In deze ontnemingszaak heeft het hof het hoger beroep behandeld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland. De betrokkene was in de onderliggende strafzaak veroordeeld voor hennepteelt en diefstal van elektriciteit. De advocaat-generaal vorderde een ontnemingsbedrag van €75.365,78, gebaseerd op drie voltooide hennepteeltcycli en een kasopstelling.
De verdediging betwistte de omvang van het voordeel uit de hennepteelt en voerde aan dat niet vaststaat dat er meer dan één oogst was. Ook werd betoogd dat slechts een deel van het kasopstellingsbedrag niet door legale inkomsten werd verklaard. Het hof oordeelde dat het voordeel uit de kasopstelling niet kan worden toegewezen aan concrete strafbare feiten en dat voordeelsontneming op die grond niet mogelijk is.
Het hof stelde vast dat er één volledige teeltcyclus met oogst en verkoop was voorafgaand aan de aangetroffen kwekerij. Op basis van een standaardberekening werd het wederrechtelijk verkregen voordeel uit die teeltcyclus geschat op €9.498,12. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het hof legde de betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen, met een maximale gijzeling van 189 dagen bij niet-betaling.