ECLI:NL:GHARL:2025:8037

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
21-005271-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak opzettelijke vrijheidsberoving en veroordeling voor dwang in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 21 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De verdachte is vrijgesproken van de primair tenlastegelegde opzettelijke vrijheidsberoving, maar is wel veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit van dwang. Het hof oordeelt dat de verdachte gedurende vijftien seconden de medewerkers van de jeugdbescherming heeft belemmerd om de woning te verlaten, wat voldoende is voor een veroordeling op basis van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte had hen niet alleen fysiek belemmerd, maar ook in een dreigende sfeer aangegeven zich niet te laten commanderen in zijn eigen huis. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn integraal toegewezen, maar de vorderingen tot schadevergoeding zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat onvoldoende bewijs van geestelijk letsel is geleverd. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, en de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf is met één jaar verlengd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005271-24
Uitspraakdatum: 21 november 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 november 2024 met parketnummer 18-212904-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-234855-22, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vrijspraak van het aan verdachte primair tenlastegelegde feit (opzettelijke vrijheidsberoving);
  • veroordeling van verdachte van het aan hem subsidiair tenlastegelegde feit (dwang) tot een taakstraf voor de duur van veertig uren;
  • integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
  • integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling, in de vorm van tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.S. Scheffers, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
  • verdachte ter zake van het aan hem primair tenlastegelegde feit (opzettelijke vrijheidsberoving) vrijgesproken;
  • verdachte ter zake van het aan hem subsidiair tenlastegelegde feit (dwang) veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] integraal toegewezen voor het bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] integraal toegewezen voor het bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • de vordering na voorwaardelijke veroordeling afgewezen.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 april 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] opzettelijk [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] wederrechtelijk van de/hun vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] tegen zijn/hun wil te belemmeren om weg te gaan, althans te verhinderen zich te verwijderen uit de woning aan de [adres] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij op of omstreeks 17 april 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, te weten die [benadeelde 2] en/of die [benadeelde 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1] tegen zijn/hun wil te belemmeren zich te verwijderen uit de woning aan de [adres] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bewijsoverweging met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde feit
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er is geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . De verklaringen van hen moeten als uitgangpunt worden genomen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter zitting van het hof bepleit dat verdachte van het subsidiair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op onderdelen als niet betrouwbaar dienen te worden bestempeld en deze niet bruikbaar zijn als bewijsmiddel. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat het voor [benadeelde 2] en [benadeelde 1] mogelijk was om de woning te verlaten, omdat de deur niet op slot zat. [benadeelde 2] en [benadeelde 1] waren in de meerderheid ten opzichte van verdachte. Voor dwang is meer nodig dan ruim tien seconden in de weg staan.
Oordeel van het hof
Uit het strafdossier [1] en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , jeugdbeschermers namens [instantie] , op 17 april 2024 bij verdachte thuis zijn geweest, aan de [adres] , voor een gesprek in het kader van de ondertoezichtstelling van zijn kinderen. Vervolgens zijn zij gedrieën om de tafel in de woonkeuken gaan zitten. Op enig moment is door [benadeelde 2] en [benadeelde 1] besloten om het gesprek door de wending die het gesprek nam te beëindigen en om het gesprek op een ander moment voort te zetten. Uit de verklaring van [benadeelde 2] volgt dat verdachte een agressief assertieve instelling had, dat verdachte hen niet liet uitspreken en dat hij persoonlijke opmerkingen richting [benadeelde 2] en [benadeelde 1] maakte. [benadeelde 2] stond vervolgens op om zich richting de voordeur te begeven waar ook zijn schoenen stonden. De hal was via een doorgang vanuit de woonkeuken te bereiken. Verdachte ging op dat moment vijftien centimeter voor [benadeelde 2] staan. Verdachte had geen goed woord over hen over en gaf aan dat zij hun werk niet goed deden. Na een korte periode waarin [benadeelde 2] een paar keer had gevraagd of verdachte aan de kant wilde gaan stappen zodat hij erlangs kon, kon [benadeelde 2] zich langs hem wurmen. [benadeelde 2] liep naar zijn schoenen, waarna hij en [benadeelde 1] hun schoenen aantrokken. [benadeelde 2] zag dat verdachte voor de uitgang (
