de schoolvakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld, met dien verstande dat voor de zomervakantie van 2025 geldt hetgeen daarover in rechtsoverweging 2.8 is overwogen.
4.2
De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 februari 2025. De grieven I tot en met III zien op de zorgregeling. Grief IV ziet op het gezag. De moeder verzoekt het hof om:
in het incident:
I. de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad te bevelen van de bestreden beschikking, voor zover deze rechtsoverweging 3.1 van de bestreden beschikking betreft, totdat de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, althans door uw hof een beslissing op het beroep is genomen.
in de hoofdzaak:
II. de bestreden beschikking te vernietigen, met dien verstande dat het verzoek van de vader om hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige1] , alsnog wordt afgewezen en het verzoek van de vader om tussen hem en [minderjarige1] een zorgregeling vast te stellen, wordt afgewezen en in plaats daarvan een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige1] vast te stellen waarbij [minderjarige1] en de vader tot en met de zomervakantie van 2025 één keer per veertien dagen op zondag omgang met elkaar hebben van 09:00 uur tot 13:00 uur in de omgeving van de moeder en na de zomervakantie van 2025 omgang met elkaar hebben van één keer per veertien dagen op zondag van 09:00 uur tot 17:00 uur in de omgeving van de moeder, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen zorgregeling.
4.3
De vader voert verweer en hij verzoekt het hof om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep althans haar dit te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
Op 19 november 2025 heeft de moeder een akte wijziging van het verzoek ingediend, waarbij zij haar verzoek onder II. heeft gewijzigd en het hof verzoekt om de bestreden beschikking te vernietigen, met dien verstande dat het verzoek van de vader om hem samen met haar te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige1] alsnog af te wijzen en het verzoek van de vader om tussen hem en [minderjarige1] een zorgregeling vast te stellen wordt afgewezen en in plaats daarvan te bepalen dat de omgang dan wel het contact tussen de vader en [minderjarige1] wordt ontzegd/verboden, althans een door het hof in goede justitie te bepalen zorgregeling.

5.De motivering van de beslissing

Hoofdzaak (200.354.333/01)
Gezag en zorgregeling
5.1
De moeder is in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank om de vader met het ouderlijk gezag over [minderjarige1] te belasten en zij kan zich daarnaast niet vinden in de vastgestelde zorgregeling waarbij, [minderjarige1] , na een opbouwperiode, eenmaal per veertien dagen een weekend bij de vader verblijft. De moeder heeft zich in haar beroepschrift op het standpunt gesteld dat de omgang moet worden beperkt tot een dag(deel) per veertien dagen. Een dag voor de zitting bij het hof heeft de moeder een akte wijziging van het verzoek ingediend, waarin zij vanwege recente ingrijpende omstandigheden vraagt om het verzoek van de vader om omgang tussen hem en [minderjarige1] af te wijzen en het recht op omgang te ontzeggen. Volgens de moeder heeft zij ernstige signalen van [minderjarige1] ontvangen waaruit volgens haar het vermoeden rijst dat er mogelijk sprake zou kunnen zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of seksueel misbruik van [minderjarige1] door de vader en zijn vader (opa vaderszijde). De vader betwist de beschuldigingen en stelt zich op het standpunt dat de omgang doorgang moet vinden.
5.2
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is besproken, komt naar voren dat er een zeer moeizame verstandhouding tussen de ouders is, waarbij ook de grootouders (de ouders van moeder en de moeder van vader) een rol spelen.
De moeder heeft veel zorgen over de omgang tussen de vader en [minderjarige1] en stelt zich richting de vader controlerend en verwijtend op als het gaat om zijn invulling van het contact met [minderjarige1] . Tijdens eerder begeleide omgangsmomenten is echter gebleken dat er geen contra-indicaties zijn voor (het uitbreiden van) omgang tussen de vader en [minderjarige1] . Blijkens de eindbrief van het traject Hulp na Scheiding bij Yorneo van 14 juli 2023 hebben er in totaal zes begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden. Gezien is dat er contactgroei is tussen vader en zoon, de vader leeftijdsadequaat aansluit en de indruk is dat [minderjarige1] op zijn gemak was. Uit het verslag van omgangshuis Loman blijkt dat de vader tijdens de omgang op
3 januari 2024 sensitief en responsief reageerde op de behoeften van [minderjarige1] en dat [minderjarige1] ontspannen en vrolijk oogt tijdens de omgang met de vader. Ondanks deze positieve rapportages houdt de moeder zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige1] . De door de moeder geuite zorgen worden echter door de hulpverlening niet herkend.
