Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig (personenauto), met hoge snelheid achter de fietsende [slachtoffer] is aan gereden en/of terwijl die [slachtoffer] voor/achter, althans in de nabijheid van dat voertuig fietste, gas heeft gegeven en vervolgens met die personenauto op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of de fiets van die [slachtoffer] heeft ingestuurd en/of is (in)gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht kwam en/of
- ( vervolgens) met die personenauto over het hoofd en/of bovenlichaam, althans het lichaam van die, [slachtoffer] , is gereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , aan slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een gebroken sleutelbeen
- een of meerdere (elf) gebroken ribben
- een (zware) hersenschudding
- een breuk van de linkeroogkas
- een breuk tussen het (linker) jukbeen en de (linker)kaak
- een breuk achter het (linker)oor, heeft toegebracht door
met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig (personenauto), met hoge snelheid achter de fietsende [slachtoffer] is aan gereden en/of terwijl die [slachtoffer] voor/achter, althans in de nabijheid van dat voertuig fietste, gas heeft gegeven en vervolgens met die personenauto op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of de fiets van die [slachtoffer] heeft ingestuurd en/of is (in)gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht kwam en/of (vervolgens) met die personenauto over het hoofd en/of bovenlichaam, althans het lichaam van die, [slachtoffer] , is gereden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de openbare weg, [straat] en/of [straat 2] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, althans door zeer aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam,
rijdend in zijn personenauto met hoge snelheid en accelererend voorwaarts achter een fietser aan te rijden en/of (daarbij) op zeer korte afstand van die fietser te gaan rijden en/of (daarbij) op/tegen voornoemde fietser is gebotst en/of is (in)gereden waardoor die fietser ten val is gekomen en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht is gekomen en/of (daarna) met zijn, verdachtes, personenauto over het hoofd en/of (boven)lichaam van voornoemde fietser is gereden, waardoor voornoemde fietser (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten een gebroken sleutelbeen en/of een of meerdere (elf) gebroken ribben en/of een klaplong en/of een (zware) hersenschudding en/of een breuk van de linkeroogkas en/of een breuk tussen het (linker) jukbeen en de (linker)kaak en/of een breuk achter het (linker) oor, werd toegebracht;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straat 2] en/of [straat] , achterwaarts, in strijd met bord C2, [straat] is ingereden en/of (vervolgens), nadat een fietser (genaamd [slachtoffer] ) verontwaardigd had gereageerd en/of een klap of schop tegen de spiegel van de auto had gegeven, rijdend in zijn personenauto met hoge snelheid en accelererend voorwaarts achter die fietser aan te rijden en/of (daarbij) op zeer korte afstand van die fietser te gaan rijden en/of (daarbij) op/tegen voornoemde fietser is gebotst en/of is (in/aan)gereden, waardoor die fietser ten val is gekomen en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht is gekomen en/of (daarna) met zijn, verdachtes, personenauto over het hoofd en/of (boven)lichaam van voornoemde fietser is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats 1] op/aan [straat] en/of [straat 2] , op of omstreeks 2 oktober 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade (aan de fiets) was toegebracht en/of die [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3.
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat] en/of [straat 2] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, en heeft zich dus op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag (feit 1 primair), het verlaten van een plaats ongeval (feit 2) en het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs (feit 3).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. De snelheid waarmee verdachte heeft gereden is niet op objectieve wijze vastgesteld. Uit de beelden volgt niet dat verdachte de fietser van achter heeft aangereden en ook niet dat hij, terwijl de fietser voor, achter of in zijn nabijheid reed, gas heeft gegeven. Tevens volgt niet uit de beelden dat de fietser ten val kwam, doordat verdachte op hem heeft ingestuurd of heeft ingereden. Er heeft geen botsconfiguratie plaatsgevonden. De feitelijkheden zoals deze in de tenlastelegging (ook onder 1 meest subsidiair) zijn opgenomen, volgen niet uit het dossier.
