ECLI:NL:GHARL:2025:8043

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
21-005685-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor oplichting van minderjarig slachtoffer met schadevergoeding

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een veroordeling van een verdachte voor oplichting van een minderjarig slachtoffer. De verdachte was eerder door de politierechter veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. De politierechter had ook een schadevergoeding van € 2.095,67 toegewezen aan de benadeelde partij. Het hof heeft het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting door zich voor te doen als een bonafide verkoper op Marktplaats en geldbedragen te vragen onder valse voorwendselen. De verdachte heeft in de periode van 1 juni 2018 tot en met 21 juni 2018 meerdere keren geld overgemaakt gekregen van het slachtoffer, dat destijds 17 jaar oud was. Het hof heeft geoordeeld dat er geen termen aanwezig zijn om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, met een proeftijd van één jaar. Daarnaast is de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen, met wettelijke rente vanaf 19 juni 2018. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en dat de oplichting ernstige gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005685-23
Uitspraakdatum: 15 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 5 december 2023 met parketnummer 18-103948-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • de bevestiging van het vonnis van de politierechter, met aanvulling van één grond en met uitzondering van de strafoplegging;
  • het schuldig verklaren van verdachte voor – kort gezegd: oplichting - zonder oplegging van straf of maatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de gemachtigde raadsman van verdachte,
mr. R. Oude Breuil, en de benadeelde partij, [benadeelde] , hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 5 december 2023 verdachte veroordeeld voor oplichting tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toegewezen, bestaande uit een bedrag van € 2.095,67. Deze vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de politierechter heeft ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof komt in dit arrest op basis van een in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging tot een andere bewezenverklaring dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter en in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijzigingen ten laste gelegd dat:
primairhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2018 tot en met 30 juni 2018 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst,
het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten (telkens) een hoeveelheid geld van in totaal ongeveer 2025,67 euro, door
- zich voor te doen als bonafide verkoper genaamd ' [naam] ', althans een ander persoon, en in die valse hoedanigheid vervolgens op Marktplaats een advertentie te plaatsen waarin hij, verdachte, een speaker te koop aanbiedt, waarna hij, verdachte, na betaling door voornoemde [benadeelde] deze speaker niet levert, en/of
- zich voor te doen als ' [naam] ' en/of ' [naam] ', althans een ander persoon, en/of via Whatsapp berichten aan die [benadeelde] te versturen, inhoudende (onder meer) dat de verzendkosten niet betaald konden worden vanwege een incasso op de rekening van [naam] en/of dat de telefoon van [naam] beschadigd was en gerepareerd moest worden en/of dat [naam] en/of [naam] met een taxi en/of een nachtbus en/of een trein moesten reizen en/of dat [naam] een of meer boetes had gekregen en/of dat de hond medicijnen en/of een behandeling nodig had,
met daarbij het verzoek om meerdere geldbedragen over te maken naar hem, verdachte, en/of de rekening van [naam] en/of daarbij foto’s van overboekingen naar de rekening van die [benadeelde] en/of van (een) hond(en) en/of van een trein en/of van een behandelkamer te sturen;
subsidiairhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2018 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 2025,67 euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 2025,67 euro) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Recht op een eerlijk proces – artikel 6 EVRM
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in eerste aanleg is geschonden. De raadsman heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de officier van justitie pas tijdens het requisitoir op 5 december 2023 met een aanvullend belastend processtuk is gekomen, terwijl het ten laste gelegde feit al dateert van juni 2018. Het betreffende stuk is in de tussentijd niet eerder aan de verdediging verstrekt. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de politierechter op 5 december 2023 de behandeling van de strafzaak van de medeverdachte diezelfde dag heeft afgewacht en pas nadien uitspraak heeft gedaan in beide zaken. Doordat de strafzaak van verdachte niet gelijktijdig is behandeld met de strafzaak van de medeverdachte, heeft de verdediging niet kunnen reageren op hetgeen heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de medeverdachte en nog belangrijker; daarmee is ook niet uit te sluiten dat de overtuiging van de politierechter ten aanzien van de vrijspraak van de medeverdachte (nadelige) gevolgen heeft gehad voor de beoordeling en bewezenverklaring in de strafzaak tegen verdachte. Omdat de inhoudelijke behandeling bij het hof het vorenstaande niet recht trekt, verzoekt de raadsman het hof de zaak terug te wijzen naar de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Desgevraagd heeft de raadsman geen wettelijke grondslag voor terugwijzing in dit kader genoemd.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal stelt zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat er sprake is geweest van een eerlijk proces en dat er geen reden bestaat om de zaak terug te wijzen naar de politierechter.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat in deze zaak geen sprake is van een situatie waarin de politierechter op formele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling had kunnen toekomen (artikel 422a van het Wetboek van Strafvordering) zodat op basis van de wet voor terugwijzing geen grond bestaat.
