ECLI:NL:GHARL:2025:7959

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
21-001564-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige oplichting, poging tot oplichting en diefstal met geweld

Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor meerdere feiten van oplichting, poging tot oplichting en diefstal met geweld gepleegd tussen april en oktober 2024. De feiten betroffen het misleiden van slachtoffers met valse verhalen en het vragen om geld over te maken of te pinnen, waarbij ook geweld werd gebruikt bij een diefstal.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van één poging tot oplichting wegens onvoldoende bewijs. De overige tenlastegelegde feiten werden bewezen verklaard op basis van overeenkomende modus operandi, getuigenverklaringen, bankafschriften en onderzoek naar de gebruikte auto en bankrekeningen.

De strafmaat werd vastgesteld op vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling en verblijf in een beschermde woonvorm. De schadevergoedingsvorderingen van vijf benadeelden werden integraal toegewezen, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-nakoming.

Het hof benadrukte de ernst van de feiten, de hardnekkige recidive van verdachte en het misbruik van het vertrouwen van slachtoffers, waaronder een minderjarige. De straf en voorwaarden zijn afgestemd op de ernst en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, en toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001564-25
Uitspraakdatum: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 31 maart 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-363930-24 en 16-393403-24, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats]
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-363930-24, en veroordeling ter zake van het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 16-393403-24 tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden;
  • integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen:
o [benadeelde 1] voor een bedrag van € 450,00;
o [benadeelde 2] voor een bedrag van € 1.000,00;
o [benadeelde 3] voor een bedrag van € 820,56;
o [benadeelde 4] voor een bedrag van € 500,00;
o [benadeelde 5] voor een bedrag van € 1.000,00;
te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en gijzeling bij niet (volledig) voldoen.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de raadsman van verdachte, mr. P. Jeeninga, en mevrouw [naam] , gemachtigde, namens benadeelde partij [benadeelde 3] hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 31 maart 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-363930-24 en het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 16-393403-24 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Tevens heeft de politierechter bijzondere voorwaarden opgelegd, bestaande uit:
  • een meldplicht;
  • ambulante behandeling;
  • verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang;
  • een inspanningsverplichting voor werk;
  • medewerking aan middelencontrole.
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 5] toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [benadeelde 4] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-363930-24:
1.
hij, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 april 2024 tot en met 2 oktober 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 450, hebbende hij verdachte, die [benadeelde 1] medegedeeld - zakelijk weergegeven –
- dat hij net naar Nederland was verhuisd en/of
- op zijn Nederlandse bankrekening nog geen geld had en/of - zijn Belgische pinpas had vergeten en/of
- die [benadeelde 1] verzocht een geldbedrag over te maken zodat hij, verdachte, ergens een hotelkamer kon huren en/of dat er in zijn nieuwe huis nog geen meubels stonden en/of
- medegedeeld dat die [benadeelde 1] bij het overmaken van € 450 daarvan € 50 mocht houden en/of dat het geld binnen 2 à 3 dagen op de rekening van die [benadeelde 1] zou staan en/of (daarbij) als blijk van vertrouwen zijn paspoort liet zien en/of een betalingsapp op zijn telefoon opende en (vervolgens) het IBAN-nummer van die [benadeelde 1] invoerde en/of in die betalingsapp liet zien dat hij € 500 aan die [benadeelde 1] zou versturen;
[benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een of meer geldbedrag(en), van, in totaal, € 1000, hebbende hij verdachte, die [benadeelde 2] medegedeeld/verzocht/gevraagd – zakelijk weergegeven –
- dat hij contant geld nodig had en/of
- hij een Belgische bank had en/of zijn pinpas niet bij zich had en/of - of die [benadeelde 2] geld wilde verdienen en/of
- dat die [benadeelde 2] het geld weer terug zou krijgen met € 150 extra en/of
- hij die [benadeelde 2] echt niet zat op te lichten en/of (daartoe) één of meer betaalverzoek(en)/QR-codes naar die [benadeelde 2] gestuurd;
[benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 300, hebbende hij, verdachte die [benadeelde 3] medegedeeld/verzocht - zakelijk weergegeven –
- dat hij niet kon pinnen en een persoon zocht die dat voor hem kon doen en dan het benodigde geldbedrag weer naar die persoon zou overmaken en/of (daarbij) een betaalapp op zijn telefoon liet zien en/of dat een bedrag van € 300 was afgeschreven naar de rekening van die [benadeelde 3] en/of
- het bijboeken op de bankrekening van die [benadeelde 3] wat langer kon duren
[benadeelde 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag, van € 500, hebbende hij, verdachte die [benadeelde 4] medegedeeld - zakelijk weergegeven –
- dat hij geen pinpas bij zich had en/of - die [benadeelde 4] verzocht wat geld voor hem te pinnen en/of (daarbij) zijn bankrekening liet zien op zijn telefoon en/of
- dat hij het geld had overgemaakt en/of
- dat het eventjes kon duren voordat het geld op de rekening van die [benadeelde 4] stond;
2. primair
hij op of omstreeks 5 mei 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 500, hebbende hij, verdachte die [slachtoffer] medegedeeld/verzocht - zakelijk weergegeven –
- dat hij geld nodig had en niet meer kon pinnen en/of
- dat die [slachtoffer] een tikkie mocht sturen en er dan wat geld voor zou krijgen en/of - hij via zijn bank geld op de rekening van die [slachtoffer] zou storten en/of (daarbij) liet zien dat hij vanaf een Belgische bankrekening een bedrag overboekte naar de rekening van die [slachtoffer] en/of dat de ontvangst daarvan wel drie dagen kon duren;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 5 mei 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een geldbedrag van € 500, hebbende hij verdachte, die [slachtoffer] medegedeeld/verzocht - zakelijk weergegeven –
- dat hij geld nodig had en niet meer kon pinnen en/of
- dat die [slachtoffer] een tikkie mocht sturen en er dan wat geld voor zou krijgen en/of - dat hij via zijn bank geld op de rekening van die [slachtoffer] zou storten en/of (daarbij) liet zien dat hij vanaf een Belgische bankrekening een bedrag overboekte naar de rekening van die [slachtoffer] en/of de ontvangst daarvan wel drie dagen kon duren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 5 mei 2024 te [plaats 1] een hoeveelheid bankbiljetten (in totaal € 500), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemde hoeveelheid bankbiljetten uit de handen van die [slachtoffer] te grissen;
Zaak met parketnummer 16-393403-24 (gevoegd):
hij op een of meer tijdstippen op omstreeks 28 oktober 2024 te [plaats 2] , [gemeente] , althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten tweemaal een geldbedrag van 500 euro, door
- [benadeelde 5] te vragen of zij voor hem geld kon pinnen omdat hij geen pinpas bij zich had en dat zijn telefoon bijna leeg was en/of
- dat hij geld nodig had omdat hij met zijn auto was gestrand en dat hij weggesleept moest worden naar België en/of
- hij op zijn telefoon zijn bankapp liet zien dat hij dit geldbedrag online zou terugstorten naar haar bankrekening en/of - zij zelf haar rekeningnummer in zijn bankapp invoerde en/of - hij haar vertelde dat het wel een dag kon duren voordat zij het geld op haar rekening had omdat het van een Belgische bankrekening kwam;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde feit

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Daartoe overweegt het hof dat op grond van de beschikbare informatie in het dossier en het verhandelde ter zitting van het hof niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van een voltooide oplichting.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde oplichtingen, meermaals gepleegd, de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot oplichting, en de onder 3 primair ten laste gelegde diefstal, vergezeld van geweld in de zaak met parketnummer 18-363930-24 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de in de zaak met parketnummer 16-393403-24 ten laste gelegde oplichting tevens wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe voert zij aan dat verdachte in beide zaken, met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten, eenzelfde modus operandi hanteert. Tevens is er sprake van eenzelfde signalement van verdachte, dezelfde donkerkleurige auto en hetzelfde rekeningnummer dat op naam van verdachte staat.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-363930-24 met betrekking tot aangever [benadeelde 1] en ten aanzien van het onder 16-393403-24 ten laste gelegde feit, met betrekking tot aangever [benadeelde 5] .
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-363930-24 met betrekking tot aangever [benadeelde 2] heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake zou zijn van oplichting.