5.3
Er is uitvoering gegeven aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling tot het moment dat [minderjarige1] zijn eerste overnachting zou hebben bij de vader, van zaterdag 24 mei 2025 tot zondag 25 mei 2025. Tot dan was er een beperktere zorgregeling van een dag(deel) per veertien dagen in de omgeving van de moeder. Het eerste omgangsweekend heeft niet kunnen plaatsvinden, omdat er op 24 mei 2025 een ernstig geweldsincident jegens de vader is geweest. De partner van de moeder heeft aan elkaar getapete explosieven laten ontploffen op korte afstand van de auto waar de vader in zat. De vader ondervindt hiervan nog steeds klachten. Blijkens het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 september 2025 was de aanleiding hiervoor volgens de partner van de moeder een geschil over de zorgregeling met [minderjarige1] . De partner van de moeder heeft een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd gekregen voor de aanslag op de vader. Na dit incident is er een aantal maanden geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige1] . De vader heeft vervolgens in een kortgedingprocedure nakoming gevorderd van de bij de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van de vader toegewezen en de moeder veroordeeld de zorgregeling na te komen op straffe van een dwangsom. De omgang tussen de vader en [minderjarige1] is in het weekend van 13 september tot 14 september 2025 weer opgestart. Het tweede weekend van oktober 2025 is er voor het laatst omgang geweest tussen de vader en [minderjarige1] . Het laatste weekend van oktober 2025 heeft de omgang niet plaatsgevonden omdat de vader ziek was. Daarna heeft de moeder de omgang afgezegd, gelet op de signalen die zij van [minderjarige1] stelt te krijgen dat (onder andere) de vader seksueel overschrijdend gedrag jegens [minderjarige1] zou vertonen. Daarna is de omgang niet meer hervat.
5.4
Het hof acht zich op grond van de nu beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen op de verzoeken over het gezag en de zorgregeling. De zeer zorgelijke gebeurtenissen en omstandigheden, zoals hiervoor omschreven, hebben ertoe geleid dat er geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige1] en maken dat het hof een raadsonderzoek aangewezen vindt om een beter beeld te verkrijgen van de situatie bij beide ouders en welke beslissingen over het gezag en de zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige1] zijn. Ook de raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat een raadsonderzoek wenselijk is. De vader en de moeder hebben tijdens de zitting bij het hof verklaard zich te kunnen vinden in een raadsonderzoek.
5.5
Het hof zal de behandeling in de hoofdzaak aanhouden en de raad verzoeken om een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de volgende vragen:
  • bestaat er bij gezamenlijk gezag van de ouders een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige1] klem of verloren zal raken tussen de ouders, terwijl niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of is afwijzing van het verzoek van de vader anderszins in het belang van [minderjarige1] ?
  • zijn er bezwaren, zoals genoemd in artikel 1:377a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, die in de weg staan aan het recht op omgang met de vader, en zo nee, welke zorgregeling is in het belang van [minderjarige1] ?
Het hof laat het aan de raad om, als daar aanleiding toe is, het onderzoek uit te breiden met de vraag of een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is in het belang van [minderjarige1] .
5.6
Het hof zal de raad verzoeken om binnen zes maanden te rapporteren en te adviseren.
Het hof heeft bij deze termijn de wachttijden zoals die door de raad tijdens de zitting zijn genoemd in aanmerking genomen. Na ontvangst van het rapport en het advies van de raad zal het hof partijen in de gelegenheid stellen om daarop binnen twee weken schriftelijk te reageren. Het hof zal daarna in beginsel de zaak verder op de stukken afdoen, tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van (één van) partijen, anders beslist. In afwachting van het rapport en advies van de raad en de reactie van partijen daarop, zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
Verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (200.354.333/02)
5.7
De moeder heeft in haar beroepschrift tevens verzocht om de schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 3.1 genoemde beslissing betreft. De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het schorsingsverzoek van de moeder. Tijdens de zitting bij het hof heeft de moeder zich, om de redenen zoals opgenomen in de akte wijziging van het verzoek in de hoofdzaak van 19 november 2025, op het standpunt gesteld dat er helemaal geen omgang meer dient plaats te vinden tussen de vader en [minderjarige1] . De moeder geeft aan dat zij aangifte heeft gedaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of seksueel misbruik van [minderjarige1] door de vader (en zijn vader) en dat er een politieonderzoek zal worden gestart.
