ECLI:NL:GHARL:2025:7964

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
21-000227-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging doodslag in verkeerszaak met ernstige verwondingen na aanrijding met fietser

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte, geboren in 1986, was betrokken bij een verkeersincident op 2 oktober 2022, waarbij hij met zijn auto een fietser aanreed. De verdachte heeft de plaats van het ongeval verlaten, terwijl de fietser ernstig letsel had opgelopen, waaronder een gebroken sleutelbeen en meerdere ribbenbreuken. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een rijontzegging van 3 jaar. Het hof heeft het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan, waarbij het tot de conclusie kwam dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan poging tot doodslag. Het hof oordeelde dat de gedragingen van de verdachte, met name het rechtsaf slaan terwijl de fietser op de grond lag, een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer met zich meebrachten. De verdachte had bewust de kans aanvaard dat hij de fietser zou overrijden. Het hof legde dezelfde straf op als de rechtbank, met inachtneming van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. De verdachte had eerder geweldsdelicten gepleegd en was recidivist, wat de strafmaat beïnvloedde. Het hof heeft bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf verbonden, waaronder meldplicht bij de reclassering en behandeling voor verslavingsproblematiek.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000227-24
Uitspraakdatum: 16 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 januari 2024 met parketnummer 05-256234-22 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
postadres te [postcode] .

Hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A.C. Frijns, hebben aangevoerd.

Vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor de poging tot doodslag (feit 1 primair), het verlaten van een plaats ongeval (feit 2) en het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, in combinatie met een rijontzegging voor de duur van drie jaren.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en omdat het tot een andere bewezenverklaring komt, en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig (personenauto), met hoge snelheid achter de fietsende [slachtoffer] is aan gereden en/of terwijl die [slachtoffer] voor/achter, althans in de nabijheid van dat voertuig fietste, gas heeft gegeven en vervolgens met die personenauto op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of de fiets van die [slachtoffer] heeft ingestuurd en/of is (in)gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht kwam en/of
- ( vervolgens) met die personenauto over het hoofd en/of bovenlichaam, althans het lichaam van die, [slachtoffer] , is gereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , aan slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
- een gebroken sleutelbeen
- een of meerdere (elf) gebroken ribben
- een klaplong
- een (zware) hersenschudding
- een breuk van de linkeroogkas
- een breuk tussen het (linker) jukbeen en de (linker)kaak
- een breuk achter het (linker)oor, heeft toegebracht door
met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig (personenauto), met hoge snelheid achter de fietsende [slachtoffer] is aan gereden en/of terwijl die [slachtoffer] voor/achter, althans in de nabijheid van dat voertuig fietste, gas heeft gegeven en vervolgens met die personenauto op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of de fiets van die [slachtoffer] heeft ingestuurd en/of is (in)gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht kwam en/of (vervolgens) met die personenauto over het hoofd en/of bovenlichaam, althans het lichaam van die, [slachtoffer] , is gereden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de openbare weg, [straat] en/of [straat 2] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, althans door zeer aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam,
rijdend in zijn personenauto met hoge snelheid en accelererend voorwaarts achter een fietser aan te rijden en/of (daarbij) op zeer korte afstand van die fietser te gaan rijden en/of (daarbij) op/tegen voornoemde fietser is gebotst en/of is (in)gereden waardoor die fietser ten val is gekomen en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht is gekomen en/of (daarna) met zijn, verdachtes, personenauto over het hoofd en/of (boven)lichaam van voornoemde fietser is gereden, waardoor voornoemde fietser (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten een gebroken sleutelbeen en/of een of meerdere (elf) gebroken ribben en/of een klaplong en/of een (zware) hersenschudding en/of een breuk van de linkeroogkas en/of een breuk tussen het (linker) jukbeen en de (linker)kaak en/of een breuk achter het (linker) oor, werd toegebracht;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straat 2] en/of [straat] , achterwaarts, in strijd met bord C2, [straat] is ingereden en/of (vervolgens), nadat een fietser (genaamd [slachtoffer] ) verontwaardigd had gereageerd en/of een klap of schop tegen de spiegel van de auto had gegeven, rijdend in zijn personenauto met hoge snelheid en accelererend voorwaarts achter die fietser aan te rijden en/of (daarbij) op zeer korte afstand van die fietser te gaan rijden en/of (daarbij) op/tegen voornoemde fietser is gebotst en/of is (in/aan)gereden, waardoor die fietser ten val is gekomen en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht is gekomen en/of (daarna) met zijn, verdachtes, personenauto over het hoofd en/of (boven)lichaam van voornoemde fietser is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats 1] op/aan [straat] en/of [straat 2] , op of omstreeks 2 oktober 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade (aan de fiets) was toegebracht en/of die [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3.
