ECLI:NL:GHARL:2025:8100

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.307.763/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over bouw kolencentrale en uitleg overeenkomst met nadere bewijslevering

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de vennootschappen Visser & Smit Bouw B.V. en Mainka Bau GmbH & Co. KG, samen ViMa, tegen Ha-Sa Insaat Taahhut Sanayi Ve Ticaret Limited SIR. De zaak betreft de bouw van een kolencentrale in de Eemshaven, waar ViMa als aannemer en HaSa als onderaannemer werkzaamheden heeft verricht. HaSa stelt dat zij niet volledig is betaald voor haar werkzaamheden, terwijl ViMa betwist dat zij onterecht bedragen aan HaSa heeft betaald en vordert schadevergoeding. Het hof heeft eerder een tussenarrest gewezen waarin het partijen om nadere toelichting vroeg. In deze tussenuitspraak komt het hof terug op eerdere beslissingen en benoemt het een deskundige om bewijs te leveren over de gefactureerde werkzaamheden. Het hof stelt dat er op verschillende onderdelen nader bewijs nodig is en dat de bewijslevering in een later stadium zal plaatsvinden. De zaak is complex en er zijn meerdere vorderingen en tegenvorderingen aan de orde, waarbij het hof de juridische en feitelijke grondslagen van de vorderingen van beide partijen zorgvuldig afweegt. De uitspraak bevat ook een gedetailleerde beschrijving van de procedure en de argumenten van beide partijen, evenals de beslissingen van het hof.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.307.763/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, 135567
arrest van 16 december 2025
in de zaak van

1.de vennootschap onder firma Visser & Smit Bouw / Mainka v.o.f.

die is gevestigd in Groningen
2.
Visser & Smit Bouw B.V.
die is gevestigd in Rotterdam
3. de vennootschap naar buitenlands recht
Mainka Bau GmbH & Co. KG
(voorheen geheten Bauunternehmung August Mainka GmbH & Co)
die is gevestigd te Lingen/Ems (Duitsland)
4.
VWS Railinfra en Civiele Bouw B.V.
(voorheen geheten VWS infra- en industriebouw Nederland B.V.)
die is gevestigd in Rotterdam
die samen hoger beroep hebben ingesteld
en bij de rechtbank optraden als gedaagden in conventie en eiseressen in reconventie
hierna: ViMa voor appellant sub 1 en ViMa c.s. voor appellanten samen
advocaat: mr. S.J.H. Rutten
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Ha-Sa Insaat Taahhut Sanayi Ve Ticaret Limited SIR
die is gevestigd in Istanbul (Turkije)
die bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna: HaSa
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof heeft op 27 februari 2024 een arrest gewezen (hierna ook: het eerste tussenarrest). In dat arrest heeft het hof een aantal beslissingen genomen en vervolgens op verschillende punten een nadere toelichting aan partijen gevraagd. Vervolgens hebben beide partijen op 4 juni 2024 een akte genomen en producties overgelegd. Daarna hebben beide partijen op 13 augustus 2024 op elkaars akte gereageerd en opnieuw producties overgelegd. Vervolgens hebben beide partijen op 22 oktober 2024 op de bij de aktes van 13 augustus 2024 overgelegde producties gereageerd. Ten slotte heeft het hof bepaald dat arrest zal worden gewezen.
2. De kern van de zaak
2.1.
In opdracht van de Duitse energiemaatschappij RWE is in de Eemshaven in Groningen een nieuwe kolencentrale gebouwd. ViMa heeft in opdracht van RWE als aannemer werkzaamheden ten behoeve van die bouw verricht. HaSa heeft als onderaannemer werkzaamheden voor ViMa verricht. HaSa stelt dat zij nog niet volledig is betaald voor deze werkzaamheden. ViMa vindt dat zij een aantal bedragen onterecht aan HaSa heeft betaald en dat HaSa haar schadevergoeding en (herstel)kosten moet betalen.
Het hof kan nog geen eindbeslissing geven, omdat nog verschillende tussenstappen nodig zijn. Het hof legt hierna uit welke dat zijn en waarom die nodig zijn.

3.Het oordeel van het hof

De opbouw van dit arrest
3.1.
Het hof zal eerst (in 3.2 tot en met 3.38) een aantal formele kwesties beslissen. Die gaan over de overgelegde producties, de uitleg van de eerdere wijziging van eis door HaSa, nieuwe wijzigingen van eis van beide partijen en in totaal 10 verzoeken van partijen aan het hof om terug te komen van een beslissing in het eerste tussenarrest.
Dan (in 3.39 tot en met 3.46 zal het hof enkele andere door partijen aangehaalde kwesties bespreken, zoals het beroep van HaSa op verrekening, de nadere toelichting van HaSa op haar facturen, de toelichting van HaSa op haar werkwijze en de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2023.
Vervolgens (in 3.47 tot en met 3.108) zal het hof een aantal inhoudelijke kwesties beoordelen, waarover partijen zich in hun aktes hebben uitgelaten.
Daarna (in 3.109 tot en met 3.113) zal het hof ingaan op het in het eerste tussenarrest aangekondigde onderzoek door een deskundige.
Tot slot geeft het hof (in 3.114 tot en met 3.123) een samenvatting van het oordeel tot nu toe en het vervolg van de procedure.
Het bezwaar van HaSa tegen de overgelegde producties
3.2.
HaSa maakt in haar akte van 13 augustus 2024 bezwaar tegen de wijze waarop ViMa c.s. procedeert. Zij herhaalt op pagina twee van die akte haar bezwaren zoals die zijn opgenomen onder randnummer 24 e.v. van haar akte van 27 januari 2021. HaSa wijst er in dit verband opnieuw op dat ViMa c.s. in haar akte van 3 augustus 2016 al had aangegeven alle informatie in het geding te hebben gebracht die zij relevant acht.
3.3.
Het hof leest in de akte van HaSa van 27 januari 2021 het standpunt van HaSa dat de rechtbank de wijziging van eis die ViMa c.s. heeft opgenomen in haar antwoordconclusie na deskundigenbericht van 21 oktober 2020 niet zou moeten toestaan. De rechtbank heeft dat standpunt van HaSa gevolgd. In hoger beroep heeft het hof die wijziging van eis alsnog toegestaan. ViMa heeft daarbij producties overgelegd. Het hof ziet geen reden die producties te weigeren. Daar komt bij dat het hof ViMa c.s. heeft verzocht stukken in het geding te brengen waarover beide partijen al wel beschikten, maar het hof nog niet. Dat ViMa c.s. aan dit verzoek heeft voldaan is niet in strijd met de goede procesorde.
3.4.
HaSa maakt op pagina vier en pagina vijf van haar akte van 13 augustus 2024 ook bezwaar tegen de door ViMa c.s. bij haar akte van 4 juni 2024 overgelegde producties 140 tot en met 160. Die producties heeft ViMa c.s. echter overgelegd naar aanleiding van het eerste tussenarrest waarin het hof ViMa c.s. in de gelegenheid heeft gesteld haar vordering op diverse onderdelen nader te specificeren. Omdat HaSa in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren, is ook op dit punt geen strijd met de goede procesorde. Het hof zal bij de verdere beoordeling daarom alle door beide partijen in het geding gebrachte producties betrekken.
De eis van HaSa na uitleg en wijziging
3.5.
Het hof heeft HaSa verzocht uit te leggen op welke onderdelen van de factuur van 18 april 2012 de eerdere vermindering en vermeerdering van eis van HaSa betrekking hebben en daarbij aan te geven of de aannames van het hof daarover juist zijn, zie 3.46 van het eerste tussenarrest.
3.6.
HaSa heeft in haar akte van 4 juni 2024 alle 21 posten van de factuur van 18 april 2012 nader toegelicht. HaSa is daarmee buiten het doel getreden van de door het hof toegestane akte. Het hof verbindt hier echter geen processuele gevolgen aan, omdat HaSa op basis daarvan haar eis opnieuw vermindert.
HaSa heeft ook de facturen met betrekking tot het niet erkende deel van de kleine bouwplaatsen van een korte toelichting voorzien. Gelet op het oordeel van het hof in 3.43 van het eerste tussenarrest gaat het hof daarop in dit arrest niet nader in.
3.7.
HaSa heeft in haar toelichting per post aangegeven waarop alle verschillende onderdelen van de factuur van 18 april 2012 gebaseerd zijn en op welke onderdelen haar eerdere wijziging van eis zag (bijlage 5B bij productie 74(A) bij de akte van 5 juni 2024). De eerdere vermindering van eis ziet op de posten 17, 18 en 21 van de factuur van 18 april 2012. In totaal brengt HaSa € 2.411.458,08 in mindering op de oorspronkelijke factuur van € 5.665.037,61. Daardoor komt het factuurbedrag uit op € 3.253.579,53. Dat is ook het bedrag dat HaSa uit hoofde van deze factuur eerder in deze procedure vorderde. Waarop de vermeerdering van eis met € 95.897,04, die het hof in 3.46 van het eerste tussenarrest heeft vermeld, betrekking heeft legt HaSa niet uit. Het hof begrijpt uit de nadere toelichting dat HaSa deze vermeerdering niet heeft meegenomen in de meest recente uitleg van haar vordering. Het hof zal deze vermeerdering als onvoldoende onderbouwd afwijzen,
3.8.
HaSa legt als bijlage 5C, 5D en 5E bij productie 74(A) bij de akte van 5 juni 2024 een herberekening van de bij de factuur van 18 april 2012 over en vermindert haar vordering op dit punt met nog eens € 446.004,35. Uit bijlage 5E leidt het hof af dat deze vermindering van eis als volgt is opgebouwd:
  • Post 4 wordt met 2 x € 9.879,16 verminderd en vervolgens met € 16.426,53 vermeerderd;
  • Post 14 wordt vermeerderd met € 462.504,23 en € 28.858,50;
  • Post 15 wordt verminderd met € 245.722,25, € 227.107,01, € 2.022,52 en € 74.237,41;
  • Post 16 wordt verminderd met € 186.509,05 en € 198.437,05.
3.9.
Het hof constateert dat HaSa haar vordering feitelijk vermeerdert met € 507.789,26 en vermindert met € 953.793,61. De derde vordering van HaSa komt daarmee op € 2.807.575,18. ViMa c.s. maakt tegen deze gang van zaken in haar akte van 13 augustus 2024 geen processueel bezwaar. Inhoudelijk blijft ViMa c.s. de gestelde vordering betwisten.
3.10.
In 3.41 van het eerste tussenarrest heeft het hof overwogen dat het totaal van de met betrekking tot de grote bouwplaatsen volgens de gele lijsten (productie 36 bij de conclusie van repliek in conventie, aangevuld bij de akte van 18 mei 2016) goedgekeurde bedragen € 3.321.594,36 is. Het hof constateerde vervolgens dat HaSa een lager bedrag vorderde. In haar akte van 4 juni 2024 vermeerdert HaSa haar eerste vordering voor wat betreft de grote bouwplaatsen tot het hiervoor vermelde totaal van de gele lijsten. ViMa c.s. maakt tegen deze gang van zaken in haar akte van 13 augustus 2024 geen processueel bezwaar. Inhoudelijk blijft ViMa c.s. de gestelde vordering betwisten.
3.11.
Het hof herhaalt voor de duidelijkheid de eis van HaSa, zoals deze in hoger beroep na de wijzigingen ter beoordeling voor ligt. De vordering van HaSa in hoger beroep bedraagt naar het hof uit de processtukken afleidt € 9.661.996,03. De vordering is opgebouwd uit de volgende posten:
1. onbetaalde facturen 4.063.338.34
(€ 3.321.594,36 voor de grote bouwplaatsen,
€ 331.399,92 voor het erkende deel van de kleine bouwplaatsen en
€ 410.344.06 voor het betwiste deel van de kleine bouwplaatsen)
2. restant garantietermijn van 5% 1.743.215.23
3. factuur 18-4-2012 2.807.575,18
4. bonussen volgens de overeenkomst van 16-12-2010 350.000,00
5. bonussen volgens de overeenkomst van 17-06-2011 843.500,00
6. nakoming van de overeenkomst van 31-8-2011 37.090,86
7. -
8. -
9. -
10. ingehouden bedrag in verband met de huur van burocontainers 34.000,00
11. minus een verrekening 216.723,58
Daarnaast vordert HaSa voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof tot het oordeel komt dat hiermee bij de beslissingen van de rechtbank nog geen rekening is gehouden, betaling van een bedrag van € 2.800.000 voor verrichte werkzaamheden ten behoeve van het Maschinenhaus.
3.12.