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-363930-24 met betrekking tot aangevers [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18-363930-24 heeft de raadsman wederom vrijspraak bepleit, nu het daderschap ontbreekt. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-363930-24 heeft de raadsman subsidiair vrijspraak bepleit van het bestanddeel (dreigen met) geweld.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Modus operandi
Het hof constateert vooraf dat de wijze waarop de aan verdachte ten laste gelegde feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt en opvallende kenmerkende gelijkenissen vertoont. Bij alle feiten is er sprake van een situatie waarbij de aangevers worden aangesproken op straat, met de vraag of zij verdachte kunnen helpen. Verdachte vraagt aangevers om geld naar hem over te maken of voor hem te pinnen. Verdachte zegt geen pas bij zich te hebben, en/of dat zijn telefoon leeg is, en en/of vertelt dat hij een Belgische bankrekening heeft. Daarbij maakt verdachte de belofte direct het geld terug te betalen, al dan niet met rente. Verdachte laat aangevers meekijken op zijn telefoon hoe hij het geld naar aangever overmaakt. Hierbij maakt verdachte gebruik van een, voor aangevers onbekende, bankapp. Verdachte zegt daarbij dat het even kan duren voordat het geld op de rekening van aangever staat.
Naast een telkens op meerdere van bovengenoemde essentiële punten overeenkomende modus operandi wordt door aangevers een grotendeels overeenkomstig signalement van verdachte opgegeven waaruit naar voren komt dat het gaat om een getinte man met een stevig postuur, baard, donker haar en rond de dertig jaar. Verder komt bij elk van de ten laste gelegde feiten naar voren dat verdachte gebruik maakt van een donkerkleurige auto. [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [slachtoffer] noemen specifiek de kleur zwart en dat het een Volkswagen betreft. Bij de aangiftes van aangevers [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [slachtoffer] is bovendien een foto van het kenteken gevoegd. Uit onderzoek is gebleken dat deze auto op naam staat van de vriendin van verdachte en dat zij heeft verklaard dat zij en verdachte de personen zijn die gebruik maken van deze auto. Verder is uit onderzoek naar voren gekomen dat de bankrekeningnummers waar verdachte [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geld naar over liet maken op naam van verdachte staan.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien met de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de afzonderlijke ten laste gelegde feiten, stelt het hof vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichtingen, poging tot oplichting en diefstal vergezeld van geweld. Er zijn uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die leiden tot een ander oordeel.
Ten aanzien van aangever [slachtoffer]
Het hof overweegt ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-363930-24 dat er sprake is van diefstal met geweld. Uit de aangifte van aangever [slachtoffer] blijkt dat verdachte tegen aangever begon te schreeuwen in een voor aangever vreemde taal, nu hij de Nederlandse taal niet machtig is. Verdachte werd onvriendelijk en agressief toen aangever het geld niet wilde afgeven en wilde aangever tegenhouden op het moment dat hij naar de auto van verdachte wilde lopen omdat bij hem het vermoeden bestond dat er iets niet klopte. Deze situatie in samenhang bezien met het uit de handen van aangever grissen van het geld, maakt dat er sprake is van diefstal met geweld.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer 16-393403-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
Zaak met parketnummer 18-363930-24:
1.
hij in de periode van 1 april 2024 tot en met 2 oktober 2024 te [plaats 1] , meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 450, hebbende hij verdachte, die [benadeelde 1] medegedeeld - zakelijk weergegeven –
- dat hij net naar Nederland was verhuisd en
- op zijn Nederlandse bankrekening nog geen geld had en
- zijn Belgische pinpas had vergeten en
- die [benadeelde 1] verzocht een geldbedrag over te maken zodat hij, verdachte, ergens een hotelkamer kon huren en dat er in zijn nieuwe huis nog geen meubels stonden en
- medegedeeld dat die [benadeelde 1] bij het overmaken van € 450 daarvan € 50 mocht houden en dat het geld binnen 2 à 3 dagen op de rekening van die [benadeelde 1] zou staan en daarbij als blijk van vertrouwen zijn paspoort liet zien en een betalingsapp op zijn telefoon opende en (vervolgens) het IBAN-nummer van die [benadeelde 1] invoerde en in die betalingsapp liet zien dat hij € 500 aan die [benadeelde 1] zou versturen
[benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag, van, in totaal, € 1000, hebbende hij verdachte, die [benadeelde 2] medegedeeld – zakelijk weergegeven -
- dat hij contant geld nodig had en
- hij een Belgische bank had en zijn pinpas niet bij zich had en
- of die [benadeelde 2] geld wilde verdienen en
- dat die [benadeelde 2] het geld weer terug zou krijgen met € 150 extra en
- hij die [benadeelde 2] echt niet zat op te lichten en daartoe één of meer betaalverzoeken naar die [benadeelde 2] gestuurd;
[benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 300, hebbende hij, verdachte die [benadeelde 3] medegedeeld - zakelijk weergegeven –