hij op of omstreeks 2 oktober 2022, te [plaats 1] , terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat] en/of [straat 2] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverwegingen [1]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, en heeft zich dus op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag (feit 1 primair), het verlaten van een plaats ongeval (feit 2) en het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs (feit 3).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. De snelheid waarmee verdachte heeft gereden is niet op objectieve wijze vastgesteld. Uit de beelden volgt niet dat verdachte de fietser van achter heeft aangereden en ook niet dat hij, terwijl de fietser voor, achter of in zijn nabijheid reed, gas heeft gegeven. Tevens volgt niet uit de beelden dat de fietser ten val kwam, doordat verdachte op hem heeft ingestuurd of heeft ingereden. Er heeft geen botsconfiguratie plaatsgevonden. De feitelijkheden zoals deze in de tenlastelegging (ook onder 1 meest subsidiair) zijn opgenomen, volgen niet uit het dossier.
Indien het hof van oordeel is dat de feitelijkheden, zoals opgenomen in de tenlastelegging, wel volgen uit het dossier, dan dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde wegens het ontbreken van opzet. Voor de vaststelling van een aanmerkelijke kans op overlijden bevat het dossier onvoldoende informatie en ten aanzien van de bewuste aanvaarding van een dergelijke kans wijst de raadsman op de aanwezige contra-indicaties (ontwijkende stuurbeweging en remmen).
De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Feit 1
Het hof stelt – grotendeels in overeenstemming met het vonnis van de rechtbank – de navolgende feiten en omstandigheden vast.
Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 2 oktober 2022 in [plaats 1] vanaf de [straat 3] [straat] in fietste. Aangever zag dat een witte auto tegen het verkeer inreed, want [straat] is een eenrichtingsweg. Aangever schat dat de auto 60 á 70 km/u reed. Omdat het ter hoogte van [straat 4] smal werd heeft hij uit reactie zijn linkerbeen uitgestoken, die tegen de linkerbuitenspiegel van de auto van verdachte aankwam. Aangever zag dat de auto als een ‘idioot’ remde en direct achteruit in zijn richting reed. Hij hoorde dat dit met een behoorlijke snelheid ging. Aangever is hierop harder gaan fietsen. Bij de kruising met [straat 5] kan hij zich een klap herinneren. Achteraf bleek dat hij was aangereden door de auto. Net voor de klap reed de auto dicht achter hem, dit was een paar meter. Aangever reed op dat moment op het midden van de weg, dus vrij ver naar links, omdat hij [straat 2] in wilde slaan. Aangever vermoedt dat de achterkant van de auto zijn fiets aan de achterzijde heeft geraakt. In het ziekenhuis bleek dat aangever ernstig letsel had opgelopen door de aanrijding, waaronder een gebroken sleutelbeen, elf gebroken ribben, een klaplong, een zware hersenschudding en diverse breuken in zijn gezicht. [2]
Uit de Forensisch Medische Letselrapportage die over [slachtoffer] is opgemaakt blijkt dat bij aangever het volgende letsel is vastgesteld: een schaafwond op het voorhoofd, een bloeduitstorting bij de bovenkaak, verschillende oppervlakkige schaafwonden aan de handen, bloed tussen de hersenen en de schedel, meerdere aangezicht- en schedelbreuken, een breuk van het sleutelbeen, meerdere ribbreuken en meerdere kneuzingen van de longen. [3]