Het hof heeft in 3.6 van het eerste tussenarrest al vastgesteld dat HaSa geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van de onderdelen 7, 8 en 9 van haar vordering. Daarmee staat de afwijzing van die onderdelen van de vordering vast en het hof kan die niet meer beoordelen. Voor de overzichtelijkheid heeft het hof achter die onderdelen van de oorspronkelijke vordering een streepje gezet. Omdat HaSa ook geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld tegen het afgewezen deel van vordering twee, kan in hoger beroep alleen het door de rechtbank toegewezen deel beoordeeld worden. Dat bedrag staat daarom hiervoor bij vordering 2 vermeld.
De eis van ViMa c.s. na wijziging
3.13.
ViMa c.s. heeft in hoofdstuk 4 van de akte van 4 juni 2024 de post herstelkosten Turbinentisch (onderdeel van vordering B) nader toegelicht. Die post bestaat uit herstelwerkzaamheden door derden en uren van haar eigen personeel. Het eerste onderdeel vermindert ViMa c.s. in 4.2 van haar akte na herberekening met € 5.313,12 tot een bedrag van € 291.888,04. In totaal vordert ViMa c.s. voor de post herstelkosten Turbinentisch nu € 307.274,29.
3.14.
In 7.5 van de akte van 4 juni 2024 vermindert ViMa c.s. de post herstelkosten stekeinden (onderdeel van vordering B) met € 23.154,12 tot € 117.873,36. ViMa had namelijk aanvankelijk ook herstelkosten meegenomen voor bouwdelen waar HaSa niet heeft gewerkt. Daarnaast heeft ViMa haar vordering aangepast na bestudering van de bij de stekeinden behorende Hilti-Hit protocollen.
3.15.
In 8.3 van de akte van 4 juni 2024 vermindert ViMa c.s. de post restgebreken (onderdeel van vordering B) met € 3.650,25 tot € 499.286,82. Ook hier is de reden van de vermindering dat aanvankelijk ook restgebreken waren meegenomen in bouwdelen waar HaSa niet heeft gewerkt.
3.16.
De vordering van ViMa c.s. luidt na vermindering, naar het hof begrijpt:
een verklaring voor recht dat zij een eventuele vordering van HaSa mag verrekenen met haar vordering;
betaling van € 6.342.128,54;
betaling van € 108.000,00 per jaar vanaf 17 september 2020 tot de dag dat HaSa de bankgarantie heeft teruggegeven;
teruggave van de bankgarantie, op straffe van een dwangsom.
Onderdeel B is na wijziging van de eis als volgt opgebouwd (waarbij het hof bij het derde onderdeel een typefout in het eerste tussenarrest corrigeert):
  • terugbetaling van bonussen 650.000,00
  • schade aan bekistingsmateriaal 1.000.371,56
  • kosten van de bankgarantie tot 17-9-’20 830.850,00
  • herstelkosten UBZ kanalen 133.323,77
  • herstelkosten Turbinentisch 307.274,29
  • herstelkosten volgens vaststellingsovereenkomst met RWE van 18-12-’13:
o ankerplatten 614.889,14
o roestvlekken op beton 301.875,23
o uitzettingsvoegenbanden 11.500,00
o kosten ELG en Alpine 574.610,12
o kosten Franzen 158.843,04
o kosten AQZ 24.156,54
o kosten IBA 42.885,96
o planningskosten HTC 435.496,57
o afrekening overige gebreken 190.000,00
  • herstelkosten stekeinden 117.873,36
  • herstelkosten restgebreken 499.286,82
  • restant verrekenpost o.g.v. de overeenkomst van 17-6-’11 448.909,14.
Het hof stelt vast dat de optelsom van de verschillende onderdelen van vordering B € 17 hoger uitkomt dat het bedrag dat ViMa bij vordering B. als totaalsom vermeldt. Zo nodig komt het hof daarop later terug.
Het verzoek van HaSa om een plaatsopneming
3.17.
HaSa doet in 3.7 van haar akte van 13 augustus 2024 de suggestie aan het hof om voorafgaand aan eventuele getuigenverhoren een plaatsopneming te houden, zodat het hof een indruk kan krijgen over de grootte van de gebouwde kolencentrale en de aard en omvang van de werkzaamheden van HaSa. Het hof ziet in dit stadium van de procedure geen toegevoegde waarde in de voorgestelde plaatsopneming, zodat het daaraan voorbij gaat.
De verzoeken van partijen om terug te komen van een eindbeslissing
3.18.
Beide partijen verzoeken het hof om van diverse eindbeslissingen in het eerste tussenarrest terug te komen. Het hof leest in de akte van HaSa van 4 juni 2024 drie verzoeken daartoe en in de akte van 4 juni 2024 van ViMa c.s. zes expliciete verzoeken en een impliciete verzoek. Het hof zal hierna eerst het toetsingskader voor dergelijke verzoeken vermelden en vervolgens elk verzoek aan de hand daarvan beoordelen in de volgorde van het eerste tussenarrest.
3.19.
De eisen van de goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak opgenomen eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, die eindbeslissing heroverweegt om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag tot een einduitspraak komt. Dit kan zowel op verzoek van partijen, als ambtshalve, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich over het voornemen tot heroverweging van een eindbeslissing uit te laten [1] . Als het verzoek wordt gedaan door een procespartij, dan moet het verzoek worden gemotiveerd met een verwijzing naar relevante feiten en omstandigheden. Als een partij slechts verzoekt om terug te komen op een bindende eindbeslissing, zonder daarbij feiten of omstandigheden aan te dragen waaruit kan blijken dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, dan hoeft de rechter op zo'n verzoek niet in te gaan. [2]
In hoger beroep ligt in de eisen van een goede procesorde echter ook besloten het beginsel van concentratie van het processuele debat, zoals dat tot uitdrukking komt in de tweeconclusieregel. Dit beginsel kan meebrengen dat een verzoek om terug te komen van een eindbeslissing niet kan worden gebaseerd op stellingen of bewijsstukken die eerder hadden kunnen en moeten worden aangevoerd, ook als die stellingen niet kunnen worden aangemerkt als een nieuwe grief. [3]
3.20.
ViMa c.s. verzoekt het hof in hoofdstuk 11 van haar akte van 4 juni 2024 op drie punten om terug te komen van een eindbeslissing in het eerste tussenarrest (zie punt 11.17, 11.25 en 11.31 van die akte). Volgens ViMa c.s. heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat HaSa erop mocht vertrouwen dat ViMa de op de ondertekende gele lijsten vermelde hoeveelheden en eenheidsprijzen heeft erkend. ViMa c.s. wijst er verder op dat HaSa na de ondertekening van die lijsten in haar brief van 11 mei 2012 zelf haar aanspraken voor de posten N.8.1 t/m N.8.1.16 heeft verminderd met een bedrag van € 744.247,20. Het hof heeft hier volgens ViMa c.s. geen rekening mee gehouden en ten onrechte geoordeeld dat van vordering 1 het op de gele lijsten vermelde totaalbedrag, althans het op grond hiervan gevorderde bedrag, toewijsbaar is.
3.21.
ViMa c.s. wijst er ook op dat HaSa in haar facturen die ten grondslag liggen aan de gele lijsten bij post 1.4.1310 en bij post 1.4.1320 niet de oorspronkelijk overeengekomen eenheidsprijzen heeft gehanteerd. Volgens ViMa c.s. heeft HaSa daardoor een bedrag van € 466.398,42 te veel gefactureerd. Het hof verwijst naar wat het heeft overwogen in 3.28 van het eerste tussenarrest ter motivering van het oordeel dat HaSa erop mocht vertrouwen dat tijdens de bespreking van de gele Excellijsten over de hoeveelheden en de daarop gebaseerde facturen afspraken zijn gemaakt. Als HaSa in haar facturen is afgeweken van de oorspronkelijk overeengekomen eenheidsprijzen betekent dat niet dat het hof van zijn eindbeslissing moet terugkomen. Zoals het hof in het eerste tussenarrest heeft overwogen zijn in de Excellijsten steeds de per LV-post en meerwerkpost gefactureerde hoeveelheden en eenheidsprijzen opgenomen. Er werd in elke factuur per bouwdeel en per post een totaalopstelling gemaakt, waarop de reeds betaalde bedragen in mindering werden gebracht. Namens ViMa is bij vrijwel elke factuur in die Excellijsten een van de factuur afwijkend bedrag opgenomen. Als ViMa meende dat HaSa in haar facturen van verkeerde eenheidsprijzen uitging, had zij dat bij de bespreking van de Excellijsten kunnen en moeten melden. Nu ViMa dat niet heeft gedaan, mocht HaSa er gelet op wat het hof in 3.28 van het eerste tussenarrest heeft overwogen op vertrouwen dat zowel de hoeveelheden, als de eenheidsprijzen, in de gele lijsten akkoord waren. Dat HaSa in de brief van 11 mei 2012 terug zou zijn gekomen van de afspraken die partijen bij de bespreking van de gele lijsten op 17 april 2012 hebben gemaakt blijkt niet. HaSa heeft de brief van 11 mei 2012 als productie 25 bij de dagvaarding in het geding gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat zij betwist enig bedrag aan ViMa c.s. verschuldigd te zijn. HaSa stelt dat zij in de brief van 11 mei 2012 de 20 posten waarop de aanspraken van ViMa zijn gebaseerd gemotiveerd heeft weersproken. HaSa betwist dat zij in bijlage 4 van die brief haar vordering uit de facturen voor de grote bouwplaatsen heeft bedoeld te verminderen. Het hof ziet in de brief van 11 mei 2012 geen aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat ViMa erop mocht vertrouwen dat de enkele vermelding van een lager bedrag betekende dat HaSa haar aanspraken voor de grote bouwplaatsen, waarover partijen enkele dagen daarvoor spraken aan de hand van de gele lijsten, bedoelde te verminderen. Dat het hof de vordering van HaSa voor de grote bouwplaatsen voor € 744.247,20 (posten N.8.1 t/m N.8.1.16) en € 822.027,86 (post N.24.1) te veel toewijsbaar heeft geacht, volgt dus niet uit de brief van 11 mei 2012. Het hof komt niet terug van wat is overwogen in 3.28 en 3.41 van het eerste tussenarrest.
3.22.
HaSa verzoekt het hof in hoofdstuk B van haar akte van 4 juni 2024 om terug te komen van zijn beslissing dat HaSa onvoldoende concreet heeft uitgewerkt op welke wijze de werkzaamheden waar ViMa c.s. van stelt dat deze gebrekkig waren tijdens de bouw – inclusief gebreken – zijn geaccepteerd door ViMa.
Het hof ziet geen aanleiding van deze eindbeslissing terug te komen. Het hof licht dit als volgt toe.
3.23.
HaSa stelt al vanaf de dagvaarding in eerste aanleg dat het werk door ViMa in gebruik is genomen en daarom als opgeleverd geldt. Daarbij werd volgens HaSa als volgt gewerkt. Zodra een bouwplaats gereed was, gaf HaSa dit door aan ViMa waarna de werkzaamheden werden gekeurd door RWE, ViMa en HaSa gezamenlijk. Zo nodig verrichtte HaSa herstelwerkzaamheden. ViMa heeft het werk volgens HaSa in gebruik genomen, door vervolgens derden voortbouwende werkzaamheden te laten verrichten waardoor de werkzaamheden van HaSa zijn opgegaan in het totale werk. In haar akte van 4 juni 2024 wijst HaSa in dit verband opnieuw op de overeenkomst tussen partijen van 21 december 2011 en op artikel 7:758 BW. Verder stelt HaSa dat haar werkzaamheden door ViMa werden gecontroleerd, voordat er beton gestort mocht worden.
3.24.
ViMa c.s. heeft steeds gesteld dat van oplevering geen sprake is. ViMa c.s. wijst op het Verhandlungsprotokoll waarin partijen in artikel 13 hebben afgesproken dat HaSa geen aanspraak kan maken op deelopleveringen. In 4.15 van haar conclusie van antwoord in conventie heeft ViMa c.s. uitgelegd dat oplevering van een bouwdeel pas kon plaatsvinden als het bouwdeel vrij van gebreken was. Indien bij het opnemen van een gereed gemeld bouwdeel door RWE of ViMa gebreken aan het werk werden geconstateerd, werd van die gebreken een lijst gemaakt en aan HaSa verzocht die gebreken te herstellen. Daarna volgde een tweede opname en als de gebreken verholpen waren werd het bouwdeel opgeleverd. Voor de gebreken waar ViMa c.s. zich in deze procedure op beroept, geldt volgens ViMa c.s. dat HaSa het werk heeft verlaten voordat die gebreken door haar waren hersteld. Van oplevering kan daarom volgens ViMa c.s. geen sprake zijn.
3.25.
