ECLI:NL:GHARL:2025:7961

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
21-003862-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis politierechter en veroordeling voor doxing en smaadschrift

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor doxing en smaadschrift. Het hof vernietigt het eerdere vonnis van de politierechter, die de verdachte vrijsprak van de tenlastegelegde feiten en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaarde. Het hof oordeelt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, ondanks het ontbreken van een klacht, omdat uit het dossier blijkt dat de aangeefster, [benadeelde partij], de wens tot vervolging heeft geuit. De verdachte heeft via sociale media persoonsgegevens van de aangeefster verspreid met het oogmerk haar vrees aan te jagen en haar in haar beroepsuitoefening te hinderen. Het hof legt een taakstraf op van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast wordt de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding van € 2.500,00 toegewezen, ter zake van immateriële schade. Het hof benadrukt de ernst van de feiten en de impact die deze hebben gehad op het leven van de aangeefster.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003862-24
Uitspraakdatum: 11 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2024 met parketnummer 18-108603-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats]

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vernietiging van het vonnis van de politierechter;
  • veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , voor het bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en bepaling dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouw,
mr. I. Djordjevic, en de vertegenwoordiger van de benadeelde partij [benadeelde partij] , de heer [naam] van Slachtofferhulp Nederland, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 2 september 2024 verdachte vrijgesproken ter zake van het onder 1 tenlastegelegde. De politierechter heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Daarnaast heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij in de periode van 21 januari 2024 tot en met 29 januari 2024 te [plaats] een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten een foto en het account op Facebook van [benadeelde partij] zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om [benadeelde partij] - vrees aan te (laten)jagen - ernstige overlast aan te (laten) doen en/of - in de uitoefening van haar ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen
2.
zij in de periode van 21 januari 2024 tot en met 29 januari 2024 te [plaats] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [benadeelde partij] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, - door een openbaar bericht op Facebook te plaatsen waarin zij, verdachte, [benadeelde partij] beschuldigt van kindermishandeling, en - door een schermafbeelding, waarop het Facebook account en foto van [benadeelde partij] staan afgebeeld, als bijlage toe te voegen aan voornoemd bericht op Facebook;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, nu voldoende uit het dossier is vast komen te staan dat aangeefster vervolging wenste. Hiertoe heeft het Openbaar Ministerie een aanvullend proces-verbaal aan het dossier toegevoegd waaruit de klacht blijkt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat voor dit feit geen klacht is ingediend en dat uit het dossier niet blijkt dat aangeefster vervolging wenste van verdachte. Dat het Openbaar Ministerie later alsnog een aanvullend proces-verbaal met daarin de klacht aan het dossier heeft toegevoegd, doet daar niet aan af, nu van deze wens tot vervolging niet binnen de drie-maandentermijn is gebleken.
Oordeel van het hof
Vervolging van smaad of laster kan alleen plaatsvinden als een klacht is gedaan door degene tegen wie het misdrijf is begaan.
Uit de jurisprudentie volgt dat het ontbreken van een (formele) klacht bij klachtdelicten niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie hoeft te leiden, indien de klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven vervolging te wensen (vergelijk HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242, r.o. 4.2.2). Naar huidig recht geldt dat het bij klachtdelicten erom gaat dat vervolging van de verdachte de instemming geniet van degene die aangifte doet. Doorslaggevend is of op grond van het strafdossier en/of het onderzoek ter terechtzitting komt vast te staan dat het ook de uitdrukkelijke wens is van degene die aangifte heeft gedaan dat het openbaar ministerie vervolging instelt tegen de verdachte ten aanzien van het feit.
In het eerste lid van artikel 66 Sr is bepaald dat de klacht kan worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.
De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest van 4 december 2018 geoordeeld dat de klachtgerechtigde zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn kan uitoefenen. Ingeval de klacht niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen de termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het gerechtshof (enige) ruimte heeft om concreet te beoordelen wanneer de klachttermijn is aangevangen, maar dat een binnen de wettelijke termijn ingediende klacht bij klachtdelicten onverkort als voorwaarde geldt voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Als een dossier wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt kan toch het bestaan van een klacht als bedoeld in artikel 164 Sv worden aangenomen, als komt vast te staan dat de aangever toen de aangifte werd opgemaakt de bedoeling had dat de verdachte zou worden vervolgd.
Het hof stelt vast dat aangeefster [benadeelde partij] op 9 februari 2024 aangifte heeft gedaan: “Ik doe hierbij aangifte van smaad laster dan wel doxing door middel van Facebook”. [benadeelde partij] heeft aangegeven dat zij naar aanleiding van het bericht op Facebook bedreigingen heeft ontvangen en niet meer de straat op durft. Daarnaast staat in de aangifte dat zij geïnformeerd wil worden over de voortgang van het opsporingsonderzoek en dat zij de door haar geleden schade op verdachte wil verhalen door zich te voegen in het strafproces. Aangeefster heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend en dat verzoek onderbouwd. Tevens was aangeefster zowel bij behandeling in eerste aanleg door de politierechter, als bij de terechtzitting van het hof fysiek aanwezig en heeft zij zich laten bijstaan door de heer [naam] van Slachtofferhulp Nederland.