[verbalisant 1] heeft twee bestanden met camerabeelden uitgekeken en beschreven. De verbalisant beschrijft dat op de beelden te zien is dat een fietser in de richting van [straat 2] fietste. Een witte SUV reed achteruit over [straat] . De fietser maakte met zijn linkerarm een slaande beweging naar de rechterbuitenspiegel van de personenauto. De fietser fietste vervolgens door. De personenauto kwam hierna tot stilstand en bewoog daarna in voorwaartse richting. De verbalisant zag dat de personenauto inliep op de fietser en door de wegversmalling reed. De remlichten van de personenauto brandden en de auto maakte een stuurbeweging naar links en vervolgens naar rechts (s-bocht), waardoor de personenauto zich naast de fietser bevond. De wielen van de fiets verplaatsten plots snel in de richting van de personenauto, zeer waarschijnlijk was dit het gevolg van een contactmoment tussen het stuur van de fiets en de personenauto. Vervolgens kwam de fietser ten val. Hierna gingen de remlichten van de personenauto uit en reed de personenauto een drempel op. De auto stuurde naar rechts. Tijdens de stuurbeweging zag de verbalisant dat de rechterachterzijde van het voertuig omhoogkwam. Dit was volgens hem vrijwel zeker veroorzaakt doordat het rechter achterwiel van de personenauto over een object heen reed. [4]
[verbalisant 2] heeft de camerabeelden van [shop 2] uitgekeken. Hij zag hierop dat een witte [auto] achteruitreed [straat] in. Ter hoogte van [kapperszaak] stopte de witte [auto] met achteruitrijden. Een fietser tikte tegen de rechterbuitenspiegel. De fietser fietste vervolgens richting [straat 2] . Direct hierna zag de verbalisant dat de witte [auto] vooruitreed richting de fietser. Op de camerabeelden van de gemeente [plaats 1] zag de verbalisant dat de witte [auto] over de fietser heen reed. Hij zag dat de fietser op de grond bleef liggen en niet bewoog. Hij zag dat de witte [auto] [straat] uitreed en rechtsaf sloeg [straat 2] op. [5]
[verbalisant 3] heeft de beelden van [shop 1] uitgekeken. Hij zag dat een fietser [straat] inging in de richting van [straat 2] . Een auto reed vanaf [straat 2] achteruit [straat] in. De fietser remde wat af voordat die de auto passeerde. De fietser stuurde licht in de richting van de auto en maakte bij het passeren een slaande beweging in de richting van de auto. De fietser vervolgde hierop zijn weg. De auto stopte en reed achter de fietser aan. Vlak voordat de auto bij de fietser was, remde de auto af en stuurde de auto licht naar links. De auto reed om de fietser heen en de fietser viel naar rechts. Vervolgens stuurde de auto naar rechts. De auto kwam twee keer omhoog en ging rechtsaf [straat 2] in. [6]
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat hij [straat] niet in mocht rijden. Hij is deze straat achteruit ingereden om daar te parkeren. Nadat de fietser tegen zijn autospiegel had getikt, waarbij de spiegel werd beschadigd, is hij achter de fietser aangereden om de fietser te stoppen. Verdachte heeft verklaard dat hij een stuurbeweging naar links maakte, en op die manier links naast de fietser kwam. De auto en de fietser raakten elkaar en hij zag de fietser rechts van zijn auto vallen. Verdachte is vervolgens rechtsaf geslagen en weggereden terwijl de fietser op de grond lag. Verdachte is weggereden, omdat hij in paniek raakte omdat hij geen geldig rijbewijs had. [7]
Voorwaardelijk opzet
Het hof stelt – in overeenstemming met de advocaat-generaal en de verdediging – voorop dat niet is gebleken dat verdachte de intentie (vol opzet) heeft gehad om het slachtoffer te doden. Hiervoor bieden het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanknopingspunten.
Opzet kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Dat wil zeggen dat verdachte met zijn rijgedrag een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt én dat verdachte die kans op dat gevolg ook bewust heeft aanvaard.