Indien het hof van oordeel is dat de feitelijkheden, zoals opgenomen in de tenlastelegging, wel volgen uit het dossier, dan dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde wegens het ontbreken van opzet. Voor de vaststelling van een aanmerkelijke kans op overlijden bevat het dossier onvoldoende informatie en ten aanzien van de bewuste aanvaarding van een dergelijke kans wijst de raadsman op de aanwezige contra-indicaties (ontwijkende stuurbeweging en remmen).
De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde.
Het hof stelt – grotendeels in overeenstemming met het vonnis van de rechtbank – de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 2 oktober 2022 in [plaats 1] vanaf de [straat 3] [straat] in fietste. Aangever zag dat een witte auto tegen het verkeer inreed, want [straat] is een eenrichtingsweg. Aangever schat dat de auto 60 á 70 km/u reed. Omdat het ter hoogte van [straat 4] smal werd heeft hij uit reactie zijn linkerbeen uitgestoken, die tegen de linkerbuitenspiegel van de auto van verdachte aankwam. Aangever zag dat de auto als een ‘idioot’ remde en direct achteruit in zijn richting reed. Hij hoorde dat dit met een behoorlijke snelheid ging. Aangever is hierop harder gaan fietsen. Bij de kruising met [straat 5] kan hij zich een klap herinneren. Achteraf bleek dat hij was aangereden door de auto. Net voor de klap reed de auto dicht achter hem, dit was een paar meter. Aangever reed op dat moment op het midden van de weg, dus vrij ver naar links, omdat hij [straat 2] in wilde slaan. Aangever vermoedt dat de achterkant van de auto zijn fiets aan de achterzijde heeft geraakt. In het ziekenhuis bleek dat aangever ernstig letsel had opgelopen door de aanrijding, waaronder een gebroken sleutelbeen, elf gebroken ribben, een klaplong, een zware hersenschudding en diverse breuken in zijn gezicht.
Uit de Forensisch Medische Letselrapportage die over [slachtoffer] is opgemaakt blijkt dat bij aangever het volgende letsel is vastgesteld: een schaafwond op het voorhoofd, een bloeduitstorting bij de bovenkaak, verschillende oppervlakkige schaafwonden aan de handen, bloed tussen de hersenen en de schedel, meerdere aangezicht- en schedelbreuken, een breuk van het sleutelbeen, meerdere ribbreuken en meerdere kneuzingen van de longen.
[verbalisant 1] heeft twee bestanden met camerabeelden uitgekeken en beschreven. De verbalisant beschrijft dat op de beelden te zien is dat een fietser in de richting van [straat 2] fietste. Een witte SUV reed achteruit over [straat] . De fietser maakte met zijn linkerarm een slaande beweging naar de rechterbuitenspiegel van de personenauto. De fietser fietste vervolgens door. De personenauto kwam hierna tot stilstand en bewoog daarna in voorwaartse richting. De verbalisant zag dat de personenauto inliep op de fietser en door de wegversmalling reed. De remlichten van de personenauto brandden en de auto maakte een stuurbeweging naar links en vervolgens naar rechts (s-bocht), waardoor de personenauto zich naast de fietser bevond. De wielen van de fiets verplaatsten plots snel in de richting van de personenauto, zeer waarschijnlijk was dit het gevolg van een contactmoment tussen het stuur van de fiets en de personenauto. Vervolgens kwam de fietser ten val. Hierna gingen de remlichten van de personenauto uit en reed de personenauto een drempel op. De auto stuurde naar rechts. Tijdens de stuurbeweging zag de verbalisant dat de rechterachterzijde van het voertuig omhoogkwam. Dit was volgens hem vrijwel zeker veroorzaakt doordat het rechter achterwiel van de personenauto over een object heen reed.