Daarbij geldt dat een hoger beroepsprocedure juist bij uitstek de gelegenheid biedt een voorliggende strafzaak in volle omvang aan een ander rechtscollege voor te leggen waarna beraadslaging op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering plaatsvindt (mede) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de aldaar al dan niet gevoerde verweren (in verband met bijvoorbeeld schending van een eerlijk proces). Ook om die reden bestaat geen aanleiding voor terugwijzing.
Ten overvloede overweegt het hof ten aanzien van de door de raadsman naar voren gebrachte schendingen van het recht op een eerlijk proces nog als volgt.
Het recht op een eerlijk proces houdt onder meer in dat het Openbaar Ministerie de verdediging op de hoogte moet stellen van materiaal dat zowel ten gunste als ten nadele van verdachte gebruikt kan worden. De verdediging dient vervolgens de tijd te krijgen om zich voor te bereiden. Hoeveel tijd hiertoe volstaat, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de aard van de verdenking en de hoeveelheid en de complexiteit van de aan de verdediging verstrekte informatie.
Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg is alleen de gemachtigd raadsman van verdachte verschenen. De officier van justitie heeft tijdens het requisitoir een aanvullend proces-verbaal overgelegd, inhoudende twee pagina’s uit een verhoor van verdachte van 22 juni 2018. Het verhoor is afkomstig uit een andere strafzaak tegen verdachte en het gevoegde stuk behelst een aantal vragen uit een sociaal verhoor. Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg blijkt dat de raadsman zich heeft verzet tegen de voeging van dit verhoor in het dossier. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat hij zich hierop niet heeft kunnen voorbereiden en het verhoor niet met verdachte heeft kunnen bespreken. Verder blijkt uit voornoemd proces-verbaal dat de raadsman geen behoefte heeft gehad aan een korte onderbreking.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken geen schending van het recht op een eerlijk proces oplevert en overweegt hiertoe als volgt. Tot het moment van de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting kunnen zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging met nieuwe stukken ter voeging komen. In de onderhavige zaak zijn tijdens het requisitoir aan de verdediging twee pagina’s verstrekt die op zichzelf geen complexe of verrassende informatie bevatten. Het gaat om een door verdachte zelf genoemd telefoonnummer waarop hij destijds zou zijn te bereiken. Daarbij komt dat de politierechter de verdediging vervolgens de gelegenheid heeft geboden de zitting kort te onderbreken om het stuk nader te bestuderen of bijvoorbeeld contact op te nemen met de niet ter zitting verschenen verdachte, zo kan het hof zich voorstellen. Hiervan heeft de raadsman echter geen gebruik gemaakt. Verder heeft hij ook niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een aanhoudingsverzoek te doen, om zo het verstrekte verhoor op een later moment met verdachte te kunnen bespreken. Onder die gegeven omstandigheden, kan met de weliswaar late voeging van het aanvullende proces-verbaal, niet worden gesproken van een schending van het recht op een eerlijk proces.
Dat de strafzaak van verdachte in eerste aanleg niet gelijktijdig is behandeld met de strafzaak van de medeverdachte, maakt ook niet dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces. In het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg staat dat de politierechter het onderzoek in de strafzaak van verdachte heeft gesloten. Hoewel de daaropvolgende passage: “De zitting wordt vervolgens onderbroken”, tot verwarring kan leiden, blijkt uit het proces-verbaal niet dat de politierechter het onderzoek op enig moment weer heeft heropend. Het hof gaat er daarom vanuit dat de politierechter het onderzoek heeft gesloten na de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte. Dat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van de medeverdachte mogelijk van invloed is geweest op de beoordeling van de strafzaak van verdachte, is slechts een aanname van de verdediging. Concrete aanwijzingen hiervoor zijn niet aangedragen en blijken overigens ook niet uit het dossier. Ook deze gang van zaken leidt dus niet tot een schending van het recht op een eerlijk proces.