Uit de inhoud van bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat verdachte met zijn auto gas heeft gegeven om bij de fietser in de buurt te komen. Verdachte heeft met zijn SUV de fietser [slachtoffer] , een zwakkere verkeersdeelnemer dan verdachte in deze situatie, van achteren benaderd. Hij deed dit in een smalle straat met een wegversmalling, terwijl hij wist van de aanwezigheid van de fietser in zijn nabijheid. Bovendien was de straat wegens een proef in de avond geheel afgesloten voor gemotoriseerd verkeer, waardoor verdachte daar überhaupt niet mocht komen. Verdachte was van voorgaande omstandigheden op de hoogte. Verdachte is voorwaarts naar de fietser toegereden en links om hem heen gereden, op welk moment hij vanwege de versmalling vlak langs de fietser reed. De fietser heeft een beweging naar links met zijn fiets gemaakt. Daarvoor of daarna is de fiets tegen de auto van verdachte aangekomen. Door deze aanrijding tussen de fiets en de auto van verdachte is de fietser ten val gekomen aan de rechterkant van de auto van verdachte. Verdachte heeft dit zien gebeuren. Verdachte heeft zijn auto vervolgens niet tot stilstand gebracht, maar heeft juist gas gegeven en is naar rechts sturend doorgereden. Verdachte is direct rechtsaf geslagen, terwijl hij wist dat de fietser rechts van zijn auto op de grond lag. Het hof twijfelt er – met de rechtbank – niet aan dat verdachte ook daadwerkelijk met zijn wiel over [slachtoffer] is heengereden, gelet op de beschrijvingen van hetgeen op de camerabeelden is te zien en het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel.
Aanmerkelijke kans
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Dat verdachte en de fietser tegelijkertijd samen op hetzelfde stukje van de smalle straat terechtkwamen is volledig aan de gedragingen van verdachte te wijten. Door met een auto vlak naast een fietser te gaan rijden in een smalle straat, bestaat er een risico op een aanrijding. Met deze gedragingen heeft verdachte reeds een aanmerkelijke kans op een aanrijding met de fietser veroorzaakt. Door vervolgens direct nadat de fietser rechts van de auto ten val is gekomen, rechtsaf te slaan met zijn auto, heeft verdachte voorts het risico in het leven geroepen dat hij de fietser met zijn auto zou overrijden. Met een auto over een persoon heenrijden maakt naar algemene ervaringsregels de kans op de dood van deze persoon aanmerkelijk.
Het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen – in het bijzonder vanwege het rechtsaf slaan toen de fietser op de grond lag – een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
Bewuste aanvaarding
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Voor de vraag of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet, zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Door nadat de fietser rechts van de auto ten val is gekomen, niet te stoppen maar juist gas te geven en rechtsaf weg te rijden met zijn auto, terwijl de fietser aan die kant van de auto lag, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de fietser met zijn auto zou overrijden. Het hof weegt hierbij mee dat het volledig aan de gedragingen van verdachte is te wijten dat verdachte en de fietser tegelijkertijd samen op hetzelfde stukje van de smalle straat terechtkwamen.
Dat verdachte – naar eigen zeggen – de fietser nooit heeft willen raken doet aan dit alles niet af. In de onderhavige zaak blijkt dat kort voor de botsing met de fietser, de remlichten van de auto oplichtten, hetgeen meebrengt dat verdachte kennelijk kort voor de botsing heeft geremd. Volgens het hof brengt dit – anders dan door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd – niet mee dat hieruit moet worden afgeleid dat is geprobeerd de aanrijding en het overrijden te voorkomen en het opzet van verdachte aldus ontbrak. Uit het rijgedrag van verdachte, nadat de fietser ten val was gekomen, komt immers een beeld naar voren dat voor hem het belang van de zwakkere verkeersdeelnemer kennelijk volkomen ondergeschikt is geweest aan zijn eigen belang om weg te komen en te voorkomen dat hij betrapt werd op het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.
Bovendien volgt uit artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 een “specifieke zorgplicht" voor degene die bij een verkeersongeval is betrokken, die inhoudt dat het is verboden om de plaats van een ongeval te verlaten als daardoor een ander in hulpeloze toestand wordt achtergelaten. Tegen deze achtergrond overweegt het hof dat op de betrokkene bij een ongeval de plicht rust te doen wat mogelijk is om ervoor te zorgen dat tijdig de noodzakelijke hulp wordt verschaft aan de andere betrokkene van het ongeval. Daaronder valt ook de plicht om zich na de botsing tijdig op de hoogte te stellen van wat met de betrokkene is gebeurd. Verdachte heeft zich niet op de hoogte gesteld van wat er direct na het ongeval met de fietser is gebeurd en heeft ook geen hulp geboden, terwijl verdachte blijkbaar wel in staat was na te denken en te voorkomen dat hij betrapt werd op het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Mede hierom meent het hof dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer [slachtoffer] (mede) als gevolg van het te lang uitblijven van hulpverlening zou komen te overlijden. Dat verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment is teruggegaan, omdat hij bezorgd was, en dat hij toen zag dat er een ambulance aanwezig was, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. De bewuste aanvaarding van een potentieel dodelijk ongeval was toen reeds geschied en dit kon verdachte niet meer terugdraaien.
