ECLI:NL:GHARL:2025:7983

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/76
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en waardevermindering door schade

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 3.007 is opgelegd. De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, maar wel vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend. Belanghebbende betwist de naheffingsaanslag en stelt dat bij de berekening van de afschrijving rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens schade van € 12.347. De Inspecteur heeft deze schade betwist en de bewijslast ligt bij belanghebbende. Tijdens de zitting heeft belanghebbende haar grief inzake de herleidingsmethode ingetrokken. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur voldoende gemotiveerd heeft betwist dat er schade was die een extra waardevermindering rechtvaardigde. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/76
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 8 december 2023, nummer ARN 22/3259 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 3.007.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen toegekend voor immateriële schade, proceskosten en het griffierecht.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft een uit Zweden afkomstige gebruikte personenauto van het merk Mercedes (Benz GLE-klasse Coupé 63 AMG S; hierna: de auto) gekocht. De datum van eerste toelating van de auto is 28 juli 2015.
2.2.
De auto is op 3 augustus 2020 door de RDW goedgekeurd. De kilometerstand bedroeg toen 39.542. Belanghebbende heeft op 4 augustus 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 8.816. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam4] van [bedrijf1] B.V. op 3 augustus 2020 opgesteld taxatierapport. De schouw van de auto door deze taxateur heeft op 8 juli 2020 plaatsgevonden. De kilometerstand beliep toen 36.174. In het taxatierapport is onder meer – op basis van een schadecalculatie – uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 12.347, welk bedrag voor 100% als waardevermindering in aanmerking is genomen.
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 11 augustus 2020 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De kilometerstand beliep toen 39.542. DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 8 september 2020 een rapport opgesteld. DRZ heeft geen schade aan de auto vastgesteld.
2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 3.007 aan belanghebbende opgelegd.
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 12 augustus 2020 plaatsgevonden.
2.6.
Belanghebbende heeft op 17 maart 2021 bezwaar tegen de naheffingsaanslag aangetekend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 maart 2022 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
2.7.
Het beroep daartegen heeft de Rechtbank in haar uitspraak van 8 december 2023 ongegrond verklaard. Wel heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen van immateriële schade, proceskosten en het griffierecht toegekend.
2.8.
Belanghebbende heeft op 27 december 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat bij het berekenen van de afschrijving rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens schade van € 12.347. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof haar grief inzake de herleidingsmethode uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

4.Beoordeling van het geschil

Tenaamstelling naheffingsaanslag en rechtsmiddelen
4.1.
Partijen hebben ter zitting van het Hof desgevraagd eensluidend verklaard dat het bezwaar, beroep en hoger beroep in deze zaak moet worden geacht te zijn ingediend door [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (belanghebbende). Het Hof zal partijen hierin volgen.
Omvang schade
4.2.
Anders dan belanghebbende betoogt, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof de door belanghebbende bepleite vermindering wegens schade (meer dan) voldoende gemotiveerd betwist. Alsdan rust op belanghebbende de bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.3.
Belanghebbende herhaalt in hoger beroep haar door de Rechtbank verworpen stelling dat de Inspecteur ten onrechte geen waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen. Gelet op haar taxatierapport, de daarin opgenomen foto’s en schadecalculatie en de in hoger beroep overgelegde foto’s, acht belanghebbende het bewijs inzake de gestelde waardevermindering wegens schade geleverd.
4.4.
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur en mede gelet op de door beide partijen overgelegde foto’s en gegeven toelichtingen – niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat ten tijde van het doen van de aangifte sprake is geweest van schade aan de auto op grond waarvan een (extra) waardevermindering in aanmerking zou moeten worden genomen. Over het gestelde door belanghebbende is twijfel blijven bestaan en dat werkt, zoals gezegd, in haar nadeel.
Slotsom
4.5
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht en/of proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.