Bewijsoverweging

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft – wanneer door het hof aan een inhoudelijke behandeling wordt toegekomen – vervolgens vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring van het primair (kort gezegd: medeplegen van oplichting) en subsidiair (medeplegen van witwassen) tenlastegelegde te kunnen komen.
Oordeel van het hof
Het hof komt tot een bewezenverklaring van oplichting. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Als cassatie wordt ingesteld, neemt het hof de redengevende bewijsmiddelen op in een aanvulling op dit arrest.
Daarbij is het volgende van belang.
Oplichting
Aangever [benadeelde] , destijds zeventien jaar, zag op 13 juni 2018 een Marktplaatsadvertentie voor een geluidsspeaker van JBL. Via het telefoonnummer [nummer] kreeg hij vervolgens appcontact met ene [naam] . [naam] vertelde hem dat zij het pakketje op de post zou doen, waarop aangever € 90,- heeft overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer 1] op naam van [naam] / [naam] . Aangever is vervolgens in contact gekomen met de vriend van [naam] , genaamd [naam] . Dit contact verliep via het telefoonnummer [nummer] . In de periode van 13 juni 2018 tot en met 19 juni 2018 is aangever vervolgens in het contact met voornoemde telefoonnummers in gebruik bij ‘ [naam] ’ en de vriend van [naam] ‘ [naam] ’ bewogen meerdere keren geld over te boeken tot in totaal € 2.095,67. De verzoeken aan aangever om geld over te maken werden steeds gedaan onder de belofte dat die bedragen zo snel mogelijk zouden worden terugbetaald, of al terugbetaald waren en zouden te maken hebben met onverwachte reiskosten gemaakt door [naam] en/of [naam] , kosten in verband met een spoedbezoek aan de dierenarts, noodzakelijke medicatie voor de hond en het activeren van een creditcard. Daarbij werd in een aantal gevallen ook een foto meegestuurd van iemand met een hond, een behandelkamer van een dierenarts en screenshots van ‘overboekingen’ in verband met terugbetalingen naar de rekening van aangever.
Het hof stelt op basis van het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 22 juni 2018 vast dat het telefoonnummer [nummer] aan verdachte is verbonden. Aangever heeft via dit telefoonnummer contact gehad met ene [naam] . Verdachte heeft zelf de voornaam [naam] . Daarnaast werd op enig moment dat telefoonnummer opgenomen door iemand met een mannelijke stem. Het telefonische contact heeft onder meer plaatsgevonden op 21 juni 2018. Verdachte heeft op 22 juni 2018, en dus welgeteld één dag later, tegenover de politie verklaard dat de politie op voornoemd telefoonnummer met verdachte in contact kon komen. Ten slotte heeft ‘ [naam] ’ via dat telefoonnummer op enig moment een aanvraag voor een creditcard op naam van [verdachte] , de achternaam van verdachte, met aangever gedeeld. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte via het telefoonnummer [nummer] met de aangever heeft gecommuniceerd.
Dat verdachte daarnaast ook met aangever heeft gecommuniceerd vanaf het telefoonnummer [nummer] , blijkt uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft verklaard dat zij tot 21 juni 2018 samenwoonde met verdachte en dat verdachte in die tijd haar telefoon, met het telefoonnummer [nummer] , gebruikte. Daarnaast heeft [medeverdachte] verklaard dat verdachte in die tijd in het bezit was van haar bankpas en pincode. Het hof ziet – mede in het licht van de overige dossierstukken - geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte degene is geweest die in de periode van 1 juni 2018 tot en met 21 juni 2018 via de telefoonnummers [nummer] en [nummer] contact heeft gehad met aangever en zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde oplichting.
