ECLI:NL:GHARL:2025:7990

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/1156
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en proceskostenvergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 maart 2023. De rechtbank had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd van € 5.528, welke door de Inspecteur was verminderd tot € 4.547. De rechtbank kende ook proceskostenvergoedingen toe voor de bezwaarfase en de beroepsfase. Belanghebbende ging in hoger beroep, waarbij zij betoogde dat de handelsinkoopwaarde van de auto te laag was vastgesteld en dat er een schadevergoeding moest worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, maar dat de historische bruto BPM moest worden aangepast. Het Hof concludeerde dat de naheffingsaanslag moest worden verminderd tot € 2.729 en dat de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase moest worden verhoogd tot € 1.294. Tevens werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de naheffingsaanslag werd aangepast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1156
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,gevestigd te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 9 maart 2023, nummer ARN 22/299, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 5.528.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM verminderd tot € 4.547 en een proceskostenvergoeding toegekend van € 265.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep gegrond verklaard voor wat betreft de toegekende proceskostenvergoeding, de uitspraak op bezwaar voor het overige gehandhaafd, een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 592, een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toegekend van € 837, alsmede een vergoeding voor het griffierecht van € 360.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Mercedes-Benz GLA-klasse 250 4MATIC (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 4.285 aan BPM voldaan. Bij de aangifte van 3 november 2020 is een taxatierapport gevoegd waarin de schade is gecalculeerd op € 8.193. Deze schade is voor ongeveer 93% in mindering gebracht op de op basis van een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde.
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport met dagtekening 9 november 2020 opgemaakt. In dit rapport is, vanwege het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket, een bedrag van € 85 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd die na bezwaar is verminderd tot een bedrag van € 4.547.
2.3.
De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien met meer schade rekening te houden dan de Inspecteur heeft gedaan. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag gehandhaafd. Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Catalogusprijs
€ 49.519
BPM (CO2-uitstoot 166 gr/km)
15.651
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
65.17
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Eurotax)
35.571
Dealer- en marksituatie
-/- 4.803
Schade
-/- 85
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
30.683
Afschrijving
52,92%
Historische BPM (CO2-uitstoot 189 gr/km NEDC)
19.066
Afschrijving (52,92%)
-/- 10.090
= Verschuldigde BPM
8.976
Extra leeftijdskorting (0,917% * € 15.703)
-/- 144
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 4.285
Naheffingsaanslag
€ 4.547

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep:
i. i) dat de handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met € 7.625 wegens meer dan normale gebruiksschade;
ii) dat de Inspecteur ter bepaling van de historische bruto BPM ten onrechte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van NEDC 189 gr/km, in plaats van WLTP 189 gr/km;
iii) dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor bezwaar een te lage waarde per punt heeft toegekend;
iv) dat de Rechtbank bij het toekennen van de kostenvergoeding voor de beroepsfase niet wegingsfactor 0,5 had moeten hanteren, maar factor 1; en
v) dat wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep een schadevergoeding moet worden toegekend
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag en toekenning van vergoedingen. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Handelsinkoopwaarde; waardevermindering in verband met schade
4.1.
Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat op basis van het taxatierapport meer schade in aanmerking moet worden genomen dan waarvan de Inspecteur en de Rechtbank zijn uitgegaan. Aangezien belanghebbende in hoger beroep zijn standpunt onvoldoende nader heeft onderbouwd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel dan dat van de Rechtbank.
Historische BPM; CO2-uitstoot
4.2.
Op initiatief van belanghebbende heeft een aanpassing in het kentekenregister plaatsgevonden, waardoor daarin een CO2-uitstoot van de auto is vermeld van NEDC 169 gr/km en WLTP 189 gr/km. Gelet daarop is tussen partijen niet langer in geschil dat de historische bruto BPM alsdan € 14.986 bedraagt en dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 2.729. Het betoog van belanghebbende slaagt derhalve.
Proceskostenvergoeding bezwaarfase
4.3.
Gelet op het arrest HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060, is de Rechtbank wat betreft de bezwaarkostenvergoeding ten onrechte uitgegaan van de ‘lage’ puntwaarde uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Ook in zoverre is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.
4.4.
Bij de berekening van de bezwaarkostenvergoeding moet worden uitgegaan van de ‘hoge’ puntwaarde in bezwaar. Berekend naar het tarief van 2025 beloopt de vergoeding van de bezwaarkosten € 1.294 (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 647).
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
4.5.
De procedure in hoger beroep is op 28 maart 2023 aangevangen. De hogerberoepsfase is afgesloten met onderhavige uitspraak van 9 december 2025. De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve in totaal meer dan 2,5 jaar geduurd. De redelijke termijn van twee jaar is daarom met meer dan een half jaar overschreden. Nu bijzondere omstandigheden die een langere termijn zouden rechtvaardigen zijn gesteld noch gebleken, dient het bedrag van de immateriële schadevergoeding te worden berekend op twee maal € 500, ofwel € 1.000. De Staat zal daartoe worden veroordeeld.
Slotsom
Gelet op het overwogene in 4.2 en 4.3 is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548.
5.2.
Het Hof vindt bovendien aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.3.
Het Hof stelt de kosten voor verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.814 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 907) en € 1.814 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 907).
5.4.
Wat betreft de vergoeding voor de ‘comparitiefase’ in hoger beroep (zie onderdeel 1.6) ziet het Hof aanleiding artikel 2, lid 3, Bpb toe te passen. Het Hof heeft in die comparitiefase vele zaken (ongeveer honderd) gezamenlijk behandeld met het oog op het structureren van de vele aanhangige hogerberoepsprocedures van de gemachtigde en de Inspecteur door (te pogen om te komen tot) het maken van werkafspraken. De verschillende zaken zelf zijn daarbij niet inhoudelijk behandeld. In aanmerking genomen deze bijzondere omstandigheden, zou het vasthouden aan het forfaitaire puntensysteem van het Bpb voor de comparitiefase waarin twee zittingen zijn gehouden en verschillende stukken zijn gewisseld naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127). Daarom kent het Hof voor de comparitiefase per (samenhangende) zaak een vergoeding van € 400 toe.

6.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt de uitspraak de Rechtbank;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.729;
- voordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 1.294;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende voor de beroeps- en hogerberoepsfase tot een bedrag van € 4.028;
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden de bij de Rechtbank en het Hof betaalde griffierechten van respectievelijk € 360 en € 548; en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.