- dat hij niet kon pinnen en een persoon zocht die dat voor hem kon doen en dan het benodigde geldbedrag weer naar die persoon zou overmaken en daarbij een betaalapp op zijn telefoon liet zien en dat een bedrag van € 300 was afgeschreven naar de rekening van die [benadeelde 3] en
- het bijboeken op de bankrekening van die [benadeelde 3] wat langer kon duren;
[benadeelde 4] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag, van € 500, hebbende hij, verdachte die [benadeelde 4] medegedeeld - zakelijk weergegeven –
- dat hij geen pinpas bij zich had en
- die [benadeelde 4] verzocht wat geld voor hem te pinnen en daarbij zijn bankrekening liet zien op zijn telefoon en
- dat hij het geld had overgemaakt en
- dat het eventjes kon duren voordat het geld op de rekening van die [benadeelde 4] stond;
2.subsidiair
hij op 5 mei 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van € 500, hebbende hij verdachte, die [slachtoffer] medegedeeld - zakelijk weergegeven –
- dat hij geld nodig had en niet meer kon pinnen en
- dat die [slachtoffer] een tikkie mocht sturen en er dan wat geld voor zou krijgen en
- dat hij via zijn bank geld op de rekening van die [slachtoffer] zou storten en daarbij liet zien dat hij vanaf een Belgische bankrekening een bedrag overboekte naar de rekening van die [slachtoffer] en de ontvangst daarvan wel drie dagen kon duren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 5 mei 2024 te [plaats 1] een hoeveelheid bankbiljetten (in totaal € 500), die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door voornoemde hoeveelheid bankbiljetten uit de handen van die [slachtoffer] te grissen.
Zaak met parketnummer 16-393403-24:
hij op 28 oktober 2024 te [plaats 2] , [gemeente] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 5] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten tweemaal een geldbedrag van 500 euro, door
- [benadeelde 5] te vragen of hij voor hem geld kon pinnen omdat hij geen pinpas bij zich had en dat zijn telefoon bijna leeg was en
- dat hij geld nodig had omdat hij met zijn auto was gestrand en dat hij weggesleept moest worden naar België en
- hij op zijn telefoon zijn bankapp liet zien dat hij dit geldbedrag online zou terugstorten naar haar bankrekening en
- hij zelf zijn rekeningnummer in zijn bankapp invoerde en
- hij hem vertelde dat het wel een dag kon duren voordat hij het geld op zijn rekening had omdat het van een Belgische bankrekening kwam.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
oplichting.
meermalen gepleegd.
Het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
poging tot oplichting.
Het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.
Het in de zaak met parketnummer 16-393403-24 bewezenverklaarde levert op:
oplichting.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat. De raadsman heeft bepleit dat, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, zijn cliënt gebaat zal zijn bij de oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de politierechter ook zijn opgelegd en niet enkel het uitzitten van een gevangenisstraf.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde delicten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich vijfmaal schuldig gemaakt aan oplichting, een poging tot oplichting, en diefstal vergezeld van geweld. De wijze waarop deze feiten plaatsvonden getuigt van een verregaande mate van brutaliteit. Verdachte is telkens doelbewust en planmatig te werk te gaan door de slachtoffers om hulp te vragen. Vervolgens heeft verdachte misbruik gemaakt van de welwillendheid van de slachtoffers om een ander te helpen en hun goede vertrouwen. Daarbij was zelfs een minderjarig slachtoffer die door verdachte om geld is gevraagd. Verdachte ging zelf uitsluitend te werk ten behoeve van eigen geldelijk gewin, en is daarin grenzeloos gebleken. Verdachte heeft hiervoor tot aan de dag van de terechtzitting bij het hof geen enkele verantwoordelijkheid voor willen nemen.
Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 24 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten en andersoortige misdrijven. Verdachte heeft kennelijk weinig geleerd van de eerdere veroordelingen en de opgelegde straffen hebben verdachte er niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen. Het hof constateert dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Verder heeft hof acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 18 maart 2025 en de op de zitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden. De reclassering ziet mogelijkheden om gedragsverandering en daarmee recidivevermindering te bewerkstelligen door bij een voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden op te leggen, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, een inspanningsverplichting voor werk en medewerking aan middelencontrole.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de gebleken recidive, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Het hof acht de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf in beginsel passend, maar ziet gelet op de ernst van de feiten en de hardnekkige recidive de noodzaak om een groter onvoorwaardelijk deel op te leggen. Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en noodzakelijk. Het hof zal bij het voorwaardelijke deel de bijzondere voorwaarden stellen zoals die hieronder in het dictum zijn opgenomen.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 450,00, geheel bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen.
