ECLI:NL:GHARL:2025:7960

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
21-003371-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het onbruikbaar maken van schuttingsonderdelen met een geldboete en schadevergoeding

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor het onbruikbaar maken van schuttingsonderdelen die toebehoorden aan de benadeelde partij, met een geldboete van € 1.250,00. De zaak betreft een langlopend conflict tussen de verdachte en de benadeelde partij, waarbij de verdachte zich op het standpunt stelde dat hij eigenaar was van het perceel waar de schutting stond. Het hof heeft echter geoordeeld dat de benadeelde partij, die inmiddels is overleden, de eigenaar was van het perceel ten tijde van de feiten. De verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar geacht, wat heeft geleid tot een strafmatigende overweging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen, met een totaalbedrag van € 2.002,50, vermeerderd met wettelijke rente. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan, waarbij het hof de verdachte heeft veroordeeld tot een geldboete en de schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003371-24
Uitspraakdatum: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 augustus 2024 met parketnummer 18-083073-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1943 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 15 mei 2025 en 27 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten tot een geldboete van € 1.250,00, te vervangen door het bijbehorend aantal dagen hechtenis;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 2.314,35, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. J. Boksem, en mevrouw [gemachtigde] , gemachtigde, namens benadeelde partij [benadeelde] hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 12 augustus 2024, verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. De politierechter heeft de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk en of meerdere (betonnen)schuttingpalen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
2.
hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2023 tot en met 10 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere (betonnen)schuttingpalen en/of een of meerdere pilaren en/of een of meer schuttingplanken en/of een geul, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
3.
hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2023 tot en met 21 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere (schutting)planken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is duidelijk geworden dat er een langlopend conflict bestaat tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte zich op het standpunt stelt dat niet aangever, maar hij eigenaar is van het perceel waarop aangever, destijds zijn buurman, woonde en waar de schutting staat waar het in deze zaak om gaat. Dit blijkt mede uit een eerdere uitspraak van het hof van 17 augustus 2023 in een eerdere strafzaak met parketnummer 21-004141-22, waarin aan verdachte kort gezegd ook vernieling van goederen waaronder een schutting, toebehorende aan aangever [benadeelde] ten laste werd gelegd en waarvoor hij ook onherroepelijk is veroordeeld.
Verdachte heeft in de onderhavige zaak ter zitting van het hof bekend dat hij schuttingpalen, pilaren, schuttingplanken en een geul onbruikbaar heeft gemaakt zoals door de rechtbank bewezen is verklaard, maar stelt dat hij ten onrechte is veroordeeld door de rechtbank omdat hij eigenaar is van de grond en dat hij daarom niet veroordeeld kan worden voor het tenlastegelegde.
Op grond van wat door verdachte is aangevoerd en de stukken die door hem aan het dossier zijn toegevoegd, acht het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte eigenaar is van het betreffende perceel. Gelet op de inhoud van het dossier gaat het hof er vanuit dat aangever degene is geweest die de schutting heeft laten plaatsen en dat aangever, die inmiddels overleden is, ten tijde van het tenlastegelegde eigenaar was van het perceel waar hij toen ook woonde. De stukken die in onderhavige strafzaak door verdachte zijn aangeleverd, leiden niet tot een ander oordeel. Verdachte heeft gewezen op diverse in zijn ogen onrechtmatigheden en aandacht gevraagd voor in zijn visie opmerkelijke gebeurtenissen en omstandigheden die in het verleden zouden hebben plaatsgevonden, maar niet is aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in het kadaster als eigenaar geregistreerd stond en voor de vaststelling van de eigendom van onroerend goed zijn openbare registers leidend.
Gelet op het voorgaande en gelet op de inhoud van de in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest op te nemen bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde onbruikbaar maken van de schuttingonderdelen toebehorende aan [benadeelde] heeft begaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 26 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (betonnen) schuttingpalen, die aan [benadeelde] , toebehoorden heeft onbruikbaar gemaakt.
2.
hij in de periode van 7 maart 2023 tot en met 10 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (betonnen) schuttingpalen en meerdere pilaren en meer schuttingplanken en een geul, die aan [benadeelde] , toebehoorden heeft onbruikbaar gemaakt.
3.
hij in de periode van 17 maart 2023 tot en met 21 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (schutting)planken, die aan [benadeelde] toebehoorden heeft onbruikbaar gemaakt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde levert op:
telkens:opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde delicten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich meermaals schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van schuttingonderdelen van zijn buurman [benadeelde] , door onder meer schuttingplanken scheef te trekken en paaltjes te verwijderen. Hiermee heeft verdachte blijk gegeven geen enkel respect te hebben voor andermans bezittingen.
Er was sprake van een langlopend conflict tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte er in heeft volhard dat hij eigenaar is van het perceel waar aangever op woonde. Tijdens de behandeling van de strafzaak van verdachte in hoger beroep heeft het hof de indruk gekregen dat verdachte chronisch gefrustreerd is geraakt door de kwestie die zo lijkt het, een groot deel van zijn leven is gaan beheersen. Ook op het leven van aangever heeft de situatie grote impact gehad. Het hof heeft begrepen dat aangever inmiddels is overleden, en dat de strijd met verdachte tot aan de dood van aangever heeft voortgeduurd. Verdachte is overtuigd van zijn eigen gelijk, en wil koste wat het kost gelijk krijgen. Die wens steekt hij niet onder stoelen of banken in woord, maar ook niet in zijn handelen. Daarin gaat verdachte te ver. Er is onvoldoende informatie, zoals een deskundigenrapport, over verdachte om concreet vast te stellen of sprake is van (ernstige) psychische problematiek. Uit de informatie in het dossier en in het contact met verdachte tijdens de zittingen bij het hof, komen wel aanwijzingen voor psychische problematiek en grote zorgen over verdachte naar voren. Duidelijk is dat verdachte overtuigd is van zijn eigen realiteit, die niet strookt met de realiteit zoals deze door anderen wordt ervaren. Het hof vindt aannemelijk dat aan de opstelling van verdachte een bepaalde mate van psychische kwetsbaarheid ten grondslag ligt, waardoor zijn handelen in enige mate wordt beïnvloed. Het hof acht verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde en zal hier in strafmatigende zin rekening mee houden.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf verder rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister van 24 oktober 2025, waaruit blijkt dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verdachte is eerder voor dezelfde soort feiten veroordeeld die verband houden met dezelfde langslepende kwestie.
De politierechter heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden en gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte aanleiding om voor een andere strafmodaliteit te kiezen. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof – evenals de advocaat-generaal – oplegging van een geldboete van € 1.250,-, subsidiair 22 dagen hechtenis, passend.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.358,23, geheel bestaande uit materiële schade. De benadeelde partij is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Namens de benadeelde partij is in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken is dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Gelet op de factuur opgesteld door hoveniersbedrijf [bedrijf] , acht het hof voldoende onderbouwd dat er voor € 1.654,96 exclusief BTW schade is geleden. Dit bedrag wordt vermeerderd met 21 % BTW, te weten € 347,54. Het hof acht aannemelijk dat er totaal voor € 2.002,50 aan schade is geleden.
De posten ‘hovenier onderhoud’ zijn geen schade die rechtstreeks voortvloeit uit de aan verdachte verweten gedragingen, te weten het onbruikbaar maken. Dat deel wijst het hof af.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 23, 24 24c, 36f, 57, 63 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.002,50 (tweeduizend twee euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.002,50 (tweeduizend twee euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 maart 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. F. van der Maden en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 december 2025.