Het hof heeft in het eerste tussenarrest uitdrukkelijk in het midden gelaten op welke wijze HaSa haar werkzaamheden opleverde, omdat inmiddels vast staat dat het gehele werk in mei 2014 is opgeleverd. Verder heeft het hof in het eerste tussenarrest overwogen dat vaststaat dat de werkzaamheden van HaSa nog niet waren voltooid toen zij het werk verliet en dat er in de reeds verrichte werkzaamheden gebreken aanwezig waren. Het hof ziet gegeven deze uitgangspunten geen aanknopingspunten in de processtukken van HaSa op grond waarvan het oordeel dat HaSa onvoldoende concreet heeft uitgewerkt op welke wijze de werkzaamheden waar ViMa van stelt dat deze gebrekkig waren, tijdens de bouw – inclusief gebreken – zijn geaccepteerd door ViMa op een ondeugdelijke feitelijke of juridische grondslag berust of anderszins op grond van de goede procesorde niet gehandhaafd kan worden.
3.26.
ViMa c.s. verzoekt het hof in hoofdstuk 12 van haar akte van 4 juni 2024 om terug te komen van zijn beslissingen met betrekking tot de bonussen uit de overeenkomst van 16 december 2010. Het hof heeft in 3.53 van het eerste tussenarrest beslist dat ViMa het restant van de bonus van € 350.000 moet betalen aan HaSa en dat zij geen recht heeft op terugbetaling van de eerdere betaalde bonussen van € 650.000. In de kern komt het standpunt van ViMa c.s. erop neer dat het hof onvoldoende heeft meegewogen dat voor het recht van HaSa op deze bonussen als voorwaarde gold dat RWE geen vertragingsboete aan ViMa zou opleggen. Volgens ViMa c.s. erkende HaSa in haar brief van 11 mei 2012 dat deze voorwaarde nog gold. Omdat RWE wel een vertragingsboete heeft opgelegd, heeft HaSa volgens ViMa c.s. geen recht op het restant van de bonus en heeft ViMa recht op terugbetaling van de reeds betaalde bonus.
3.27.
Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen van zijn eerdere beslissing dat ViMa de restant bonus van € 350.000 aan HaSa moet betalen. In het eerste tussenarrest heeft het hof overwogen dat ViMa c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat aan de betaling van de restant bonus andere voorwaarden waren verbonden dan die zijn opgenomen in de overeenkomst van 21 december 2011. Ook overweegt het hof dat HaSa in redelijkheid de overeenkomst van 21 december 2011 heeft mogen opvatten als een overeenkomst waarin nieuwe voorwaarden voor de betaling van het restant van de bonus werden afgesproken en de eerder overeengekomen voorwaarden niet meer golden. Het hof ziet in de akte van 4 juni 2024 van ViMa geen aanknopingspunten dat dit oordeel feitelijk of juridisch niet juist is of dat de goede procesorde op andere gronden meebrengt dat het hof hiervan moet terugkomen.
3.28.
ViMa c.s. wijst er in haar akte van 4 juni 2024 op dat de eerdere bonussen zijn uitbetaald op grond van de overeenkomst van 16 december 2010 en dat daarin betaling uitdrukkelijk afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat RWE terzake geen vertragingsboete aan ViMa oplegt. Volgens ViMa c.s. heeft RWE wel een vertragingsboete aan ViMa opgelegd, zodat er achteraf geen recht op uitbetaling van de bonussen op grond van de overeenkomst van 16 december 2010 bestond. HaSa meent dat ViMa zonder nadere voorwaarden heeft erkend dat zij de restant bonus van € 350.000 moet betalen en HaSa stelt dat zij om die reden ook recht heeft op de eerder uitbetaalde bonussen van in totaal € 650.000.
3.29.
Het hof zal niet terugkomen van zijn eerdere beslissing dat ViMa geen recht heeft op terugbetaling van de eerdere betaalde bonus van € 650.000. ViMa c.s. wijst erop dat het hof niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken dat voor het ontstaan van een recht op betaling van dat bedrag als voorwaarde gold dat RWE geen vertragingsboete aan ViMa zou opleggen. Uit het oordeel van het hof over de overeenkomst van 21 december 2011, waarop de toewijzing van de door HaSa gevorderde betaling van de bonus van € 350.000 en de afwijzing van de door ViMa c.s. gevorderde terugbetaling van € 650.000 is gebaseerd, volgt echter dat HaSa mocht aannemen dat ook die voorwaarde niet meer zou gelden voor het recht op bonus volgens de overeenkomst van 16 december 2010. Het had op de weg van ViMa gelegen op duidelijk af te spreken dat de reeds uitbetaalde bonussen nog steeds voorwaardelijk uitbetaald waren en teruggevorderd konden worden op grond van een mogelijk nog door RWE op te leggen vertragingsboete.
3.30.
HaSa verzoekt het hof in hoofdstuk E van haar akte van 4 juni 2024 om ook terug te komen van de beslissing in 3.58 van het eerste tussenarrest, waarin het hof beeft beslist dat HaSa de vordering tot betaling van € 843.500 (vordering 5 van HaSa) tegenover de gemotiveerde betwisting van ViMa c.s. onvoldoende heeft onderbouwd. HaSa herhaalt haar standpunt, verwijst naar eerder in het geding gebrachte stukken en brengt bij haar akte van 4 juni 2024 nieuwe stukken in het geding. Het hof zal niet terugkomen van de beslissing dat vordering 5 van HaSa moet worden afgewezen, omdat HaSa niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Met het standpunt van HaSa en de tot het eerste tussenarrest in het geding gebrachte stukken heeft het hof rekening gehouden. In wat HaSa daarover in haar akte van 4 juni 2024 stelt, leest het hof geen nieuwe inzichten of uitleg dat het eerdere oordeel feitelijk of juridisch onjuist is. HaSa maakt in haar akte van 4 juni 2024 in punt 19 onderscheid tussen bonussen die zij ontving omdat zij op een afgesproken termijn bepaalde werkzaamheden had uitgevoerd (HaSa noemt dit een termijn bonus) en bonussen die zij ontving vanwege vertragingen. HaSa heeft het belang van dit onderscheid eerder in de procedure onvoldoende duidelijk gemaakt en bovendien maakt HaSa ook in haar akte van 4 juni 2024 niet voldoende duidelijk waarom dit onderscheid tot toewijzing van haar vordering 5 moet leiden. Daarbij is van belang dat ViMa c.s. in de memorie van grieven betwist dat de afgesproken werkzaamheden op de afgesproken datum gereed waren. De nieuwe producties die HaSa bij de akte van 4 juni 2024 in het geding brengt had HaSa eerder kunnen en moeten overleggen. De goede procesorde, in het bijzonder het beginsel van concentratie van het processuele debat, brengt mee dat het hof niet op basis van die nieuwe stukken zal terugkomen van haar beslissing dat HaSa met betrekking tot haar vordering 5 niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
3.31.
HaSa verzoekt het hof in hoofdstuk I van haar akte van 4 juni 2024 om terug te komen van zijn beslissing in 3.62 van het eerste tussenarrest dat de vordering van € 2.800.000 als bonus voor het Maschinenhaus is verjaard.
3.32.
Het hof heeft geoordeeld dat deze vordering niet kenbaar deel uit maakte van de vordering van HaSa in de procedure bij de rechtbank. Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen van zijn beslissing op dit punt. HaSa is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op het door ViMa c.s. tijdens het pleidooi van 26 maart 2014 overgelegde verslag van 12 juni 2012. HaSa heeft dat gedaan bij akte van 14 mei 2014. In die akte heeft HaSa haar eis niet gewijzigd. In het vonnis van 25 februari 2015 heeft de rechtbank in 3.1 opgenomen uit welke posten de vordering van HaSa bestaat. De gestelde vordering tot betaling van de bonus van € 2.800.000 voor het Maschinenhaus is daar geen onderdeel van. In haar akte van 25 juni 2015 wijzigt HaSa haar eis, maar die wijziging leidt tot een vermindering van eis en de bonus voor het Maschinenhaus is daarin niet verwerkt. Nadien heeft HaSa haar vordering niet meer gewijzigd. Hoe desondanks de vordering tot betaling van de bonus voor het Maschinenhaus onderdeel van de eis in de procedure bij de rechtbank is geworden heeft HaSa onvoldoende onderbouwd. Dat HaSa in randnummer 12 van haar akte van 14 mei 2014 schrijft dat de bonus van € 2.800.000 voor het Maschinenhaus onderdeel is van de door ViMa erkende bedragen, maakt niet dat dit bedrag ook onderdeel is geworden van de vordering van HaSa. Voor het terugkomen van de beslissing dat die vordering geen onderdeel is van de procedure bij de rechtbank is daarom geen plaats. Voor het overige heeft HaSa onvoldoende uitgelegd hoe de verjaring van deze vordering is gestuit tussen het moment dat HaSa daarmee bekend raakte (26 maart 2014, althans 14 mei 2014) en het instellen van de vordering in de memorie van antwoord van 25 oktober 2022. Voor het terugkomen van de beslissing dat de vordering is verjaard is geen grond. Overigens doet HaSa een beroep op verrekening van deze door haar gepretendeerde vordering met enig bedrag dat zij uiteindelijke aan ViMa c.s. zal moeten betalen. Aan een dergelijk beroep op verrekening staat de verjaring niet in de weg. ViMa c.s. betwist de vordering echter ook op inhoudelijke gronden. Het hof zal hierop later in dit arrest terugkomen.
3.33.
ViMa c.s. verzoekt het hof in hoofdstuk 2 van haar akte van 4 juni 2024 om terug te komen van de beslissingen in 3.67, 3.68 en 3.69 van het eerste tussenarrest. Deze beslissingen gaan over de schade aan het bekistingsmateriaal. Volgens ViMa c.s. heeft het hof de vordering van ViMa niet goed samengevat. ViMa c.s. stelt dat HaSa van het in 3.67 van het eerste tussenarrest vermelde bedrag van € 1.167.101,32 geen 60% moet betalen, maar 6/7 deel (is € 1.000.371,56) althans € 643.490,36 voor het geval de kortingsafspraak tussen ViMa en Doka doorwerkt in de relatie ViMa – HaSa.
3.34.
Het hof stelt voorop dat in 3.68 van het eerste tussenarrest is beslist dat de kortingsafspraak tussen Doka en ViMa doorwerkt in de relatie tussen ViMa en HaSa, omdat de door Doka gelden schade tot het bedrag van die korting geen schade van ViMa c.s. is. Het hof ziet in dat het de afspraak die partijen hebben gemaakt met betrekking tot de schade aan het bekistingsmateriaal niet goed heeft samengevat. Die afspraak hield in dat van de schade aan het bekistingsmateriaal 30% door Doka werd betaald, 10% door ViMa en 60% door HaSa. Dat brengt mee dat het door ViMa aan Doka betaalde bedrag inderdaad voor 1/7 deel door ViMa wordt gedragen en voor 6/7 deel door HaSa. HaSa betwist dit in haar antwoordakte van 13 augustus 2024 ook niet. Hoewel de samenvatting van het standpunt van ViMa c.s. zoals het hof die in 3.67 heeft weergegeven geen eindbeslissing is, zal het hof zijn kennelijke fout wel aanpassen in het vervolg van de procedure.
3.35.
ViMa c.s. verzoekt het hof ook om terug te komen van zijn oordeel dat ViMa c.s. op enig moment in de gelegenheid kan worden gesteld om nader toe te lichten waarom alle schadeveroorzakende gebeurtenissen die tot de facturen van Doka aan ViMa wegens beschadigd en vermist bekistingsmateriaal hebben geleid, aan HaSa kunnen worden toegerekend. Volgens ViMa c.s. is in de afspraak die Doka, ViMa en HaSa hebben gemaakt over de verdeling van de schade aan het bekistingsmateriaal al verdisconteerd dat ook een andere partij (Calbud) het bekistingsmateriaal gebruikte. Door die afspraak is de vraag welk deel van de schade aan HaSa kan worden toegerekend ondervangen, aldus ViMa c.s.. HaSa betwist deze lezing van de overeenkomst.
3.36.