De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair in de zaak met parketnummer 18-363930-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op het bij de vordering gevoegde bankafschrift acht het hof voldoende onderbouwd dat er voor € 450,00 aan schade is geleden. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 500,00, geheel bestaande uit materiële schade. De benadeelde partij is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair in de zaak met parketnummer 18-363930-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op het bij de vordering gevoegde bankafschrift acht het hof voldoende onderbouwd dat er voor € 500,00 aan schade is geleden. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00, geheel bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen.
De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair in de zaak met parketnummer 18-363930-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op de bij de vordering gevoegde bankafschriften acht het hof voldoende onderbouwd dat er voor € 1.000,00 aan schade is geleden. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 820,56, bestaande uit
€ 384,56 materiële schade en € 436,00 immateriële schade. De materiële schade bestaat voor € 300,00 uit het gepinde geldbedrag en voor € 84,56 uit opgenomen verlofuren en reiskosten voor het regelen van de aangifte. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen.
De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair in de zaak met parketnummer 18-363930-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op de bankafschriften en de overige onderbouwing acht het hof voldoende onderbouwd dat er voor € 384,56 aan materiële schade is geleden. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt voor wat betreft de materiële schade daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof als volgt. Artikel 6:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) houdt in dat alleen recht bestaat op immateriële schadevergoeding voor zover daartoe een wettelijke grondslag bestaat. Gelet op het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro bestaat alleen recht op immateriële schadevergoeding als de verdachte het oogmerk had immaterieel nadeel toe te brengen, bij lichamelijk letsel, aantasting in eer en goede naam of als een benadeelde partij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van dat laatste is in ieder geval sprake als het handelen van de verdachte bij de benadeelde partij heeft geleid tot geestelijk letsel. Het moet dan wel om meer gaan dan alleen psychisch onbehagen. Meer of minder ernstige gevoelens van angst, slapeloze nachten of herbelevingen zijn op zichzelf meestal onvoldoende om te kunnen vaststellen dat van geestelijk letsel sprake is. De benadeelde partij zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval naar objectieve maatstaven psychische schade is ontstaan. De aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, kunnen ook meebrengen dat van de in artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is.
In beginsel geldt ook hier dat degene die zich hierop beroept, de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moet onderbouwen. Het kan in voorkomend geval echter ook zo zijn dat de aard en de ernst van de normschending kunnen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het hof kan met hetgeen is aangevoerd niet vaststellen dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Mede gelet op het feit dat het hier gaat om oplichting, is het hof van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan niet meebrengen dat sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze zoals hiervoor bedoeld. In aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde is gekwalificeerd als oplichting doet zich ook niet het geval voor dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Nu de vordering geen rechtsgrond vindt in de wet, dient de vordering ten aanzien van de immateriële schade te worden afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00, geheel bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft het gevorderde bedrag van € 1.000,00 toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-393403-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op de bankschriften acht het hof voldoende onderbouwd dat er voor € 1.000,00 aan schade is geleden. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 312 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer 16-393403-24 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1, 2 subsidiair en 3 en in de zaak met parketnummer 16-393403-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • dat verdachte zich binnen 5 dagen, tussen 09:00 uur en 12:00 uur, na het ingaan van de proeftijd bij [reclassering] op het [adres 2] meldt;
  • dat verdachte zich laat behandelen door [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • dat verdachte verblijft bij het Leger Des Heils of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • dat verdachte zich inspant in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
  • dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol/drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 450,00 (vierhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 april 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 oktober 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 april 2024.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 384,56 (driehonderdvierentachtig euro en zesenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-363930-24 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 384,56 (driehonderdvierentachtig euro en zesenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 30 augustus 2024 over een bedrag van € 300,00 ter zake van het gepinde geldbedrag
- 18 september 2024 over een bedrag van € 84,56 ter zake van de opgenomen verlofuren en gemaakte reiskosten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-393403-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.000,00 (duizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-393403-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 oktober 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. F. van der Maden en mr. M.B. de Wit, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 december 2025.