ECLI:NL:GHARL:2025:7996

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
23/3129
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en waardevermindering door schade

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, die op 10 november 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 5.773 heeft gehandhaafd. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag, die was opgelegd na een taxatie van de waarde van zijn Chevrolet Corvette. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en kende vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toe aan belanghebbende. In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde van de auto met € 9.218 moest worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 december 2025 geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van schade die in mindering moest worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Het Hof concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werden geen vergoedingen voor griffierecht of proceskosten toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/3129
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 10 november 2023, nummer ARN 22/1146, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 5.773.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag BPM gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard en vergoedingen voor proceskosten, griffierecht en immateriële schade toegekend van respectievelijk € 837, € 184 en € 500.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder in de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Chevrolet Corvette (hierna: de auto) op aangifte een bedrag van € 9.628 aan BPM voldaan. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd waarin de schade is gecalculeerd op € 12.804. Deze schade is voor 72% in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
2.2.
De Inspecteur heeft een ‘onderzoek waardebepaling’ laten doen door de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt. In dit rapport is geen bedrag vanwege schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag BPM opgelegd aan de hand van een afschrijving op basis van de tabel (73,496%). Deze naheffingsaanslag is als volgt berekend:
Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
145.205
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Eurotax )
46.66
Dealer- en marksituatie
Schade
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
46.66
Afschrijving (tabel)
73,496%
Historische BPM (CO2-uitstoot 285 gr/km)
58.109
Afschrijving (73,496%)
-/- 42.708
= Verschuldigde BPM
15.401
Extra leeftijdskorting
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 9.628
Naheffingsaanslag
€ 5.773
2.3.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag in stand gelaten en in dat verband onder meer overwogen dat de naheffingsaanslag niet op basis van de zogenoemde herleidingsmethode kan worden verminderd.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de handelsinkoopwaarde met € 9.218 (72% van € 12.804) moet worden verminderd wegens meer dan normale gebruiksschade.
3.3.
Verder heeft belanghebbende betoogd dat bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto (ook) kan worden uitgegaan van de koerslijst van Eurotax minus 15% bijstelling markt- en dealersituatie. Ter zitting heeft belanghebbende erkend dat dit betoog alleen tot een lagere naheffingsaanslag kan leiden, als ook schade in aanmerking wordt genomen.
3.4.
Verder heeft belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk afgezien van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.5.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Taxatiemethode; waardevermindering in verband met schade
4.1.
In het rapport van DRZ (zie 2.2) is vermeld dat alle door belanghebbende opgegeven schade niet is aangetroffen of als gebruikersschade kan worden aangemerkt. In het licht van deze bevindingen heeft belanghebbende, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat op basis van zijn taxatierapport schade in aanmerking moet worden genomen.
4.2.
In belanghebbendes taxatierapport zijn de reparatiekosten gecalculeerd op een bedrag van € 12.804. Daarvan is 72% als schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Ter onderbouwing van deze reparatiekosten heeft belanghebbende nadien twee facturen ingebracht. In de factuur van 26 juli 2020 - ten bedrage van € 8.324 - is vermeld dat deze factuur betrekking heeft op ‘schades herstellen, schoonmaken, inplakken, spuiten, uitpakken en nawerk.’. Als referentie is vermeld ‘Chevrolette cor …’. In de factuur van ‘5/12/2020’ – ten bedrage van USD 994 – is als omschrijving vermeld ‘aerodynamic body kit – splitter/side skirts/spoiler’. Naar het oordeel van het Hof zijn de omschrijvingen in beide facturen niet te herleiden tot de in het taxatierapport opgegeven herstelwerkzaamheden. Bovendien blijkt uit de eerste factuur evenmin dat deze factuur betrekking heeft op de onderhavige auto. Gelet daarop is belanghebbende niet in zijn bewijslast geslaagd en faalt zijn betoog dat sprake is van waardevermindering wegens schade.
4.3.
Nu geen schade in aanmerking wordt genomen, behoeft belanghebbendes betoog inzake de koerslijst van Eurotax minus 15% minus bijstelling markt- en dealersituatie (zie 3.3) geen behandeling.
Slotsom
Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding vergoedingen voor griffierecht of proceskosten toe te kennen.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(J.W.J. de Kort) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.