5.8
De raad heeft naar aanleiding van de door de moeder in het geding gebrachte akte wijziging van het verzoek het hof geadviseerd om op dit moment geen contact tussen de vader en [minderjarige1] toe te staan. Volgens de raad is het belangrijk dat de politie ongestoord onderzoek kan doen, omdat het de verwachting is dat [minderjarige1] ook zal worden gehoord. Volgens de raad is het van belang dat er zo min mogelijk mensen met [minderjarige1] hierover in gesprek gaan en kan niet worden uitgesloten dat de vader met [minderjarige1] zal praten over de aangifte. Een confrontatie tussen de vader en [minderjarige1] kan er voor zorgen dat [minderjarige1] beïnvloed wordt. Andersom kan er ook sprake zijn van beïnvloeding van de vader door [minderjarige1] . Gelet op de aanwijzingen voor een zedendelict moet er volgens de raad eerst nader politieonderzoek plaatsvinden, zodat de uitkomsten van dat onderzoek kunnen worden meegenomen in de verder te nemen beslissingen. De raad is daarom van mening dat de omgang tussen de vader en [minderjarige1] voor de duur van twee maanden moet worden stopgezet. De raad heeft tijdens een schorsing van de zitting bij het hof informatie ingewonnen bij de zedenrecherche en hieruit is gebleken dat er binnen twee maanden voorlopige bevindingen uit het politieonderzoek gedeeld kunnen worden en dat Veilig Thuis is ingeschakeld. De zedenrecherche heeft verder nog aangegeven dat er geen studioverhoor van [minderjarige1] zal gaan plaatsvinden, omdat er door de moeder opnames zijn gemaakt van [minderjarige1] ’s uitspraken waarin hij door haar is gevraagd om te bevestigen wat hij heeft gezegd. De vragen van de moeder zijn niet neutraal en open genoeg geweest om [minderjarige1] nog in aanmerking te laten komen voor een studioverhoor.
Veilig Thuis is volgens de raad in staat om de komende periode regie te voeren op de zorgregeling, in die zin dat als er aanleiding is om het contact te hervatten dit ook binnen twee maanden zou kunnen worden gerealiseerd. Het is volgens de raad de vraag of omgang met de vader op dit moment voor [minderjarige1] te belastend is gelet op de beschuldigingen die zijn gedaan. Dit kan onder regie van Veilig Thuis worden uitgezocht.
5.9
Het hof beschouwt de akte wijziging van het verzoek, waarin wordt verzocht om de vader het recht op omgang met [minderjarige1] te ontzeggen dan wel het recht op contact te verbieden, als een verzoek in de hoofdzaak. De moeder heeft geen schriftelijk verzoek gedaan waarin het schorsingsverzoek wordt gewijzigd, in die zin dat er geen omgang meer zal plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige1] . Deze kwestie heeft de moeder pas op de zitting aan de orde gesteld. In zoverre voldoet haar verzoek niet aan de eisen van de artikelen 283 en 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bovendien betreft dit mondeling gedane verzoek niet zozeer de kwestie van de (schorsing van de) uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking, in welk geval immers teruggevallen zou moeten worden op de oude regeling, maar beoogt zij kennelijk een voorlopige voorziening. Voor zover de moeder heeft bedoeld om een voorlopige voorziening te vragen, kan het hof dit verzoek niet in behandeling nemen omdat ook dit verzoek niet voldoet aan de daarvoor geldende eisen en het in dit late stadium van de behandeling van de zaak in strijd wordt geacht met de eisen van een goede procesorde. Aan het hof ligt daarom alleen de vraag voor of de werking van de beslissing zoals vermeld in 3.1 van de bestreden beschikking moet worden geschorst. Het hof zal het schorsingsverzoek van de moeder afwijzen en legt hierna uit waarom. Het hof zal hierbij ook reageren op het advies van de raad.