Met de politierechter is het hof van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een bewezenverklaring van medeplegen. Niet blijkt dat er uitvoeringshandelingen zijn verricht door (een) ander(en) dan verdachte. Evenmin blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (een) ander(en). Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van het ten laste gelegde medeplegen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
primairhij in de periode van 1 juni 2018 tot en met 21 juni 2018 te [plaats] en [plaats] ,
althans in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of
door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten
een hoeveelheid geld, door
- zich voor te doen als bonafide verkoper genaamd ' [naam] ' en in die valse hoedanigheid vervolgens op Marktplaats een advertentie te plaatsen waarin hij, verdachte, een speaker te koop aanbiedt, waarna hij, verdachte, na betaling door voornoemde [benadeelde] deze speaker niet levert, en
- zich voor te doen als [naam] ' en ' [naam] ', en via Whatsapp berichten aan die [benadeelde] te versturen, inhoudende onder meer dat de verzendkosten niet betaald konden worden vanwege een incasso op de rekening van [naam] en dat de telefoon van [naam] beschadigd was en gerepareerd moest worden en dat [naam] en [naam] met een taxi en/of een nachtbus en/of een trein moesten reizen en dat [naam] een of meer boetes had gekregen en dat de hond medicijnen en/of een behandeling nodig had,
met daarbij het verzoek om meerdere geldbedragen over te maken naar hem, verdachte, en/of de rekening van [naam] en daarbij foto’s van overboekingen naar de rekening van die [benadeelde] en van (een) hond(en) en van een trein en van een behandelkamer te sturen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
Oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in 2020 een
zogenaamde ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen. Als de onderhavige zaak hierin was meegenomen, dan was dit niet van invloed geweest op de strafmaat.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich in de maand juni van het jaar 2018 schuldig gemaakt aan de oplichting van een destijds minderjarig slachtoffer. Dat het slachtoffer 17 jaar was, was verdachte in ieder geval op enig moment in de bewezen verklaarde periode duidelijk. Ook daarna heeft hij de oplichting voortgezet. Verdachte heeft op gewiekste wijze, door dwang en druk uit te oefenen op het jonge slachtoffer, misbruik gemaakt van zijn behulpzaamheid en vertrouwen. Op deze wijze is in kort tijdsbestek in totaal € 2.095,67 van hem ontvreemd. Verdachte heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om de impact die zijn handelwijze op het slachtoffer heeft gehad en heeft uitsluitend zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad. Slachtoffers van oplichting blijven vaak niet alleen achter met financiële schade, maar ook met een gevoel van schaamte en een ernstig aangetast vertrouwen in anderen. Verdachte heeft tot en met de zitting in hoger beroep ontkend iets met de oplichting te maken te hebben gehad en is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep ter zitting verschenen. Verdachte heeft zo bezien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 28 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Kennelijk hebben die eerdere veroordelingen geen indruk gemaakt op verdachte. Verder blijkt uit het strafblad dat verdachte na de bewezenverklaarde feiten is veroordeeld wegens het plegen van andere strafbare feiten.
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door de raadsman van verdachte naar voren zijn gebracht en zoals deze ook blijken uit het dossier. De raadsman heeft op de zitting in hoger beroep namens verdachte aangegeven dat de situatie van verdachte inmiddels door de inzet van de voornoemde ISD-maatregel gestabiliseerd is. Verdachte heeft werk, woont samen met zijn partner en is onlangs vader geworden. Het hof ziet bevestiging in deze positieve kentering, nu verdachte sinds hij de ISD-maatregel heeft doorlopen, geen nieuwe strafbare feiten meer heeft gepleegd.
Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar, passend en noodzakelijk. De voorwaardelijke taakstraf dient als stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. Gelet op het tijdsverloop in deze zaak, acht het hof een proeftijd van één jaar toereikend.
Anders dan de verdediging en de advocaat-generaal, acht het hof geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het schuldig verklaren van verdachte zonder daarbij een straf of maatregel op te leggen, doet geen recht aan de ernst van het feit en de hiervoor genoemde omstandigheden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.095,67 ingediend, bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij, [benadeelde] , rechtstreeks schade heeft geleden door het onder primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De gevorderde schade is door de verdediging inhoudelijk niet gemotiveerd betwist. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Wettelijke rente
Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade bepalen op 19 juni 2018, de dag van de laatste bankoverschrijving.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.095,67 (tweeduizend vijfennegentig euro en zevenenzestig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.095,67 (tweeduizend vijfennegentig euro en zevenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 juni 2018.
Aldus gewezen door
mr. R. Godthelp, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. mr. J.A.M. Kwakman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.A. van der Zwaag, griffier,
en op 15 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.