Het hof zal terugkomen van zijn eerdere beslissing op dit punt. ViMa c.s. heeft tegenover de betwisting door HaSa voldoende onderbouwd dat in de afspraak van 8 maart 2011 is begrepen dat ViMa niet meer hoeft aan te tonen dat schade door HaSa is veroorzaakt, althans aan haar kan worden toegerekend. In de laatste zin van punt 3. onder b. van de afspraak is uitdrukkelijk opgenomen dat ViMa 10% van de schade draagt vanwege eventuele vermenging van het bekistingsmateriaal dat door HaSa is gebruikt en het bekistingsmateriaal dat door Calbud is gebruikt. Dat hiermee ook is bedoeld dat ViMa niet meer hoefde aan te tonen dat de schade aan het bekistingsmateriaal aan HaSa dan wel aan Calbud kan worden toegerekend is een logisch gevolg daarvan. Dat ViMa desondanks nog steeds moest aantonen dat de schade aan het bekistingsmateriaal aan HaSa kan worden toegerekend, alvorens zij recht heeft op vergoeding van 60% van die schade aan het bekistingsmateriaal is daarmee niet goed te rijmen. HaSa heeft onvoldoende uitgelegd op grond waarvan zij mocht begrijpen dat zij dit wel zo mocht uitleggen. Dat betekent dat ViMa c.s. niet meer hoeft toe te lichten dat de schadeveroorzakende feiten die tot de afrekening met Doka hebben geleid aan HaSa moeten worden toegerekend. Overigens stelt HaSa in haar antwoordakte van 13 augustus 2024 op basis van een nieuwe berekening dat het eventueel door haar te betalen bedrag uitkomt op maximaal € 258.422,56 (productie 77 van HaSa). Voor zover nodig komt het hof hierop terug bij de inhoudelijke beoordeling van dit onderdeel van de vordering van ViMa c.s.
3.37.
In 9.2 van haar akte van 4 juni 2024 stelt ViMa c.s. dat het hof in 3.91 van het eerste tussenarrest op zich terecht heeft geoordeeld dat ViMa c.s. geen expliciete grief heeft gericht tegen de veroordeling van ViMa c.s. tot betaling van een bedrag van € 37.090,86. ViMa c.s. meent echter dat uit haar reconventionele vordering op grond van de Vereinbarung van 17 juni 2011 van € 448.909,14 (zoals die is opgenomen in hoofdstuk 29 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 en die op grond van grief 4 onderdeel is van het debat in hoger beroep) duidelijk blijkt dat en waarom ViMa c.s. het niet eens is met deze veroordeling.
3.38.
Het hof stelt vast dat grief 4 van ViMa c.s. betrekking heeft op de door de rechtbank niet toegestane vermeerdering van eis in reconventie. Het hof heeft die vermeerdering van eis alsnog toegestaan. Het restant verrekenposten op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 is daarmee inderdaad onderdeel van het debat in hoger beroep geworden, als onderdeel van de vermeerderde vordering in reconventie van ViMa c.s.. Het hof heeft hierin geen impliciete grief tegen de veroordeling van ViMa c.s. in conventie tot betaling van – onder meer – € 37.090,86 op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 gelezen en HaSa evenmin. Maar ViMa c.s. stelt terecht dat uit haar vermeerderde vordering duidelijk blijkt dat zij het met de berekening die heeft geleid tot toewijzing van € 37.090,86 op basis van de overeenkomst van 17 juni 2011 niet eens is. Dat hiermee ook duidelijk had moeten zijn voor het hof en voor HaSa dat ViMa c.s. het niet eens is met het door de rechtbank in conventie op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 toegewezen bedrag is bij nader inzien voldoende kenbaar. Daarmee is naar het oordeel van het hof – en anders dan door HaSa bepleit – inderdaad sprake van een impliciet verwoorde grief. Daarmee komt het hof terug van zijn eindbeslissing dat ViMa c.s. geen kenbare grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat van de vordering van HaSa een bedrag van € 37.090,86 op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 toewijsbaar is.
Overige opmerkingen van partijen
3.39.
HaSa heeft in hoofdstuk J van haar akte opmerkingen gemaakt die betrekking hebben op haar vordering op basis van de factuur van 18 april 2012 (vordering 3).
Deze vordering bedroeg aanvankelijk ongeveer 5,6 miljoen. HaSa heeft die vordering een aantal keer gewijzigd en verminderd waardoor die vordering nu ongeveer 2,8 miljoen bedraagt, zie 3.9 van dit arrest.
3.40.
HaSa stelt in punt 44 van haar akte van 4 juni 2024 dat het hof op grond van het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2023 de oorspronkelijke vordering van 5,6 miljoen zal moeten beoordelen ter beoordeling van het verrekeningsverweer van HaSa op de reconventionele vordering van ViMa. Dit standpunt is voor het hof onbegrijpelijk. Het hof leest in het genoemde arrest geen aanwijzingen dat bij een beroep op verrekening rekening moet worden gehouden met het na vermindering van eis prijsgegeven deel van een oorspronkelijk vordering.
3.41.
Het hof kan ook niet volgen wat HaSa op pagina 19 van haar akte in de toelichting op pos. 15 schrijft. HaSa stelt daar onder meer:

Van gezag van gewijsde is alleen al daarom geen sprake met als gevolg dat het Hof alsnog moeten beoordelen of de vordering van HaSa door het Hof aangeduid als ‘vordering 3’ niet alsnog voor (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking komt ook al heeft HaSa tegen de beslissing van de Rechtbank m.b.t. deze vordering geen beroep ingesteld (primair). En, zo niet dan zal aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2023 deze vordering alsnog zelfstandig beoordeeld moeten worden in het kader van het verrekening verweer van HaSa m.b.t. de re-conventionele vorderingen van ViMa (subsidiair)
Wat HaSa met hiermee precies betoogt, is het hof niet duidelijk. Het hof stelt voorop dat de rechtbank deze vordering (dat is de vordering op grond van de factuur van 18 april 2012, bij de rechtbank aangeduid als vordering c) geheel heeft toegewezen. Vordering 3 van HaSa ligt in hoger beroep geheel ter beoordeling voor, gelet op verweer van ViMa c.s. daartegen. Bovendien heeft het hof in het eerste tussenarrest overwogen dat het met betrekking tot vordering 3 behoefte heeft aan voorlichting door een deskundige, zie 3.47 van dat arrest. Onder deze omstandigheden laat het hof de hiervoor geciteerde opmerking van HaSa verder onbesproken.
3.42.
HaSa heeft verder in haar akte alle 21 posten van de factuur van 18 april 2012 nader toegelicht. Het hof had al beslist dat HaSa met betrekking tot deze factuur en de daarin opgenomen posten zal moeten aantonen dat de gefactureerde hoeveelheden daadwerkelijk zijn verwerkt en dat deze met de juiste toeslagen en eenheidsprijzen zijn gefactureerd. En voor meerwerk komt daar nog bij dat HaSa zal moeten aantonen dat zij daarvoor ook daadwerkelijk opdracht heeft gekregen. Het hof had al aangekondigd dat het daarvoor een deskundige wil gaan benoemen. Het hof ziet in de nadere toelichting van HaSa geen reden hier anders over te beslissen.
3.43.
HaSa heeft in hoofdstuk K van haar akte van 4 juni 2024 haar vordering wegens onbetaalde facturen (vordering 1) nader toegelicht. Het hof heeft in het eerste tussenarrest al geoordeeld dat deze vordering toewijsbaar is voor de grote bouwplaatsen. Omdat HaSa haar vordering op dit onderdeel heeft vermeerderd tot het totaal van de goedgekeurde bedragen zoals vermeld op de gele lijsten, is ook het vermeerderde deel toewijsbaar, zie 3.10 van dit arrest. Het hof heeft ook overwogen dat vordering 1 toewijsbaar is voor de kleine bouwplaatsen, waar bij de desbetreffende facturen een ondertekende uitvoerdersbon is overgelegd. Voor de overige facturen voor de kleine bouwplaatsen (nummers 349, 350, 408, 409, 410, 411 en 426) heeft het hof aangekondigd een deskundige te benoemen, zie 3.43 van het eerste tussenarrest. De deskundige zal de nadere toelichting van HaSa in het onderzoek kunnen betrekken indien dat voor haar onderzoek nodig is.
3.44.
In punt 47 van haar akte van 4 juni 2024 stelt HaSa dat het bedrag waarmee zij haar vordering 1 vermeerdert ook kan strekken ter voldoening van de facturen 349, 350, 408, 409, 410, 411 en 426 voor zover die niet worden toegewezen. Dit standpunt is voor het hof niet te begrijpen. HaSa vermeerdert haar vordering ter zake de grote bouwplaatsen (de gele lijsten). Die vermeerderde vordering is toewijsbaar, maar heeft dan betrekking op de corresponderende werkzaamheden voor de grote bouwplaatsen, zoals vermeld op de gele lijsten. Waarom en hoe een daarvoor toegewezen bedrag kan strekken ter voldoening van facturen voor de kleine bouwplaatsen in het geval die niet toewijsbaar zijn, ontgaat het hof ten enenmale. Ook de opmerking die HaSa maakt in dit punt van haar akte over het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2023 kan het hof niet plaatsen.
3.45.
HaSa heeft op verschillende plaatsen in haar akte van 4 juni 2024 de werkwijze tijdens de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden nader toegelicht. In het kort komt dat erop neer dat HaSa stelt dat ViMa op grond van de gesloten overeenkomst verplicht was de werkzaamheden van HaSa te controleren en goed te keuren, voordat kon worden verdergegaan met de werkzaamheden. HaSa doet in dit verband onder andere een beroep op eigen schuld aan het ontstaan van schade aan de zijde van ViMa c.s.
ViMa c.s. betwist de door HaSa gestelde verplichtingen en werkwijze. ViMa c.s. verwijst onder meer naar § 5.9 van het Verhandlungsprotokoll, waarin is opgenomen dat HaSa zelf eventuele gebreken aan haar werk moet melden bij ViMa en voor oplevering moet herstellen. Die verplichting impliceert volgens ViMa c.s. dat HaSa haar eigen werkzaamheden diende te controleren.
Het hof zal op deze standpunten van partijen – uitsluitend voor zover nodig – nader terugkomen bij de bespreking van de verschillende posten.
Het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2023
3.46.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2023, omdat het hof in het eerste tussenarrest heeft overwogen dat ViMa c.s. geen kenbare grief heeft gericht tegen het in conventie toegewezen bedrag van € 37.090,86 (post 6 van de vordering van HaSa, gebaseerd op de overeenkomst van 31 augustus 2011) terwijl de vordering van ViMa c.s. in reconventie voor een deel is gebaseerd op de overeenkomst van 31 augustus 2011. Omdat het hof hiervoor is teruggekomen van zijn beslissing dat ViMa c.s. geen kenbare grief tegen de toewijzing van post 6 in conventie had gericht, is er geen aanleiding meer om te oordelen over de mogelijke gevolgen van genoemd arrest.
Het bewijs van het gestelde gebrek aan de prefab betonplaten
3.47.
HaSa heeft op een vraag van het hof in het eerste tussenarrest aangegeven dat zij door middel van het horen van getuigen wil bewijzen dat de door ViMa aangeleverde prefab-betonplaten ondeugdelijk waren, namelijk gescheurd. HaSa verwijst naar haar algemene bewijsaanbod in nummer 50 van de dagvaarding en de daarin genoemde getuigen. HaSa verwijst ook naar haar bewijsaanbod in nummer 6 van de conclusie van dupliek in reconventie en de daarin genoemde getuigen. Het hof constateert dat laatstgenoemd bewijsaanbod ziet op een geheel andere stelling van HaSa. Het hof begrijpt uit het antwoord van HaSa op de door het hof gestelde vraag dat HaSa bewijs wil leveren door het horen van getuigen en dat er kennelijk op dit onderdeel geen rol is voor een eventueel te benoemen deskundige. Conform haar aanbod, zal het hof HaSa toelaten tot het bewijs van haar stellingen op dit onderdeel. Om proceseconomische redenen zal het hof dit nog niet in dit arrest doen, maar in een later stadium.
De voorwaarde in de overeenkomst van 31 augustus 2011
3.48.
Het hof heeft HaSa in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de uitleg die ViMa c.s. geeft aan de voorwaarde in de overeenkomst van 31 augustus 2011, waarop ViMa c.s. haar vordering wegens de restant verrekenpost op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 baseert. In hoofdstuk C van haar akte van 4 juni 2024 heeft HaSa hierop gereageerd.
Het hof begrijpt het standpunt van HaSa als volgt. Volgens HaSa hangen de afspraken over de meerwerktoeslag van € 340 per ton en de vertragingsschade van € 24.300 per week met elkaar samen. HaSa is akkoord gegaan met de genoemde meerwerktoeslag mits ViMa akkoord zou gaan met de afgesproken vertragingsschade. Omdat ViMa de meerwerktoeslag heeft geaccepteerd is zij volgens HaSa ook de toeslag wegens vertraging verschuldigd.