Het hof is van oordeel dat uit voornoemde omstandigheden voldoende blijkt dat aangeefster [benadeelde partij] de wens had dat vervolging van de verdachte zou worden ingesteld en dat van deze wens binnen de drie-maandentermijn is gebleken. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging.
Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde doxing en het onder 2 ten laste gelegde smaadschrift wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe voert zij aan dat er sprake is van het oogmerk, namelijk vol opzet. De advocaat-generaal voert ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde ook aan dat er sprake is van opzettelijk aanranden van de eer en goede naam van aangeefster.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde doxing, omdat er geen sprake is van sensitieve privéinformatie en het oogmerk ontbreekt. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde smaad bepleit de raadsvrouw primair dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging wegens het ontbreken van een klacht in het dossier. Subsidiair wordt vrijspraak bepleit, omdat ook hier het opzet op het aantasten van de eer en goede naam van aangeefster en het oogmerk van het geven van ruchtbaarheid ontbreekt. Meer subsidiair voert de raadsvrouw aan dat verdachte een beroep toekomt op de exceptie van artikel 261 lid 3 Sr, waardoor zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De uitlatingen van verdachte zijn gedaan ter noodzakelijke verdediging van haar kind en haar eigen positie.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (doxing)
Doxing is sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld in artikel 285d Sr. Met de strafbaarstelling van doxing wordt de norm gesteld dat het zich verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonsgegevens van een ander voor intimiderende doeleinden, zoals vrees aan (laten) jagen en/of ernstige overlast aan (laten) doen, onacceptabel is. Het doel van de strafbaarstelling is de persoonlijke vrijheid van (potentiële) slachtoffers beschermen.
Ten aanzien van het oogmerk overweegt het hof het volgende. Voor de strafbaarheid van doxing is vereist dat degene zich de persoonlijke gegevens verschaft, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt. Dat zijn gedragingen die opzet impliceren. Het verspreiden moet zijn gedaan met het oogmerk om een ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te hinderen in zijn beroepsuitoefening. Aan het oogmerkvereiste, de zwaarste opzetvorm, is voldaan als de verdachte op het moment van die gedraging die bedoeling heeft dan wel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat het noodzakelijke gevolg van zijn handeling is dat het slachtoffer vrees zal worden aangejaagd, ernstige overlast zal worden aangedaan of in de uitoefening van zijn ambt of beroep zal worden gehinderd.
Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat verdachte zich persoonlijke gegevens van aangeefster heeft verschaft, te weten door middel van het maken en verspreiden van een screenshot van het Facebook-profiel van aangeefster waarop haar profielfoto zichtbaar is, haar voornaam en de eerste letter van haar achternaam. Dat er een zwarte balk over het gezicht en een deel van haar achternaam is geplaatst, doet er niet aan af dat dit geheel tezamen genomen persoonsgegevens betreft. Het screenshot van het profiel met daarop de profielfoto en vermelde gegevens maken aangeefster herleidbaar. Door het plaatsen van het screenshot, tezamen met haar naam, een begeleidend bericht en de sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie in een openbaar bericht op Facebook, heeft verdachte persoonsgegevens verspreid. In het begeleidende bericht wordt een tekst geschreven met een intimiderend karakter. Zo staat boven het bericht ‘Delen mag’ en wordt geschreven ‘WELKOM IN NEDERLAND’, ‘deze vrouw mag haar VOG dus gewoon behouden’ en in een reactie op een bericht van iemand schrijft verdachte ‘Dit mens kan gewoon blijven werken met kinderen.’
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat zij het bericht over aangeefster heeft geplaatst op Facebook om haar verhaal te delen. Het hof is van oordeel dat het, gezien de wijze waarop verdachte dat heeft gedaan zoals hierboven beschreven, het plaatsen van het bericht in combinatie met de door verdachte gekozen aanhef erboven, niet anders kan zijn dan dat verdachte bij het plaatsen van het bericht heeft beseft dat haar handelen het noodzakelijke gevolg zou hebben dat aangeefster ernstige overlast zou worden aangedaan en dit haar in de uitoefening van haar beroep ernstig zou hinderen.
Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doxing.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (smaadschrift)
Voor een bewezenverklaring van smaadschrift als bedoeld in artikel 261 lid 2 Sr is vereist dat iemands eer of goede naam wordt aangetast door middel van tenlastelegging van een bepaald feit met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Daarvan is sprake, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is geuit dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging van een ander aanwijst.
Het hof is van oordeel dat op grond van vorenstaande, het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep verdachte in de periode van 21 januari 2024 tot en met 29 januari 2024 het bericht over aangeefster niet in het algemeen belang heeft geplaatst. Verdachte voelde kennelijk de behoefte zich te uiten naar aanleiding van het incident met betrekking tot haar zoontje en haar ongenoegen over de gang van zaken kenbaar te maken, maar de hierbij gebruikte bewoordingen schieten naar het oordeel van het hof het algemeen belang voorbij en dragen niet bij aan het maatschappelijke debat. Verdachte heeft aangeefster in haar eer en goed naam aangerand, door haar op de hiervoor vermelde wijze te presenteren op Facebook en haar publiekelijk in verband te brengen met kindermishandeling. Gelet op het zich in het dossier bevindend proces-verbaal met bijlagen van 30 januari 2024 stelt het hof bovendien vast dat verdachte ook op de hoogte was van andere, minder vergaande mogelijkheden, zoals het indienen van een klacht bij het gerechtshof op grond van artikel 12 Sv.
