Belanghebbende is eigenaar van twee onroerende zaken: een restaurant met zalencentrum en een pand in gebruik als dansschool. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden van deze panden per peildatum 1 januari 2020 vast op respectievelijk €580.000 en €245.000, met bijbehorende aanslagen onroerendezaakbelasting voor 2021.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardebepalingen, maar de heffingsambtenaar handhaafde de beschikkingen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank Gelderland, die het beroep ongegrond verklaarde maar wel proceskosten en immateriële schade aan belanghebbende toekende, evenals vergoeding van het griffierecht.
Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na onderzoek ter zitting op 3 september 2025, waarbij gemachtigde en vertegenwoordigers van de heffingsambtenaar verschenen, oordeelde het Hof dat de Rechtbank op goede gronden had beslist. Het Hof volgde de eerdere overwegingen en wees het hoger beroep af. Vergoedingen voor proceskosten en griffierecht werden niet toegekend.
De uitspraak werd op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken door voorzitter R.A.V. Boxem, met griffier dr. J.W.J. de Kort. Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.