Het hof constateert dat beide partijen stellen dat de afspraak tot betaling van een meerwerktoeslag van € 340 per ton en de vertragingsschade (of -toeslag) van € 24.300 per week met elkaar samenhangen. Waarom de uitleg die ViMa c.s. steeds aan deze afspraak heeft gegeven niet juist is, heeft HaSa onvoldoende onderbouwd. ViMa c.s. stelt dat de betaling van de vertragingstoeslag door ViMa aan HaSa voor vertraging als gevolg van het werken met glijbekisting is afgesproken onder de voorwaarde dat RWE akkoord zou gaan met de betaling aan ViMa van een moeilijkheidstoeslag van € 340 per ton voor de glijbekisting. Die uitleg lijkt logisch en volgt ook uit de overeenkomst van 31 augustus 2011 zoals geciteerd in 3.92 van het eerste tussenarrest. HaSa erkent ook de aanspraak die ViMa c.s. stelt te hebben op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011, namelijk ViMa c.s. kan een bedrag van € 651.039,54 op de vordering van HaSa in aftrek brengen. Het hof gaat daarom uit van de lezing van ViMa op dit onderdeel. HaSa lijkt in punt 10 van haar akte van 4 juni 2024 echter te stellen dat zij niet kan controleren of RWE de moeilijkheidstoeslag aan ViMa heeft betaald of niet. Volgens ViMa volgt dit uit Nachtrag NA 93. Om hierover duidelijkheid te krijgen, zal het hof aan de te benoemen deskundige ook de vraag voorleggen of kan worden vastgesteld of RWE voor bouwdeel R2UET voor het werken met glijbekisting een meerwerktoeslag of moeilijkheidstoeslag heeft betaald van € 340 per ton.
UBZ kanalen
3.49.
In het eerste tussenarrest heeft het hof ViMa c.s. in de gelegenheid gesteld om de originele facturen van de herstelkosten van de uitpandige UBZ kanalen in het geding te brengen. HaSa heeft haar aansprakelijkheid voor de ondeugdelijke afdichting voor de buiten de bouwdelen gelegen UBZ-kanalen immers steeds erkend en HaSa heeft verzocht om deze facturen om zo het daarvoor gevorderde schadebedrag te kunnen vaststellen.
3.50.
ViMa c.s. heeft bij haar akte van 4 juni 2024 allereerst de producties 86 tot en met 92 behorend bij haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 overgelegd. Ook verwijst ViMa c.s. naar die antwoordconclusie voor de inhoudelijke bespreking van de gebreken aan de UBZ kanalen. Verder verwijst zij naar productie 9 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg, waar zij alle facturen van het bedrijf dat de herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd in het geding geeft gebracht. In productie 140 bij de akte van 4 juni 2024 heeft ViMa c.s. die facturen opnieuw overgelegd, samen met een overzicht waaruit blijkt welke van die facturen betrekking hebben op de uitpandige kanalen en welke op de inpandige kanalen. Volgens dat overzicht betreffen de herstelkosten voor de uitpandige kanalen € 64.959,50. In dit overzicht is ook gespecificeerd om welke kanalen in welke bouwdelen het gaat.
3.51.
HaSa stelt zich op het standpunt dat de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 niet tot de gedingstukken behoort en dat het in strijd met de goed procesorde is dat ViMa c.s. daarnaar verwijst. Het hof passeert dit standpunt. ViMa c.s. heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd zoals is opgenomen in de antwoordconclusie van 21 oktober 2020. Omdat het hof niet over alle producties bij die antwoordconclusie beschikte – en beide partijen daarover wel beschikten – heeft het hof die in zijn dossier ontbrekende stukken opgevraagd. Het hof heeft ViMa c.s. in de gelegenheid gesteld daar nog een toelichting op te geven. Dat ViMa c.s. daarbij verwijst naar standpunten en producties uit eerdere processtukken is niet in strijd met de goede procesorde. Het hof ziet niet in waarom de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 niet tot de processtukken zou behoren. HaSa verzoekt het hof in 3.5 van haar antwoordakte van 13 augustus 2024 om alsnog op het standpunt van ViMa c.s. te mogen reageren. Die kans heeft HaSa echter al uitdrukkelijk gekregen. HaSa mocht in haar antwoordakte van 13 augustus 2024 die reactie geven. Voor zover zij dat niet heeft gedaan, verzet de goede procesorde zich ertegen dat het hof haar opnieuw een akte daarvoor laat nemen.
3.52.
Gegeven de eerdere erkenning van aansprakelijkheid van HaSa voor gebreken aan de afdichting van de uitpandige UBZ kanalen en de nadere uitleg van ViMa c.s. over de herstelkosten daarvan, heeft HaSa haar verweer tegen dit deel van de vordering onvoldoende nader onderbouwd. Dat betekent dat het hof de herstelkosten voor gebreken aan de buiten de bouwdelen gelegen UBZ kanalen groot € 64.959,50 zal toewijzen.
3.53.
Over de inpandige UBZ kanalen heeft ViMa c.s. opnieuw toegelicht dat HaSa die kanalen met waterdicht beton diende te maken en te voorzien van waterdichte voegen en aansluitingen. In de UBZ kanalen worden kabelgoten aangebracht waardoor de bekabeling van de elektrische installaties loopt. Evident is volgens ViMa c.s. dat die bedrading in een waterdichte omgeving geplaatst wordt. In haar akte van 4 juni 2024 heeft ViMa c.s. verwezen naar foto’s in productie 9 bij de conclusie van antwoord en heeft ViMa c.s. productie 89 behorend bij haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 alsnog overgelegd, met daarin foto’s en ingebrekestellingen. Bij haar akte van 4 juni 204 heeft ViMa c.s. als productie 141 ook nieuwe foto’s overgelegd. Omdat HaSa de herstelwerkzaamheden niet uitvoerde en zij ook erkent dat zij dit niet zelf kan doen (ViMa c.s. verwijst hierbij naar punt 109 van de conclusie van repliek), heeft ViMa de herstelwerkzaamheden door een derde laten uitvoeren. Het herstel bestond uit het lokaliseren van de lekkages en het vervolgens injecteren de voegen ter plaatse met kunsthars. Volgens ViMa c.s. zijn de lekkages hiermee verholpen.
3.54.
HaSa betwist het door ViMa c.s. gestelde totaalbedrag aan herstelkosten op dit onderdeel. Dat bezwaar passeert het hof als onvoldoende onderbouwd. ViMa c.s. heeft facturen overlegd van de derde die de herstelwerkzaamheden heeft verricht tot een bedrag van € 133.323,77, een verklaring van de derde dat dit bedrag is betaald en een overzicht waarin is aangegeven op welke kanalen in welke bouwdelen de facturen betrekking hebben.
3.55.
HaSa heeft verder gesteld dat op grond van de overeenkomst van 21 december 2011 gebreken niet alleen eerst aan haar doorgegeven moeten worden, maar ook door haar moeten worden goedgekeurd. ViMa c.s. betwist dit en heeft als productie 32 bij de conclusie van dupliek een overzicht van alle ingebrekestellingen in het geding gebracht. Bij haar akte van 4 juni 2024 heeft ViMa c.s. opnieuw ingebrekestellingen voor de gebreken aan de UBZ kanalen overgelegd. Ook wijst ViMa c.s. er terecht op dat HaSa als eerste in verzuim is geraakt, omdat zij onbevoegd haar werkzaamheden heeft opgeschort. ViMa c.s. voert aan dat de wettelijke regeling meebrengt dat HaSa gehouden is de herstelkosten te vergoeden.
3.56.
Het hof is van oordeel dat HaSa gehouden is de kosten van herstel door derden te vergoeden, indien vaststaat dat het herstel nodig was vanwege een aan HaSa toe te rekenen gebrek. ViMa c.s. voert terecht aan dat de afspraak in de overeenkomst van 21 december 2011 waarop HaSa een beroep doet, is gemaakt in het kader van een nadere afspraak tussen partijen over de uitbetaling van de laatste termijn voor de bouwdelen. Dat met die afspraak ook is bedoeld dat HaSa nooit aansprakelijk kon worden gehouden voor gebreken in haar werk die zij niet erkende, is onvoldoende uitgelegd door HaSa. HaSa heeft niet voldoende betwist dat zij voor de gebreken aan de UBZ kanalen in gebreke is gesteld. Omdat HaSa voor de inpandige kanalen betwist dat sprake is van een gebrek in de uitvoering van haar werkzaamheden, zal ViMa c.s. eerst moeten bewijzen dat de door haar gestelde gebreken in de werkzaamheden van HaSa aan de inpandige kanalen zich hebben voorgedaan. Overeenkomstig het overzicht in productie 140 bij haar akte van 4 juni 2024 gaat dit om de volgende kanalen en bouwdelen:
  • ROUBA, kanaal 6
  • ROUBA, kanalen 3 en 5
  • Kanaal 5
  • ROUBA
  • ROUBA, kanaal 4, uitbreidingsverbinding (2x vermeld)
  • ROUBA, kanaal 4, trap (2x vermeld)
  • ROUBA, kanaal 5
  • ROUBA, kanaal 4.
3.57.
Het hof heeft in het eerste tussenarrest aan ViMa c.s. de vraag voorgelegd hoe zij dat wenst te bewijzen. ViMa c.s. heeft in reactie daarop als productie 143 bij haar akte van 4 juni 2024 een verklaring van [naam1] in het geding gebracht. Het hof kan uit die schriftelijke verklaring het gevraagde bewijs onvoldoende afleiden. ViMa biedt ook aan [naam1] als getuige te horen. Conform haar aanbod, zal het hof ViMa c.s. die gelegenheid geven. Om proceseconomische redenen zal het hof dit nog niet in dit arrest doen, maar in een later stadium.
Turbinentisch
3.58.
In het eerste tussenarrest is ViMa c.s. in de gelegenheid gesteld de producties 93 tot en met 100 van de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 alsnog in het geding te brengen. ViMa c.s. mocht daarbij ook de definitieve facturen overleggen, voor zover dat nog niet was gebeurd. HaSa mocht zich vervolgens daarover uitlaten. HaSa diende ook aan te geven op welke wijze zij bewijs wilde leveren van haar stelling dat de door ViMa c.s. aangeleverde prefab betonplaten gebrekkig (gescheurd) waren.
3.59.
Ha Sa wijst er allereerst op dat ViMa haar werkzaamheden controleerde en dat pas na goedkeuring verder kon worden gegaan met het storten van beton. Naar het oordeel van het hof is dat standpunt bij dit onderdeel van de vordering van ViMa niet relevant, omdat volgens de eigen stellingen van HaSa vooraf niet zichtbaar was dat de betonplaten gescheurd waren en het gebrek pas is ontstaan nadat het beton was gestort. HaSa verwijst in haar akte van 4 juni 2024 nog naar productie GH 4a (het hof begrijpt dat dit productie 73-4a is). Ook dat kan haar niet baten. In die productie (waaruit overigens niet blijkt door wie, wanneer en waarom die is opgesteld) staat - naar het hof begrijpt – dat onduidelijk is waarom de prefab betonplaten de druk van het gestorte beton niet konden opvangen. In die productie staat echter ook dat volgens HaSa ViMa statisch heeft gemeten of de prefab betonplaten de betondruk konden weerstaan. Dat ViMa bij die meting had moeten ontdekken dat de prefab betonplaten gescheurd waren leest het hof niet in de stellingen van HaSa. Overigens merkt het hof op dat HaSa in de tekst van haar akte van 4 juni 2024 productie 4a een werkinstructie van ViMa noemt en in het bij de akte behorende productieoverschot productie 73-4a een algemene toelichting van HaSa op de Turbinentisch noemt. ViMa c.s. wijst er in haar antwoordakte van 13 augustus 2024 in dit verband op dat HaSa bij de bespreking van de Turbinentisch lijkt te citeren uit het Arbeitsplan van de Treppentürme. Dat arbeitsplan geldt volgens ViMa alleen voor de treppentürme van de bouwdelen A1UHD, B1 UHD, A2UHD en B2 UHD. De daarin beschreven werkwijze geldt volgens ViMa niet voor andere bouwdelen en bovendien heeft HaSa volgens ViMa bij die treppentürme alleen het wapeningsstaat geplaatst.
3.60.
Uit de als productie 73-4c door HaSa bij haar akte van 4 juni 2024 overgelegde tekening volgt op welke plekken volgens HaSa de voorgeschreven voegbreedte niet is gehaald. Het hof herhaald zijn oordeel dat het aan HaSa is om te bewijzen dat dit is veroorzaakt door gebreken in de door ViMa aangeleverde prefab betonplaten. HaSa wenst dit bewijs kennelijk te leveren door het horen van getuigen. Zoals overwogen in 3.47 van dit arrest, zal het hof HaSa die gelegenheid geven.
Ankerplatten
3.61.
Het hof heeft in 3.82 van het eerste tussenarrest zes vragen aan partijen met betrekking tot de ankerplaten gesteld. Partijen hebben hierop kunnen antwoord in hun aktes van 4 juni 2024.
3.62.