[verbalisant 2] heeft de camerabeelden van [shop 2] uitgekeken. Hij zag hierop dat een witte [auto] achteruitreed [straat] in. Ter hoogte van [kapperszaak] stopte de witte [auto] met achteruitrijden. Een fietser tikte tegen de rechterbuitenspiegel. De fietser fietste vervolgens richting [straat 2] . Direct hierna zag de verbalisant dat de witte [auto] vooruitreed richting de fietser. Op de camerabeelden van de gemeente [plaats 1] zag de verbalisant dat de witte [auto] over de fietser heen reed. Hij zag dat de fietser op de grond bleef liggen en niet bewoog. Hij zag dat de witte [auto] [straat] uitreed en rechtsaf sloeg [straat 2] op.
[verbalisant 3] heeft de beelden van [shop 1] uitgekeken. Hij zag dat een fietser [straat] inging in de richting van [straat 2] . Een auto reed vanaf [straat 2] achteruit [straat] in. De fietser remde wat af voordat die de auto passeerde. De fietser stuurde licht in de richting van de auto en maakte bij het passeren een slaande beweging in de richting van de auto. De fietser vervolgde hierop zijn weg. De auto stopte en reed achter de fietser aan. Vlak voordat de auto bij de fietser was, remde de auto af en stuurde de auto licht naar links. De auto reed om de fietser heen en de fietser viel naar rechts. Vervolgens stuurde de auto naar rechts. De auto kwam twee keer omhoog en ging rechtsaf [straat 2] in.
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat hij [straat] niet in mocht rijden. Hij is deze straat achteruit ingereden om daar te parkeren. Nadat de fietser tegen zijn autospiegel had getikt, waarbij de spiegel werd beschadigd, is hij achter de fietser aangereden om de fietser te stoppen. Verdachte heeft verklaard dat hij een stuurbeweging naar links maakte, en op die manier links naast de fietser kwam. De auto en de fietser raakten elkaar en hij zag de fietser rechts van zijn auto vallen. Verdachte is vervolgens rechtsaf geslagen en weggereden terwijl de fietser op de grond lag. Verdachte is weggereden, omdat hij in paniek raakte omdat hij geen geldig rijbewijs had.
Voorwaardelijk opzet
Het hof stelt – in overeenstemming met de advocaat-generaal en de verdediging – voorop dat niet is gebleken dat verdachte de intentie (vol opzet) heeft gehad om het slachtoffer te doden. Hiervoor bieden het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten.
Opzet kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Dat wil zeggen dat verdachte met zijn rijgedrag een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt én dat verdachte die kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard.
Uit de inhoud van bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat verdachte met zijn auto gas heeft gegeven om bij de fietser in de buurt te komen. Verdachte heeft met zijn SUV de fietser [slachtoffer] , een zwakkere verkeersdeelnemer dan verdachte in deze situatie, van achteren benaderd. Hij deed dit in een smalle straat met een wegversmalling, terwijl hij wist van de aanwezigheid van de fietser in zijn nabijheid. Bovendien was de straat wegens een proef in de avond geheel afgesloten voor gemotoriseerd verkeer, waardoor verdachte daar überhaupt niet mocht komen. Verdachte was van voorgaande omstandigheden op de hoogte. Verdachte is voorwaarts naar de fietser toegereden en links om hem heen gereden, op welk moment hij vanwege de versmalling vlak langs de fietser reed. De fietser heeft een beweging naar links met zijn fiets gemaakt. Daarvoor of daarna is de fiets tegen de auto van verdachte aangekomen. Door deze aanrijding tussen de fiets en de auto van verdachte is de fietser ten val gekomen aan de rechterkant van de auto van verdachte. Verdachte heeft dit zien gebeuren. Verdachte heeft zijn auto vervolgens niet tot stilstand gebracht, maar heeft juist gas gegeven en is naar rechts sturend doorgereden. Verdachte is direct rechtsaf geslagen, terwijl hij wist dat de fietser rechts van zijn auto op de grond lag. Het hof twijfelt er – met de rechtbank – niet aan dat verdachte ook daadwerkelijk met zijn wiel over [slachtoffer] is heengereden, gelet op de beschrijvingen van hetgeen op de camerabeelden is te zien en het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel.