het hof begrijpt: de voordeur) ging staan. Daardoor konden zij niet meer van die deur gebruikmaken. [benadeelde 2] verzocht verdachte meerdere keren om aan de kant te stappen zodat zij er langs konden. [benadeelde 2] probeerde de deurklink te pakken, waarna hij zag dat verdachte plotseling met zijn lichaam en zijn armen voor zich een uitval in zijn richting deed. Verdachte zei daarbij: “Je moet niet aan me komen“. Verdachte kwam daarbij tegen [benadeelde 2] aan. [benadeelde 2] kreeg een duw tegen zijn borst. Vervolgens ging verdachte weer voor de deur staan. [benadeelde 2] probeerde verdachte rustig te krijgen maar hij bleef hoog in zijn emotie. [benadeelde 2] heeft verdachte herhaaldelijk gevraagd om hen erdoor te laten. . [2]
In het dossier bevindt zich voorts een aanvullend stuk, bestaande uit een transcriptie van het laatste deel van het gesprek tussen [benadeelde 2] , [benadeelde 1] en verdachte op 17 april 2024. Daaruit volgt dat op 16:50 partijen opstaan van de tafel. Daarna zegt verdachte tegen [benadeelde 2] om 16:54 dat hij voor hem staat en hij hem nu een vraag stelt. Vervolgens vraagt verdachte drie seconden later aan [benadeelde 2] of hij nu echt weggaat, waarna [benadeelde 2] wegloopt. Op 17:10 is uit de opname af te leiden dat [benadeelde 2] zijn schoenen aantrekt en is verdachte aan het woord. [benadeelde 1] zegt tegen verdachte op 18:06 dat het gesprek nu klaar is. Vervolgens vraagt [benadeelde 1] aan verdachte op 18:24 of hij de deur wil opendoen. Verdachte antwoordt op 18:25 dat hij de deur wel open doet. Eén seconde later zegt [benadeelde 1] : “nu”. Op 18:28 vraagt verdachte aan [benadeelde 2] of hij gewoon een antwoord wil geven op zijn vraag. [benadeelde 1] zegt op 18:29: “ [verdachte] , nu”. Verdachte reageert op 18:30 door te zeggen dat hij zich niet laat commanderen in zijn eigen huis. Op 18:31 zegt verdachte dat hij afstand houdt tot [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Daarna zegt verdachte op 18:35 dat hij gewoon antwoord kan geven. Voorts gaat de deur open op 18:40 en slaat de deur op 18:50 dicht. [3]
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij met de deurklink in zijn linkerhand bij de deur heeft gestaan voor [benadeelde 2] en [benadeelde 1] . [4]
Betrouwbaarheid van de verklaringen
Het hof stelt vast dat de enkele omstandigheid dat [benadeelde 2] in zijn verklaring heeft aangegeven dat het hen belemmeren om de woning te verlaten enkele minuten heeft geduurd, terwijl uit de uitwerking van het geluidsfragment is gebleken dat het om vijftien seconden gaat, niet de conclusie leiden dat de aangifte daarom als onbetrouwbaar is aan te merken. Het hof acht de verklaring van aangever [benadeelde 2] , bij gebrek aan redenen om daaraan te twijfelen, betrouwbaar. Bovendien vindt de verklaring van aangever steun in de uitwerking van het geluidsfragment, waarin de door [benadeelde 2] beschreven gedragingen worden bevestigd.
Aangezien het hof niet de verklaring van [benadeelde 1] voor het bewijs gebruikt, behoeft het verweer van de raadsman met betrekking tot de betrouwbaar van zijn verklaring geen nadere bespreking.
Vereisten voor dwang
Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat het voor [benadeelde 2] en [benadeelde 1] mogelijk was om de woning te verlaten, omdat de deur niet op slot zat. [benadeelde 2] en [benadeelde 1] waren in de meerderheid ten opzichte van verdachte. Voor dwang is meer nodig dan ruim tien seconden in de weg staan.
Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte gedurende vijftien seconden [benadeelde 2] en [benadeelde 1] heeft belemmerd om zijn woning te verlaten. Verdachte heeft op 18:25 van de opname toegezegd de deur te openen, waarna hem enkele seconden later meermalen door [benadeelde 1] is gevraagd om de deur te openen en waarbij verdachte in een dreigende sfeer heeft aangegeven zich niet te laten commanderen in zijn eigen huis. Vervolgens is de deur op 18:40 opengedaan, vijftien seconden later nadat verdachte dit had toegezegd. Het hof leidt uit de transcriptie van het gesprek, in combinatie met de verklaring van [benadeelde 2] en de verklaring van verdachte ter zitting van het hof af dat hij gedurende vijftien seconden voor [benadeelde 2] en [benadeelde 1] is gaan staan met de deurklink in de linkerhand, zodat het voor hen onmogelijk was om de woning te verlaten. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is naar het oordeel van het hof het gedurende vijftien seconden niet willen openen van de deur waarmee [benadeelde 2] en [benadeelde 1] werden belemmerd om de woning te verlaten tegen de achtergrond van de redenen waarom het gesprek met verdachte door [benadeelde 2] en [benadeelde 1] was beëindigd, een periode van voldoende duur in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiair
hij op 17 april 2024 te Hoogezand [benadeelde 2] en [benadeelde 1] door enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, [benadeelde 2] en [benadeelde 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden door die [benadeelde 2] en [benadeelde 1] tegen hun wil te belemmeren zich te verwijderen uit de woning aan de [adres] .