Het hof is dus van oordeel dat de gedragingen van verdachte – in het bijzonder het rechtsaf slaan terwijl de fietser daar op de grond lag en het verlaten van de plaats ongeval – naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht zijn op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijk kans op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Feiten 2 en 3
Het hof volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezenverklaarde onder 2 en 3 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.
Deze opgave luidt als volgt.
Ten aanzien van feit 2:
 het proces-verbaal van bevindingen, p. 14 e.v.;
 de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 december 2025.
Ten aanzien van feit 3:
  • het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994, p. 141 e.v.;
  • een ander geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten een RDW-uitvraag, p. 143 e.v.;
 de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 december 2025.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1.
hij op
of omstreeks2 oktober 2022, te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met een door hem, verdachte, bestuurd voertuig (personenauto),
met hoge snelheidachter de fietsende [slachtoffer] is aan gereden en
/ofterwijl die [slachtoffer]
voor/achter, althansin de nabijheid van dat voertuig fietste,
gas heeft gegeven envervolgens met die personenauto
op/tegen
het lichaam van die [slachtoffer] en/ofde fiets van die [slachtoffer]
heeft ingestuurd en/ofis
(in)gereden, waardoor die [slachtoffer] ten val kwam
en/of (daardoor) onder dat voertuig van hem, verdachte, terecht kwamen
/of
-
(vervolgens
)met die personenauto over het
hoofd en/ofbovenlichaam
, althans het lichaamvan die, [slachtoffer] , is gereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij, als degene die
al dan nietals bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats 1] op
/aan[straat] en
/of[straat 2] , op
of omstreeks2 oktober 2022 de
(voornoemde
)plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist
of redelijkerwijs moest vermoeden,aan een ander
(te weten [slachtoffer]
)letsel en
/ofschade
(aan de fiets
)was toegebracht en
/ofdie [slachtoffer] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
3.
hij op
of omstreeks2 oktober 2022, te [plaats 1] , terwijl hij wist
of redelijkerwijs moest wetendat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een
of meercategorie
ënvan motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie
of categorieënwas afgegeven, op de weg, [straat] en
/of[straat 2] , als bestuurder een motorrijtuig,
(personenauto
), van die categorie
of categorieënheeft bestuurd.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, en dus aan verdachte oplegt een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, in combinatie met een rijontzegging voor de duur van drie jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Indien het hof komt tot een bewezenverklaring voor het onder 1 tenlastegelegde kan de ernst van het feit tot uitdrukking worden gebracht door een voorwaardelijke gevangenisstraf te combineren met de maximale taakstraf of een langere rijontzegging.
Subsidiair verzoekt de verdediging een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft als bestuurder van een auto een ernstig verkeersongeluk veroorzaakt en zich schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. Ondanks het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, is verdachte gaan rijden. Hij heeft zich hierbij niet aan de geldende verkeersregels gehouden, wat heeft geleid tot een reactie van het slachtoffer. Verdachte wilde verhaal halen bij het slachtoffer, maar door de wijze waarop verdachte met zijn auto heeft gehandeld, heeft hij zijn auto gebruikt als potentieel dodelijk wapen. Het slachtoffer heeft serieus letsel opgelopen door de gedragingen van verdachte. Bovendien heeft verdachte het slachtoffer vervolgens in hulpeloze toestand achtergelaten. De gedragingen van verdachte zijn op geen enkele wijze te rechtvaardigen.
Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor geweldsfeiten is veroordeeld en hiervoor gevangenisstraffen heeft uitgezeten. Daarnaast heeft verdachte meerdere keren een boete opgelegd gekregen wegens het overtreden van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Bovendien blijkt dat verdachte na onderhavig feit wederom in aanraking is gekomen met politie en justitie voor overtredingen van de Wegenverkeerswet, waaronder artikel 5 en (opnieuw) artikel 9.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 13 november 2025, waaruit blijkt dat het recidiverisico en letselschaderisico hoog worden ingeschat. De leefgebieden middelengebruik en verslaving en financiën worden als voornaamste criminogene factor aangemerkt ten tijde van het delict. Verdachte staat onder toezicht van [reclassering] onder het parketnummer 05-192766-24, waarbij verschillende bijzondere voorwaarden aan verdachte zijn opgelegd. De behandeling is voornamelijk gericht op verslavingsproblematiek en agressieregulatie. De behandelaren zien dat verdachte er weinig van profiteert omdat hij onvoldoende in staat is om te reflecteren op zijn eigen denkwijze en manier van handelen. [reclassering] is van mening dat een aanvullend reclasseringstoezicht van meerwaarde kan zijn, vanwege onder andere de hardnekkige verslavingsproblematiek. Hierbij wordt gewezen op de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole. [reclassering] adviseert om in te zetten op een voorwaardelijk strafdeel, waarbij verdachte zijn huidige traject kan continueren en waarbij er geanticipeerd kan worden op de recidiverisico’s.
Uit de aanvullende adviezen onder het parketnummer 05-192766-24 blijkt dat de klinische behandeling van verdachte bij [kliniek] voortijdig negatief is beëindigd door niet-meewerkend gedrag van verdachte. [kliniek] heeft aangegeven niet langer verder te willen met verdachte.
Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep laten weten dat hij begin volgend jaar opnieuw vader wordt en dat hij de komende periode vooral een goede vader voor zijn kinderen wil zijn. Ook heeft hij verteld dat hij de afgelopen periode vrijwilligerswerk gedaan heeft op een sportschool in [plaats 2] en dat zij daar tevreden over hem zijn en hij dat hij zijn werkzaamheden daar wil uitbouwen. Ook heeft hij naar voren gebracht dat het vele sporten hem goed doet en behulpzaam is bij het voorkomen van een terugval in zijn verslaving. Als hij weer terug naar de gevangenis zou moeten zou hij dit weer opnieuw moeten opbouwen.
Het hof begrijpt de wens van verdachte om niet weer terug naar de gevangenis te moeten, maar vanwege de ernst van de gepleegde strafbare feiten kan niet anders gereageerd worden dan met een gevangenisstraf van substantiële duur.
Alles afwegende komt het hof tot dezelfde gevangenisstraf als door de advocaat-generaal gevorderd, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het hof acht het – in tegenstelling tot de advocaat-generaal – daarnaast passend en geboden om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf meerdere bijzondere voorwaarden te verbinden. Het hof zoekt hierbij aansluiting bij het reclasseringsadvies van 13 november 2025, en zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd, met uitzondering van de bijzondere voorwaarde die ziet op de opname in een zorginstelling nu het hof dit vanwege de negatieve beëindiging van de klinische behandeling bij [kliniek] niet langer opportuun acht. Een proeftijd voor de duur van drie jaren is passend omdat uit de reclasseringsadviezen blijkt dat verdachte nog kan profiteren van een langer reclasseringstoezicht.
Ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof bovendien aan verdachte een rijontzegging voor de duur van drie jaren op te leggen – conform de vordering van de advocaat-generaal.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Wetsartikelen

De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • dat verdachte zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij IrisZorg Reclassering op het [adres] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • dat verdachte zich laat behandelen door IrisZorg Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • dat verdachte verblijft bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, indien de reclassering dat nodig acht en te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
  • dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van harddrugs en meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Ontzegt verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
3 (drie) jaren.
Aldus gewezen door
mr. K. Gilhuis, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. D.J. Stahlie, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 16 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.De paginanummers betreffen pagina’s van het dossier van de politie Districtsrecherche Gelderland-Zuid, dossiernummer ON4R022106, afgesloten d.d. 3 februari 2023 (aantal doorgenummerde bladzijden: 246), tenzij ander vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van 9 oktober 2022 , p. 18-19.
3.De Forensisch Medische Letselrapportage van 27 maart 2023, aanvullend procesdossier van Districtsrecherche Gelderland-Midden, dossiernummer ON4R022106, proces-verbaalnummer 124.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2022, p. 126-127.
5.Het proces-verbaal van bevindingen van 7 oktober 2022, p. 29.
6.Het proces-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2022, p. 74-79.
7.De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2025.