Aanmerkelijke kans
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Dat verdachte en de fietser tegelijkertijd samen op hetzelfde stukje van de smalle straat terechtkwamen is volledig aan de gedragingen van verdachte te wijten. Door met een auto vlak naast een fietser te gaan rijden in een smalle straat, bestaat er een risico op een aanrijding. Met deze gedragingen heeft verdachte reeds een aanmerkelijke kans op een aanrijding met de fietser veroorzaakt. Door vervolgens direct nadat de fietser rechts van de auto ten val is gekomen, rechtsaf te slaan met zijn auto, heeft verdachte voorts het risico in het leven geroepen dat hij de fietser met zijn auto zou overrijden. Met een auto over een persoon heenrijden maakt naar algemene ervaringsregels de kans op de dood van deze persoon aanmerkelijk.
Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen – in het bijzonder vanwege het rechtsaf slaan toen de fietser op de grond lag – een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
Bewuste aanvaarding
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Voor de vraag of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet, zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Door nadat de fietser rechts van de auto ten val is gekomen, niet te stoppen maar juist gas te geven en rechtsaf weg te rijden met zijn auto, terwijl de fietser aan die kant van de auto lag, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de fietser met zijn auto zou overrijden. Het hof weegt hierbij mee dat het volledig aan de gedragingen van verdachte is te wijten dat verdachte en de fietser tegelijkertijd samen op hetzelfde stukje van de smalle straat terechtkwamen.
Dat verdachte – naar eigen zeggen – de fietser nooit heeft willen raken doet aan dit alles niet af. In de onderhavige zaak blijkt dat kort voor de botsing met de fietser, de remlichten van de auto oplichtten, hetgeen meebrengt dat verdachte kennelijk kort voor de botsing heeft geremd. Volgens het hof brengt dit – anders dan door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd – niet mee dat hieruit moet worden afgeleid dat is geprobeerd de aanrijding en het overrijden te voorkomen en het opzet van verdachte aldus ontbrak. Uit het rijgedrag van verdachte, nadat de fietser ten val was gekomen, komt immers een beeld naar voren dat voor hem het belang van de zwakkere verkeersdeelnemer kennelijk volkomen ondergeschikt is geweest aan zijn eigen belang om weg te komen en te voorkomen dat hij betrapt werd op het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.
Bovendien volgt uit artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 een “specifieke zorgplicht" voor degene die bij een verkeersongeval is betrokken, die inhoudt dat het is verboden om de plaats van een ongeval te verlaten als daardoor een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Tegen deze achtergrond overweegt het hof dat op de betrokkene bij een ongeval de plicht rust te doen wat mogelijk is om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de andere betrokkene van het ongeval. Daaronder valt ook de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van wat met de betrokkene is gebeurd. Verdachte heeft zich niet op de hoogte gesteld van wat er direct na het ongeval met de fietser is gebeurd en heeft ook geen hulp geboden, terwijl verdachte blijkbaar wel in staat was na te denken en te voorkomen dat hij betrapt werd op het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Mede hierom meent het hof dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer [slachtoffer] (mede) als gevolg van het te lang uitblijven van hulpverlening zou komen te overlijden. Dat verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment is teruggegaan, omdat hij bezorgd was, en dat hij toen zag dat er een ambulance aanwezig was, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. De bewuste aanvaarding van een potentieel dodelijk ongeval was toen reeds geschied en dit kon verdachte niet meer terugdraaien.
Het hof is dus van oordeel dat de gedragingen van verdachte – in het bijzonder het rechtsaf slaan terwijl de fietser daar op de grond lag en het verlaten van de plaats ongeval – naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht zijn op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijk kans op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Het hof volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezenverklaarde onder 2 en 3 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.
Deze opgave luidt als volgt.
het proces-verbaal van bevindingen, p. 14 e.v.;
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 december 2025.
- het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994, p. 141 e.v.;
- een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een RDW-uitvraag, p. 143 e.v.;
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 december 2025.