Gelet op vorenstaande acht het hof ook smaadschrift wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.
zij in de periode van 21 januari 2024 tot en met 29 januari 2024 te [plaats] persoonsgegevens van een ander, te weten een foto van het account op Facebook van [benadeelde partij] zich heeft verschaft en heeft verspreid, met het oogmerk om [benadeelde partij]
- ernstige overlast aan te (laten) doen en
- in de uitoefening van haar beroep ernstig te (laten) hinderen
2.
zij in de periode van 21 januari 2024 tot en met 29 januari 2024 te [plaats] opzettelijk, de eer en de goede naam van [benadeelde partij] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeeldingen verspreid,
- door een openbaar bericht op Facebook te plaatsen waarin zij, verdachte, [benadeelde partij] beschuldigt van kindermishandeling, en
- door een schermafbeelding, waarop het Facebook account en foto van [benadeelde partij] staan afgebeeld, als bijlage toe te voegen aan voornoemd bericht op Facebook;
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
het verschaffen en verspreiden van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen of hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te (laten) hinderen
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
smaadschrift.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte geen straf of maatregel op te leggen als bedoeld in artikel 9a Sr.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van de bewezenverklaarde delicten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doxing en smaadschrift, door een bericht op Facebook te plaatsen met onder andere een screenshot van het profiel van aangeefster. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de laagdrempelige mogelijkheid die het internet en sociale media bieden om tegenover een breed publiek impulsieve en kwalijke uitlatingen te doen, waarmee zij actief reacties van de lezers oproept. Hoewel het invoelbaar is dat verdachte met emoties kampte naar aanleiding van het incident met haar zoontje, rechtvaardigt dit niet het plaatsen van een dergelijk bericht. Dit feit heeft grote impact gehad op aangeefster haar professionele leven en haar privéleven. Niet alleen heeft verdachte de eer en de goede naam van het slachtoffer aangetast, maar heeft zij met het bericht en de gebezigde bewoordingen, haar ernstige overlast aangedaan en aan laten doen. Het slachtoffer heeft naar aanleiding van het bericht meerdere bedreigingen en zelfs doodsbedreigingen ontvangen.
Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 21 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld.
Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die naar voren zijn gebracht op de zitting van het hof. Verdachte lijkt haar leven op de rails te hebben en het hof heeft van verdachte de voorzichtige indruk gekregen dat er sprake is van enige zelfreflectie.
Gelet op het vorenstaande acht het hof een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend.
In het voorgaande ligt besloten dat het hof geen aanleiding ziet om zoals de raadsvrouw heeft verzocht met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht af te zien van het opleggen van een straf of maatregel. Daartoe is met name redengevend de ernst van de feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00, geheel bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De oorspronkelijke vordering is in hoger beroep gehandhaafd.
Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde partij] door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreekse immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als diegene als gevolg van het strafbare feit in zijn eer of goede naam is geschaad. In het schadevergoedingsformulier en ter zitting heeft de heer [naam] namens benadeelde partij [benadeelde partij] de immateriële schade nader toegelicht.
Benadeelde partij [benadeelde partij] werkte als pedagogisch medewerkster in de kinderopvang. Verdachte heeft de eer en goede naam van benadeelde partij geschaad door een openbaar bericht op Facebook te plaatsen met het profiel van benadeelde partij. [benadeelde partij] heeft als gevolg hiervan ontelbare berichten ontvangen, waaronder tevens doodsbedreigingen. Dit heeft bij haar voor spanning en stress gezorgd. Zij ondervindt hier tot op de dag van vandaag nog veel hinder van. Nu de eer en de goede naam van benadeelde door het handelen van verdachte is geschaad, komt haar een vergoeding voor haar immateriële schade toe. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade.
Het hof heeft bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. Hierin is aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Het hof oordeelt dat het bewezen smaadschrift aansluit bij de ernstige categorie zoals die omschreven is in de Rotterdamse schaal (tot € 3.000,-). De berichten jegens benadeelde partij [benadeelde partij] zijn door verdachte immers verspreid via haar Facebook account, terwijl het bericht openbaar toegankelijk was.
Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst het hof de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 euro volledig toe, te vermeerderen met de wettelijke rente. De wettelijke rente is in beginsel verschuldigd vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde de momenten dat de smadelijke en beledigende uiting is gedaan. Het betreft een uiting gedaan in de periode van 21 januari 2024 tot en met 29 januari 2024. Het hof zal de datum van 29 januari tot uitgangspunt nemen voor de berekening van de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 261 en 285d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 januari 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. F. van der Maden, mr. M.B. de Wit en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 11 december 2025.