5.1
Het hof hanteert ten aanzien van het schorsingsverzoek het volgende beoordelingskader. Hoger beroep schorst de werking van de beschikking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan de hogere rechter alsnog de werking schorsen (artikel 360, tweede lid Rv). De rechtbank heeft de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en dat niet toegelicht. Omdat de beslissing tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet is gemotiveerd, moet het hof bij de beoordeling van het schorsingsverzoek een belangenafweging maken. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof ook de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden.
Die feiten moeten dan wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR: 2019: 2026).
5.11
Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat haar belangen bij schorsing van de werking van onderdeel 3.1 van de bestreden beschikking zwaarder wegen dan die van de vader bij handhaving daarvan. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, komt een patroon naar voren waarin de moeder steeds opnieuw haar zorgen uit over de veiligheid van [minderjarige1] bij de vader en de omgang herhaaldelijk stopzet.
De door de moeder geuite zorgen worden niet door de hulpverlening herkend. De vader heeft tweemaal een begeleid omgangstraject doorlopen met een positief resultaat.
Mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vader, heeft de moeder onvoldoende onderbouwd dat [minderjarige1] zich bij de vader in een onveilige situatie bevindt.
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat in de door de moeder ingediende akte wijziging van het verzoek (in de hoofdzaak) onvoldoende concrete aanwijzingen staan die een dergelijke inbreuk op het contactrecht tussen vader en [minderjarige1] rechtvaardigen. In de akte wordt een vermoeden van de moeder van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of seksueel misbruik door de vader en zijn vader genoemd, maar elke nadere onderbouwing ontbreekt. Het hof benadrukt dat seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of seksueel misbruik, als dit zich heeft voorgedaan, een zeer ernstige en kwalijke zaak is. Anderzijds is ook een regelmatig contact tussen een vader en een kind van groot belang.
In deze zaak mag niet uit het oog worden verloren dat de moeder weliswaar aangifte heeft gedaan, maar niet bewezen is verklaard dat de feiten zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Het politieonderzoek kan nog lange tijd duren en het is nog maar de vraag of er tot strafvervolging zal worden overgegaan. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat de aangifte is gebaseerd op uitlatingen van een jong kind dat bij een moeder opgroeit die de omgang met zijn vader voortdurend heeft tegengewerkt. Van andere aanwijzingen voor seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of seksueel misbruik dan de niet onderbouwde beschuldigingen genoemd in de akte is niet gebleken.
5.12
Het hof zal de raad niet volgen in het advies om de omgang tussen de vader en [minderjarige1] voor een periode van twee maanden geen doorgang te laten vinden. Een dergelijke beslissing kan in het kader van het schorsingsverzoek zoals dat voorligt niet worden genomen.
Het hof merkt hierbij nog op dat de angst voor beïnvloeding van [minderjarige1] door de vader niet speelt, omdat gebleken is dat er geen studioverhoor van [minderjarige1] gaat plaatsvinden.
De raad heeft verder nog de vraag opgeworpen of het contact met de vader voor [minderjarige1] niet te belastend is en of hij dit contact, vanwege de beschuldigingen die zijn gedaan, wel aankan.
Daar staat tegenover dat het niet in het belang van [minderjarige1] is dat hij (nog verder) van zijn vader vervreemdt. Alles afwegende, acht het hof het belang van [minderjarige1] dat hij op de wijze zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking is vastgesteld contact met de vader kan hebben groter dan de mogelijke belasting van dat contact. Het hof benoemt hierbij uitdrukkelijk dat vooral de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor [minderjarige1] zeer belastend voor hem zijn.
5.13
Gelet op het voorgaande, zal het schorsingsverzoek van de moeder worden afgewezen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met nummer 200.354.333/01
alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad een onderzoek in te stellen als hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 omschreven, daaromtrent uiterlijk op 11 juni 2026 te rapporteren en het hof te adviseren, althans schriftelijk bericht te geven over de voortgang van het onderzoek;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van het rapport van de raad aan partijen zal toezenden;
bepaalt dat partijen tot uiterlijk twee weken na toezending van het rapport van de raad schriftelijk kunnen reageren, waarna de zaak verder op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van (één van) partijen, anders beslist;
houdt iedere verdere beslissing aan.
in de zaak met nummer 200.354.333/02
wijst het verzoek tot schorsing af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, L. van Dijk en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 11 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.