ViMa c.s. heeft bij haar akte van 4 juni 2024 de in het dossier van het hof ontbrekende producties 106 tot en met 112 in het geding gebracht. HaSa stelt in haar akte van 4 juni dat zij als producties 3a tot en met 3g de werkvoorschriften in het geding brengt. Uit het bij die akte gevoegde productieoverzicht en de inhoud van die producties 72-3a tot en 72-3g blijkt echter dat dit geen werkvoorschriften zijn, maar de beantwoording van de door het hof gestelde vragen, naar het hof aanneemt door iemand van HaSa zelf.
3.63.
ViMa c.s. stelt voorop dat de gebreken die zij stelt geen betrekking hebben op het laswerk. HaSa diende volgens ViMa c.s. de ankerplaten te plaatsen. Daarna werden die ankerplaten (volgens HaSa alleen de verticale ankerplaten, zie 3.81 van het eerste tussenarrest) vast gelast. Volgens ViMa c.s. heeft HaSa de ankerplaten niet overal correct geplaatst. Op sommige plaatsen ontbraken ankerplaten, andere ankerplaten waren niet op de juiste plaats aangebracht en ook waren er ankerplaten niet met de juiste toleranties aangebracht, aldus ViMa c.s. Op het later vastlassen van de ankerplaten heeft ViMa c.s. geen opmerkingen. ViMa c.s. meent daarom dat de vraag van het hof over het inschakelen van gecertificeerde lassers door ViMa niet relevant is voor de beoordeling van de gebreken. HaSa is ook van mening dat de gestelde gebreken niet het laswerk betreffen. Het hof laat zijn tweede vraag uit 3.82 van het eerste tussenarrest daarom verder onbesproken.
3.64.
De eerste vraag uit het eerste tussenarrest betreft de vraag of DIN norm 18202, inclusief tabellen 1 en 2 van toepassing is op de uitvoering van het werk.
ViMa c.s. stelt dat HaSa gehouden was deze DIN norm toe te passen op grond van de in het bestek opgenomen “Massgenauigkeit”, paragraaf 6 lid 1 van de UAV 1989 en paragraaf 13 lid 1 van de VOB/B, waarin wordt verwezen naar de gebruiken, respectievelijk “der anerkennten Regeln der Technik”. Volgens ViMa c.s. volgt de toepasselijkheid van DIN 18202 ook indirect uit het bestek (“Leistungsverzeichnis”). Het hof leest in de akte van HaSa van 4 juni 2024 geen concreet antwoord op de vraag of de toepasselijkheid van DIN norm 18202 is overeengekomen, en evenmin een concrete betwisting van het standpunt van ViMa c.s. HaSa verwijst naar punt 108 van haar conclusie van antwoord in reconventie. Daarin leest het hof dat ook volgens HaSa ankerplaten moeten worden geplaats volgens een NEN- of DIN norm en in haar brief van 26 mei 2011, waarnaar zij verwijst, gaat HaSa ook uit van de toepasselijkheid van DIN norm 18202. Op grond hiervan gaat het hof ervanuit dat het tot de verplichtingen van HaSa behoorde om de ankerplaten overeenkomstig de voorschriften van DIN 18202 aan te brengen, inclusief de toleranties als vermeld in tabellen 1 en 2 daarvan. ViMa c.s. heeft onweersproken gesteld dat er in het bestek geen aanvullende of afwijkende eisen zijn opgenomen.
3.65.
HaSa wijst er opnieuw op dat het de verantwoordelijkheden van ViMa behoorde om te waarborgen dat aan DIN 18202 werd voldaan en dat ViMa de werkzaamheden van HaSa, specifiek het positioneren van de ankerplaten, controleerde en moest goedkeuren voordat HaSa akkoord kreeg om te betonneren.
3.66.
ViMa c.s. wijst erop dat in het bestek is voorgeschreven dat HaSa de ankerplaten op de voorgeschreven posities diende aan te brengen, met inachtneming van DIN 18202 en de daarin opgenomen toleranties. ViMa verwijst naar p. 53 van het bestek. Het hof heeft het citaat dat ViMa in haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 in punt 18.6 heeft opgenomen niet op de aangeduide plaats kunnen terugvinden, maar wel op p. 99 (nummering rechtsboven) van het bestek. Daar staat, naar het hof begrijpt en vertaald naar het Nederlands, als verplichting van HaSa:
alle soorten staal inbouwdelen
In alle delen van beton van beton en gewapend beton constructies
Volgens tekeningen en specificatie tijdens de bekistings- en wapeningswerkzaamheden, indien nodig onder speciale eisen aan de maatnauwkeurigheid ook met behulp van sjablonen inmeten, aanbrengen en zodanig zekeren en fixeren dat verplaatsing en vervuiling tijdens het betonneren uitgesloten zijn en een blijvende, absoluut vaste verankering in het beton wordt gegarandeerd.
Daaronder staat bij LV post 01.04.1270 (wederom naar het hof begrijpt en vertaald naar het Nederlands) dat verankeringsconstructies, ankerstangen en ankerdozen in alle soorten en maten als verbindingselementen voor de steunen van de staalconstructies, ankers voor masten en andere constructies maatnauwkeurig volgens tekeningen en specificaties tijdens het bekisten en aanbrengen van de wapeningswerkzaamheden in de betonconstructies moeten worden aangebracht en dat in deze werkzaamheden de (land)meetkundige werkzaamheden begrepen zijn.
HaSa heeft in de conclusie van antwoord in reconventie verwezen naar pagina 57 van het bestek, waar volgens HaSa staat dat nadat de ankerplaten zijn geplaatst meetgegevens moeten worden overgelegd en goedgekeurd. ViMa c.s. heeft er terecht op gewezen dat dit onderdeel van het bestek niet over de ankerplaten gaat, maar over de ankerbuizen voor het SPAT fundament van de Turbinentisch. Volgens ViMa c.s. gold deze verplichting alleen voor dat specifieke onderdeel van het werk.
Het hof concludeert uit het voorgaande dat het de verplichting van HaSa was om de ankerplaten volgens tekening en binnen de overeengekomen norm en toleranties aan te brengen. Dat ViMa verplicht was het werk van HaSa te controleren en dat HaSa niet meer op haar verplichting kon worden aangesproken nadat ViMa de plaatsing van de ankerplaten had gecontroleerd, heeft HaSa onvoldoende onderbouwd. Dat ViMa mogelijk een vorm van controle uitoefende voordat HaSa verder kon gaan met haar werkzaamheden is – nog daargelaten dat ViMa betwist dat zij het werk van HaSa moest controleren – onvoldoende om aan te kunnen nemen dat ViMa HaSa niet meer aan kan spreken wegens gebreken in de plaatsing van de ankerplaten. Het hof herhaalt in dit verband dat de werkinstructies waarnaar HaSa verwijst volgens haar eigen overzicht geen werkinstructies van ViMa zijn, maar de lezing van HaSa zelf in antwoord op de door het hof gestelde vragen.
3.67.
In antwoord op de derde vraag van het hof heeft ViMa c.s. onweersproken gesteld dat pagina 57 van het bestek niet gaat over de ankerplaten en dus niet relevant is voor de beoordeling van de door haar gestelde gebreken aan die ankerplaten.
3.68.
ViMa c.s. stelt in antwoord op de vierde vraag van het hof dat sprake is van een gebrek indien een ankerplaat in het geheel niet is geplaatst, niet is geplaatst op de overeengekomen wijze, niet is geplaatst op de juiste plaats of niet is geplaatst binnen de overeengekomen toleranties.
In de visie van HaSa is de enkele afwijking van de onder de DIN norm toegestane toleranties niet voldoende om van een gebrekkige prestatie te kunnen spreken. Volgens HaSa is er pas sprake van een gebrek als er door de onjuiste plaatsing van een ankerplaat niet verder gewerkt kan worden. HaSa wijst er op dat RWE en ViMa verschillende meetsystemen voor de positionering van de ankerplaten hadden. ViMa werkte volgens HaSa met een twee dimensionaal meetsysteem, terwijl RWE met een driedimensionaal meetsysteem werkte. In het systeem van ViMa werd de positie van een ankerplaat volgens HaSa bepaald door alleen een plaats op een X-as en een Y-as. HaSa stelt dat zij de ankerplaten volgens de positionering van ViMa heeft geplaatst. Dat volgens het meetsysteem van RWE de ankerplaten niet goed zijn geplaatst is daarom volgens HaSa de verantwoordelijkheid van ViMa.
3.69.
Het hof passeert het betoog van HaSa. HaSa diende de ankerplaten aan te brengen volgens de overeengekomen tekeningen en normen. ViMa c.s. stelt dat uit de tekeningen drie coördinaten voor de positie van de ankerplaten volgen. HaSa heeft volgens ViMa c.s. dus een driedimensionale opgave gekregen voor de plaatsing van de ankerplaten. Het hof kan deze uitleg volgen, in tegenstelling tot het betoog van HaSa. Zonder nadere uitleg, die niet is gegeven, is niet goed te begrijpen hoe de positie van een ankerplaat in een driedimensionale ruimte kan worden bepaald door opgave van coördinaten op slechts twee assen. Het hof is het eens met de uitleg die ViMa c.s. geeft aan het begrip gebrek aan de positie van de ankerplaten, waarbij de overeengekomen wijze van plaatsing wordt bepaald door het bestek, de overeengekomen plaats wordt bepaald door de tekeningen die ViMa heeft gemaakt en de toleranties worden bepaald door DIN 18202.
3.70.
Het hof heeft ViMa c.s. gevraagd een overzicht te geven ten aanzien van welke individuele ankerplaten zij HaSa een verwijt maakt en daarbij gevraagd of per individuele ankerplaat het verweer van HaSa voldoende duidelijk is.
3.71.
ViMa c.s. heeft in haar akte van 4 juni 2024 verwezen naar productie 8 bij de conclusie van eis in reconventie, productie 50 bij de conclusie van repliek in reconventie en de producties 107, 112 en 158 van haar akte van juni 2024. ViMa c.s. heeft met de producties overgelegd: de ingebrekestellingen van HaSa, een index van alle correspondentie met HaSa over de gebrekkige ankerplaten, een overzicht van de meetresultaten van de werkelijke posities van de ankerplaten (met daarin verwerkt welke ankerplaten door HaSa zijn geplaatst en per type ankerplaat de hoeveelheid verkeerd geplaatste en ontbrekende ankerplaten) . Daarbij heeft zij toegelicht hoe het gevorderde bedrag van € 614.889,13 is berekend. HaSa betwist dit in haar antwoordakte van 13 augustus 2024 ‘in zijn algemeenheid’ en neemt die overzichten vervolgens ‘voor kennisgeving aan’. Vervolgens herhaalt HaSa haar eerdere stellingen met betrekking tot de ankerplaten. Naar het oordeel van het hof heeft HaSa hiermee de onderbouwde stellingen van ViMa c.s. ten aanzien van welke ankerplaten sprake is van gebreken, alsmede de daarop gebaseerde schadeberekening van ViMa, onvoldoende gemotiveerd weersproken. Ook heeft HaSa onvoldoende uitgelegd dat zij onvoldoende mogelijkheid zou hebben gekregen om de gebreken zelf te herstellen. Dit onderdeel van de vordering van ViMa c.s. zal het hof daarom toewijzen.
3.72.
Als laatste heeft het hof aan partijen uitleg gevraagd over de verrekening van het bedrag van € 111.382,31 dat is genoemd in de bijlage bij de overeenkomst van 17 juni 2011 en de brief van 11 mei 2012.
3.73.
Volgens ViMa c.s. is dit bedrag nog niet verrekend en is het genoemde bedrag onderdeel van de totale aanspraak van € 651.039,54 die ViMa op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 op HaSa heeft. Volgens ViMa c.s. stelt HaSa een vordering op ViMa te hebben van € 688.130,10. Na verrekening resteert dan € 37.090,86, vordering 6 van HaSa. ViMa c.s. erkent de aanspraken van HaSa niet en stelt dat op het bedrag van de overeenkomst van 17 juni 2011 slechts € 202.130,40 in mindering kan worden gebracht. Volgens ViMa heeft zij nog een restvordering op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 van € 448.909,14, dit is de laatste post van onderdeel B van haar vordering.
3.74.
HaSa verwijst in haar akte van 4 juni 2024 bij de beantwoording van deze vraag naar haar antwoorden op de andere vragen die het hof in 3.82 van het eerste tussenarrest heeft gesteld. Uit productie 72-3f van HaSa volgt dat HaSa ook stelt dat het genoemde bedrag onderdeel van de totale aanspraak van € 651.039,54 die ViMa op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 op HaSa heeft. Nu partijen het op dit punt eens zijn, zal het hof deze uitleg meenemen in de verdere beoordeling van de vorderingen over een weer. Een afzonderlijke beslissing is op dit niet nodig. Het hof hierop terug in 3.108 van dit arrest.