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:
een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets niet te doen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
  • de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke gepleegde feiten worden opgelegd;
  • de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dwang. Verdachte heeft twee gezinsvoogden van [instantie] , die in het kader van hun werk als hulpverlener bij hem langskwamen voor een gesprek over zijn kinderen, gedurende een periode belemmerd om zijn woning te verlaten. Verdachte is bij de voordeur gaan staan met de deurklink in zijn hand en heeft ondanks meerdere verzoeken geweigerd om de deur te openen. Aangevers hebben zich daardoor angstig en onveilig gevoeld. Verdachte heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op hun persoonlijke vrijheid.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:
- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van
30 september 2025, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake van een andersoortig strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld. Daarnaast houdt het hof rekening met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;
  • de inhoud van het reclasseringsrapport van 18 november 2024. Daaruit is gebleken dat verdachte beschikt over huisvesting, dagbesteding en inkomen. Verdachte heeft een positief sociaal netwerk en draagt bij aan de zorg voor zijn kinderen. De reclassering maakt zich zorgen over de verstoorde verhouding tussen verdachte en zijn ex-partner. Er is hulpverlening betrokken die gericht is op de kinderen;
  • de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte omgang heeft met zijn kinderen, maar dat het contact met zijn ex-partner moeizaam verloopt.
Het hof heeft op de zitting niet de indruk gekregen dat verdachte het laakbare van zijn handelen inziet. Alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien, acht het hof – evenals de advocaat-generaal – een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag integraal toegewezen.
Het hof overweegt als volgt:
De benadeelde partij stelt in het verzoek tot schadevergoeding dat het handelen van verdachte heeft geleid tot een aantasting in de persoon "op andere wijze" als bedoeld in artikel 6:106 BW. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de in dit artikel bedoelde aantasting in de persoon "op andere wijze" in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de betreffende aantasting in de persoon op "andere wijze" sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon "op andere wijze" is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel.
Naar het oordeel van het hof zijn de door de benadeelde partij gestelde gevolgen, te weten het ervaren van herbelevingen, het krijgen van een naar gevoel als hij naar de woonplaats van verdachte reist en het plaatsen van camera’s bij zijn huis, gelet op de aard en ernst van de normschending onvoldoende ernstig om deze als een aantasting in de persoon op "andere wijze" te kunnen aanmerken. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de immateriële schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Het hof zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,00 ingediend, bestaande uit immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag integraal toegewezen.
Het hof overweegt als volgt:
De benadeelde partij stelt in het verzoek tot schadevergoeding dat het handelen van verdachte heeft geleid tot een aantasting in de persoon "op andere wijze" als bedoeld in artikel 6:106 BW. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van de in dit artikel bedoelde aantasting in de persoon "op andere wijze" in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de betreffende aantasting in de persoon op "andere wijze" sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon "op andere wijze" is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel.
Naar het oordeel van het hof zijn de door de benadeelde partij gestelde gevolgen, bestaande uit alerter zijn en het scannen van de omgeving, gelet op de aard en ernst van de normschending onvoldoende ernstig om deze als een aantasting in de persoon op "andere wijze" te kunnen aanmerken. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de immateriële schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Het hof zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering tot tenuitvoerlegging parketnummer 18-234855-22

In de zaak met parketnummer 18-234855-22 is verdachte door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van 54 dagen, met een proeftijd van drie jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf van 54 dagen. De politierechter in eerste aanleg heeft de vordering tenuitvoerlegging afgewezen. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Ter zitting heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling gedeeltelijk wordt toegewezen, in de vorm van tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen.
Het hof heeft in beginsel alle redenen om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen, aangezien verdachte een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd voor het einde van de proeftijd.
Echter, op grond van wat over verdachte ter zitting van het hof is gebleken zal het hof de bij voormeld vonnis vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar verlengen. Met een dergelijke afdoening van de vordering tot tenuitvoerlegging wordt in voldoende mate rekening gehouden met de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63 en 284 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2023, onder parketnummer 18-234855-22, met een termijn van 1 (één) jaar.
Aldus gewezen door
mr. M.C. Fuhler, voorzitter,
mr. A.H. toe Laer en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A.G. van Essen, griffier,
en op 21 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoelt het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar doorgenummerde paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, met dossiernummer PL0100-2024101634 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 33;
2.Proces-verbaal van aangifte [benadeelde 2] , pagina 5 en 6.
3.Een schriftelijk bescheid, te weten de ‘Transcriptie laatste deel gesprek 17-04-2024’;
4.De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 7 november 2025;