Overige herstelkosten uit de vaststellingsovereenkomst met RWE
Algemeen
3.75.
Deze kosten maakten onderdeel uit van de vermeerdering van eis in eerste aanleg in de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 van ViMa c.s. HaSa heeft in haar akte van 27 januari 2021 tegen de vermeerdering van eis bezwaar gemaakt en niet inhoudelijk op deze posten gereageerd. De rechtbank heeft de vermeerdering van eis niet toegestaan. In hoger beroep heeft ViMa c.s. deze posten echter alsnog onderdeel van haar vordering gemaakt. HaSa heeft in haar memorie van antwoord in punt 21.5 onder het derde gedachtestreepje gesteld dat niet valt in te zien op welke grond HaSa de tussen RWE en ViMa overeengekomen bedragen aan ViMa c.s. zou moeten vergoeden. Het hof heeft in 3.78 van het eerste tussenarrest overwogen dat dit deel van de vordering van ViMa c.s. per post zal worden beoordeeld en dat ViMa c.s. bij een voldoende betwisting door HaSa zal moeten aantonen dat er sprake is van een tekortkoming van HaSa en dat ViMa c.s. daardoor schade heeft geleden. Het hof heeft ViMa c.s. in de gelegenheid gesteld de op deze posten betrekking hebben producties 113 tot en met 134 in het geding te brengen. Ook mocht ViMa c.s. de post ‘
afrekening overige gebreken’ nader specificeren en per onderdeel aangeven welk verwijt zij HaSa maakt, tot welke schade dit heeft geleid en op welke wijze zij HaSa op deze verwijten heeft aangesproken. HaSa mocht hierop in haar antwoordakte reageren.
3.76.
HaSa heeft in haar antwoordakte van 13 augustus 2024 als reactie opgenomen dat het standpunt van HaSa met betrekking tot de antwoordconclusie van ViMa c.s. van 21 oktober 2020 en met betrekking tot de eis in reconventie bekend is en als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Inhoudelijk heeft HaSa echter niet gereageerd op de posten roestvlekken op beton, uitzettingsvoegenbanden, kosten ELG, Alpine, Franzen, AQz en IBA en planningskosten HTC, terwijl die inhoudelijke betwisting ook niet uit de eerdere processtukken is af te leiden. Dat brengt volgens het eerdere oordeel van het hof mee dat, indien sprake is van een voldoende onderbouwde vordering van ViMa c.s., op deze onderdelen niet aan bewijslevering kan worden toegekomen en de vorderingen als onvoldoende weersproken moeten worden toegewezen. Het hof zal de onderbouwing van deze posten hierna beoordelen.
Roestvlekken op beton
3.77.
Volgens ViMa c.s. is overeengekomen dat op de uitvoering van het betonwerk de normering van ‘Sichtbetonklasse SB 2’ van het ‘Merkblatte Sichtbeton’ van de Duitse ‘Beton- und Bautechnik-Verein’ van toepassing is. Volgens ViMa c.s. waren er op het beton roestvlekken zichtbaar, die zijn ontstaan omdat HaSa voor het storten van het beton de wapening en bekisting niet op een deugdelijke manier heeft schoongemaakt. RWE heeft ViMa hierop aangesproken en ViMa heeft op haar beurt HaSa hierop aangesproken. ViMa c.s. verwijst voor dit laatste naar haar producties 34 en 48 bij conclusie van dupliek. ViMa c.s. legt als productie 114 een rapportage over waaruit blijkt welke onderdelen van de bouw zijn beoordeeld en waar door RWE is vastgesteld dat roestvlekken aanwezig zijn. ViMa c.s. stelt dit rapport aan HaSa ter beschikking te hebben gesteld. ViMa c.s. heeft ook producties overgelegd om aan te tonen dat zij HaSa heeft aangesproken op deze gebreken en vervolgens in gebreke heeft gesteld en dat HaSa als gevolg daarvan in verzuim verkeert. Tot slot heeft ViMa c.s. haar brief van 18 juni 2012 in het geding gebracht waarin ViMa aankondigt dat zij het herstel van de gebreken door derden zal laten uitvoeren. Omdat herstel van de roestvlekken onmogelijk was, althans onevenredig hoge kosten mee zou brengen, stelt ViMa c.s. dat haar schade gelijk is aan het bedrag dat ViMa hiervoor aan RWE heeft betaald. Hoe dat bedrag is berekend en hoe daarover is onderhandeld legt ViMa c.s. uit in haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020, waarnaar zij in hoger beroep verwijst. Omdat een klein deel van het beton door derden is aangebracht stelt ViMa c.s. in die antwoordconclusie dat 95% van deze schade aan HaSa is toe te rekenen.
3.78.
Naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. haar vordering op HaSa op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting zal het hof daarom dit deel van haar vordering toewijzen.
Uitzettingsvoegenbanden
3.79.
ViMa c.s. stelt in hoofdstuk 20 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 dat HaSa onder meer in de bouwdelen A0UBA en B0uba de voegenbanden in strijd met de in het bestek voorgeschreven norm DIN 7865, de op grond van VOB/B van toepassing zijnde norm DIN 18197 en de eisen van goed en deugdelijk werk heeft aangebracht. In 20.23 van die antwoordconclusie legt ViMa c.s. uit dat HaSa niet in staat was om de noodzakelijke herstelwerkzaamheden uit te voeren. Omdat HaSa medio 2012 haar werkzaamheden opschortte en van het werk verdween, heeft Alpine in opdracht van RWE herstelwerkzaamheden uitgevoerd. RWE wenste hiervoor € 30.000 bij ViMa in rekening te brengen. ViMa c.s. stelt dat zij met RWE heeft onderhandeld en de schade vervolgens tussen hen is begroot op € 11.500.
3.80.
Naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. haar vordering op HaSa op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting zal het hof daarom dit deel van haar vordering toewijzen.
Kosten ELG en Alpine
3.81.
ViMa c.s. verwijst ook op dit onderdeel van haar vordering naar haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020. In hoofdstuk 21 daarvan heeft zij dit onderdeel toegelicht. Firma Alpine en firma ELG hebben volgens ViMa c.s. meerwerk bij RWE in rekening gebracht. Beide bedrijven waren bij de bouw betrokken en dienden werkzaamheden te verrichten die voortbouwden op de door HaSa uitgevoerde werkzaamheden. Volgens ViMa c.s. is het meerwerk ontstaan, omdat de werkzaamheden van HaSa ondeugdelijk waren. Dit betrof i) de overschrijding van de toepasselijke bouw- en vlakheidstoleranties DIN 18331 en DIN 18202, ii) onderschrijding van de voorgeschreven betondekking van minimaal 5,5 cm boven wapening en iii) ontbrekende of verkeerd gepositioneerde ankerplaten en andere bouwdelen. ViMa c.s. heeft in haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 uitgelegd hoe zij HaSa in gebreke heeft gesteld en hoe de hoogte van haar schade is berekend. ViMa c.s. heeft in 18.41 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 toegelicht dat de hier gevorderde schade niet is begrepen in de schade wegens niet of niet juist geplaatste ankerplaten. HaSa heeft dat niet weersproken. Van een dubbeltelling is daarom naar het oordeel van het hof geen sprake.
3.82.
Naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. haar vordering op HaSa op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting zal het hof daarom dit deel van haar vordering toewijzen.
Kosten Franzen
3.83.
ViMa c.s. heeft dit onderdeel van haar vordering toegelicht in hoofdstuk 22 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020, waarnaar zij verwijst in hoger beroep. Volgens ViMa c.s. heeft nevenaannemer Franzen meerwerk in rekening gebracht omdat het betonwerk van HaSa in de bouwdelen A0UMA, B0UMA, A0UHA, B0UHA, R0UBA, R0UGB, A0UQA, B0UQA en R0UVH niet voldeed aan in DIN norm 18202 gestelde eisen voor de vlakheid van de buitenwanden en het dak. ViMa c.s. heeft toegelicht hoe zij HaSa in gebreke heeft gesteld en hoe de schade is berekend. ViMa c.s. houdt HaSa voor 95% van die schade aansprakelijk.
3.84.
Naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. haar vordering op HaSa op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting zal het hof daarom dit deel van haar vordering toewijzen.
Kosten AQZ
3.85.
ViMa c.s. heeft dit onderdeel van haar vordering toegelicht in hoofdstuk 23 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020. Volgens ViMa c.s. heeft nevenaannemer AQZ meerwerk in rekening gebracht omdat het betonwerk van HaSa in de bouwdelen R2UET en R2UBT niet voldeed aan in DIN norm 18202 gestelde eisen voor vlakheid. ViMa c.s. houdt HaSa niet aansprakelijk voor alle gebreken die RWE volgens de Täm-Liste van 22 januari 2013 bij ViMa in rekening heeft gebracht, omdat alleen twee daarvan uitsluitend aan HaSa kunnen worden toegerekend. Dit betreft ‘nachträgliche Herstellung Lagerausgleich Konsolen Gipsbandbrücke’en ‘Fehlende Ankerplatten’. ViMa c.s. heeft toegelicht hoe zij HaSa in gebreke heeft gesteld en hoe de schade is berekend. ViMa c.s. houdt HaSa voor 95% van die schade aansprakelijk. ViMa c.s. heeft in 18.41 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 toegelicht dat de hier gevorderde schade niet is begrepen in het voor de schade wegens niet of niet juist geplaatste ankerplaten. HaSa heeft dit niet weersproken. Van een dubbeltelling is daarom naar het oordeel van het hof geen sprake.
3.86.
Naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. haar vordering op HaSa op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting zal het hof daarom dit deel van haar vordering toewijzen.
Kosten IBA
3.87.
ViMa c.s. heeft dit onderdeel van haar vordering toegelicht in hoofdstuk 24 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020. Volgens ViMa c.s. heeft nevenaannemer IBA meerwerk in rekening gebracht omdat in de bouwdeel R2UET de ankerplaten niet allemaal op de juiste positie en/of met de juiste toleranties waren geplaatst, twee ankerplaten op as 3 hoger waren gepositioneerd dan in F2 was aangegeven en de silovloeren in R2UVE niet aan de overeengekomen vlakheidseisen voldeden. ViMa c.s. heeft toegelicht hoe zij HaSa in gebreke heeft gesteld en hoe de schade is berekend. ViMa c.s. houdt HaSa voor 96,2% van die schade aansprakelijk. ViMa c.s. heeft in 18.41 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 toegelicht dat de hier gevorderde schade niet is begrepen in het voor de schade wegens niet of niet juist geplaatste ankerplaten. HaSa heeft dit niet weersproken. Van een dubbeltelling is daarom naar het oordeel van het hof geen sprake.
3.88.
Naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. haar vordering op HaSa op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting zal het hof daarom dit deel van haar vordering toewijzen.
Planningskosten HTC
3.89.
ViMa c.s. heeft in hoofdstuk 25 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 toegelicht dat ingenieursbureau Hochtief Construction AG kosten in rekening heeft gebracht voor het opstellen van een gewijzigd uitvoeringsontwerp, beton- en wapeningsontwerpen en constructieberekeningen die noodzakelijk waren vanwege het herstel van de gebrekkige betonwerken van HaSa. Deze kosten waren vooral noodzakelijk doordat het werk van HaSa afweek van het ontwerp en bestek ten aanzien van de wapening in het beton en de niet correcte inbouw van ankerplaten en andere inbouwdelen. De schade bestaat volgens ViMa uit ontwerpkosten (€ 277.828,75, zie punt 25.22 van de antwoordconclusie van 21 oktober 2020), kosten van onderzoeken en testen (€ 50% van de ontwerpkosten, zie punt 25.23 van die antwoordconclusie) en een aan RWE betaalde toeslag van 10%. ViMa c.s. heeft toegelicht hoe zij HaSa in gebreke heeft gesteld. ViMa c.s. houdt HaSa aansprakelijk voor 95% van deze schade.
3.90.
Naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. haar vordering op HaSa op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting zal het hof daarom dit deel van haar vordering toewijzen.
Afrekening overige gebreken
3.91.
Deze post bestaat uit twaalf onderdelen, die afkomstig zijn van de door RWE opgestelde Täm-liste die ViMa c.s. als productie 102 in het geding heeft gebracht. Deze twaalf onderdelen betreffen afwijkingen van DIN 18202 in het werk van HaSa, aldus ViMa c.s. in punt 6.6 van haar akte van 4 juni 2024. Het gaat om de volgende punten:
  • 344 Maβabweichungen Fundamente vs Stutzen (bouwdeel R0UGB)
  • 344 Stahlbau Multiflow (bouwdeel R0UGB)
  • 350 Zu Groβe Durchbrüche (bouwdeel R0UGB)
  • 323 Siloböden (bouwdeel R2UVE), deze post kan volgens ViMa vervallen
  • 420 Montage und verpacken Flansch Vorpumpe (bouwdeel A0ALC20), deze post kan volgens ViMa vervallen
  • 321 Zwei Anschweiβplatten an der Achse 3 (dit betreft de ankerplaten met de nummers R2UET2009000222 en R2UET2009000233)
  • 321 Fehlende bzw. falsch einbetonierte Ankerplatten (bouwdeel R2UET)
  • 350 Wanddurchbruch für Brandschutzklappe zu klein hergestellt (bouwdeel R0UGB)
  • 321 Verschobene und fehlende Ankerplatten (bouwdeel R2UET)
  • 344 Aufgrund starker Ovalitäten keine abdichtung mit Kettengliederdichtungen möglich
  • 344 Becken ‘tank for cleaning water’ fehlende befesigungspunkte für Halterug der Leitungen
  • 321 Verschobene Ankerplatten (bouwdeel R2UET).
Het hof begrijpt uit de samenvatting die ViMa c.s. in 6.46 van haar akte van 4 juni 2024 geeft, dat deze punten allemaal betrekking hebben op de gevolgen van de verkeerd geplaatste of ontbrekende ankerplaten. ViMa wijst erop dat zij HaSa voor veel van deze gebreken niet meer in gebreke heeft gesteld, omdat HaSa al in verzuim verkeerde omdat zij het werk verlaten had en bovendien geen gevolg gaf aan eerder verzonden ingebrekestellingen.
3.92.
Het hof stelt vast dat ViMa c.s. in haar toelichting op de hiervoor genoemde punten onvoldoende heeft uitgelegd op grond waarvan HaSa aansprakelijk is en tot welke schade de gestelde gebreken hebben geleid. Dit deel van de vordering van ViMa c.s. zal het hof daarom afwijzen. Ter motivering van dit oordeel wijst het hof op het volgende.
3.93.
Bij de eerste twee punten 344 geeft ViMa c.s. aan dat dit gebreken zijn die zijn gemeld door de firma ELG en voor de firma ELG tot meerwerk hebben geleid. De exacte hoogte van de extra kosten is niet bekend en naar het oordeel van het hof heeft ViMa c.s. ook onvoldoende uitgelegd waarom die extra kosten niet begrepen zijn in de vordering van ViMa die het hof in 3.81 e.v. van dit arrest heeft beoordeeld. Met betrekking tot het gestelde gebrek Stahlbau Multiflow erkent ViMa c.s. dat een gedetailleerde aanduiding van de gebreken niet meer mogelijk is omdat ViMa c.s. niet meer beschikt over de desbetreffende documenten. Ook is onduidelijk welk deel van het door ViMa c.s. gevorderde bedrag op deze posten betrekking heeft. Op deze twee onderdelen heeft ViMa niet aan haar stelplicht voldaan. Aan bewijs komt het hof dan niet toe.
3.94.
Bij post 350 erkent ViMa c.s. dat een gedetailleerde aanduiding van de gebreken niet meer mogelijk is omdat ViMa c.s. niet meer beschikt over de desbetreffende documenten. ViMa c.s. beschikt niet meer over correspondentie met HaSa waarin dit gebrek met een ingebrekestelling aan HaSa wordt gemeld. Ook bij dit punt is onduidelijk welk deel van het door ViMa c.s. gevorderde bedrag hierop betrekking heeft. Ook hier heeft ViMa niet aan haar stelplicht voldaan.
3.95.
Ten aanzien van de twee specifiek aangeduide ankerplaten bij de eerste post 321 erkent ViMa c.s. dat de exacte kosten van het meerwerk dat de firma IBA volgens haar moest verrichten als gevolg van dit gebrek niet bekend zijn. Welk deel van het gevorderde bedrag van € 190.000 op dit onderdeel betrekking heeft is voor het hof niet vast te stellen. Het hof ziet in de processtukken ook onvoldoende aanknopingspunten om tot een schatting daarvan te komen. Ook deze post kan niet tot toewijzing van enig schadebedrag leiden.
3.96.
Bij het tweede punt 321 stelt ViMa c.s. dat het niet meer mogelijk is aan te geven om welke ankerplaten dit gaat. ViMa c.s. erkent deze post niet aan HaSa te hebben doorgestuurd. Volgens ViMa c.s. gaat het hier om een groot aantal verkeerd geplaatste of ontbrekende ankerplaten, als gevolg waarvan de firma IBA meerwerkkosten in rekening heeft gebracht. Ook hiervoor geldt dat de exacte kosten niet bekend zijn. Op beide punten heeft ViMa c.s. niet aan haar stelplicht voldaan.
3.97.
Post 350 betreft volgens ViMa c.s. een wandopening ten behoeve van een brandklep. Deze wandopening heeft HaSa volgens ViMa c.s. te klein gemaakt. Daardoor moest de firma IBA de opening groter maken en de wapening in de wand behandelen tegen corrosie. ViMa c.s. erkent dat dit gebrek niet separaat aan HaSa is door gestuurd. Ook erkent ViMa c.s. dat de exacte kosten voor het herstel van dit gebrek niet bekend zijn. Welk deel van het gevorderde bedrag van € 190.000 op dit onderdeel betrekking heeft is voor het hof niet vast te stellen. Het hof ziet in de processtukken ook onvoldoende aanknopingspunten om tot een schatting daarvan te komen. Ook deze post kan daarom niet tot toewijzing van enig schadebedrag leiden. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, omdat ViMa c.s. niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
3.98.
Bij het derde en het vierde punt 321 verwijst ViMa c.s. naar haar toelichting op de eerdere twee punten 321. Deze punten delen het lot van die eerdere twee punten 321 en kunnen niet tot toewijzing van enig bedrag leiden.
3.99.
Het derde en het vierde punt 344 betreffen meerwerk van de firma ELG en hangen samen met het multiflow systeem. ViMa c.s. heeft dit gebrek niet separaat aan HaSa doorgegeven en de exacte kosten van herstel zijn niet bekend. Dit punt deelt daarom het lot van de hiervoor besproken punten 344.
3.100. ViMa c.s. heeft in haar toelichting op de diverse onderdelen van de restgebreken tekeningen in het geding gebracht. ViMa c.s. zegt daar zelf over dat die tekeningen zonder toelichting, die ViMa c.s. volgens haar eigen stellingen lastig kan geven, niet veel informatie voor het hof zullen opleveren. ViMa c.s. biedt aan door een getuigenverhoor een toelichting te geven. Ook aan deze bewijsaanbiedingen gaat het hof voorbij. Het is aan ViMa c.s. te stellen wat er uit die tekeningen kan worden afgeleid in relatie tot de grondslag van haar vordering. Dat heeft ViMa c.s. niet gedaan. Voor bewijslevering is dan geen plaats.
Stekeinden
3.101. Deze vordering heeft betrekking op door ViMa geplaatste Hilti ankers, die volgens ViMa c.s. geplaatst moesten worden in verband met gebreken in het door HaSa uitgevoerde werk. ViMa c.s. bevestigt allereerst de aanname van het hof, dat de vordering met betrekking tot de stekeinden geen onderdeel uitmaakt van de schikking met RWE. ViMa c.s. heeft vervolgens alsnog de bij de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 behorende producties 135 en 136 aan het hof overgelegd. Zoals het hof in 3.14 van dit arrest heeft vermeld, heeft ViMa c.s. haar eis op dit onderdeel verminderd. ViMa c.s. heeft een nieuw overzicht in het geding gebracht (productie 150 bij de akte van 4 juni 2024). Als productie 151 bij die akte heeft ViMa c.s. eenzelfde overzicht in digitale vorm overgelegd, met onderliggende stukken. In dat overzicht is vermeld in welke gevallen het gaat om vervanging van verkeerd geplaatste stekeinden, in welke gevallen het gaat om alsnog geplaatste stekeinden waar deze ontbraken en in welke gevallen een stekeinde is geplaatst, omdat de ankerplaat niet, of niet op de juiste plaats, was aangebracht. ViMa heeft de meeste van deze Hilti ankers laten plaatsen terwijl HaSa nog op het werk aanwezig was. Niet in alle gevallen heeft ViMa HaSa voor de gebreken een ingebrekestelling gestuurd. De ingebrekestellingen die wel zijn verzonden, heeft ViMa c.s. in haar overzichten verwerkt. Voor de aansprakelijkheid van HaSa is dit volgens ViMa c.s. niet van belang, omdat vaststaat dat HaSa niet de bevoegdheid en/of toestemming had om de Hilti ankers te plaatsen. Volgens ViMa c.s. heeft HaSa haar aansprakelijkheid op dit onderdeel ook erkend in de overeenkomst van 17 juni 2011. In die overeenkomst is het bedrag van de vordering van ViMa op dit onderdeel nog niet opgenomen.
3.102. HaSa stelt in haar antwoordakte van 4 juni 2024 dat er blijkbaar vanwege ViMa te weinig ankerplaten zijn geplaatst, of ankerplaten niet goed zijn geplaatst. HaSa sluit niet uit dat ViMa een fout heeft gemaakt in het bestek of dat er later in overleg met RWE wijzigingen in het bestek zijn doorgevoerd. HaSa vraagt zich verder af waarom zij niet is aangesproken om de vermeende fouten te herstellen. HaSa betwist dat zij in verzuim is geraakt en dat de gevorderde kosten voor haar rekening komen.
In reactie op productie 151 van ViMa c.s. stelt HaSa dat de vordering kennelijk is gebaseerd op het plaatsen van 11.920 ankers. Volgens HaSa is uitgesloten dat zij zoveel ankers zou zijn vergeten, omdat ViMa dan geen goedkeuring zou hebben gegeven voor het betonneren. Verder wijst HaSa erop dat ‘auf Nachweis’ betekent ‘wanneer bewezen of aangetoond’. Het moet dus gaan om aan HaSa toe te rekenen fouten, die tijdig aan haar zijn gemeld, zonder dat HaSa van haar herstelmogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Daarvan is volgens HaSa geen sprake.
3.103. Het hof stelt voorop dat HaSa de door ViMa c.s. aangehaalde afspraak in de overeenkomst van 17 juni 2011 niet betwist. HaSa betwist ook niet dat die afspraak betrekking heeft op alle drie de onderdelen van deze vordering van ViMa c.s.. HaSa wijst naar het oordeel van het hof terecht op de uitleg van de toevoeging ‘auf Nachweis’ in de overeenkomst van 17 juni 2011. In de overeenkomst van 17 juni 2011 is een lijst opgenomen van bij HaSa in te houden bedragen. Op die lijst van 22 posten is bij een aantal posten vermeld ‘auf Nachweis’. De post waar het hier om gaat is als volgt opgenomen: “Kosten für Hilti Hit für das nachträgliche Einbauen von vergessener bewehrung.” ViMa c.s. heeft al in haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 gesteld dat deze bepaling inhoudt dat HaSa haar aansprakelijkheid voor het plaatsen van de Hilti ankers erkent. Het hof volgt die uitleg. Dat daar achter is gezet “auf Nachweis’ doet naar het oordeel van het hof niet af aan die erkenning van aansprakelijkheid, maar betekent dat ViMa c.s. de werkelijke kosten van het plaatsen van de Hilti ankers zal moeten aantonen. Dat heeft ViMa c.s. in ieder geval gedaan met productie 150 en 151. Die overzichten met de daarin opgenomen bedragen heeft HaSa onvoldoende gemotiveerd betwist. Dat ViMa een fout heeft gemaakt in het bestek of het bestek is gewijzigd heeft HaSa niet geconcretiseerd. HaSa miskent ook dat het niet alleen om vergeten stekeinden gaat, maar ook om niet juist geplaatste stekeinden en Hilti ankers die nodig waren in verband met niet of niet juist geplaatste ankerplaten. HaSa stelt nog dat het gevorderde bedrag kennelijk is gebaseerd op het plaatsen van 11.920 ankers. HaSa stelt vervolgens: “
In AZ 30 positie 1.4.2030 factureert ViMa 4.762 ankers en onder nummer 1.4.2040 nog eens 801 waardoor het totaal maximum neerkomt op 4.572. Gesteld dat HaSa deze kosten kunnen worden toegerekend, dient de vordering met dit aantal verminderd te worden.” Zonder verdere uitleg is dit voor het hof onbegrijpelijk. Rekenkundig kan het hof HaSa niet volgen. Het hof ziet ook geen evidente rekenfout in de stelling van HaSa besloten liggen. Bovendien is zonder uitleg ook niet goed te begrijpen waarom de vermelde facturen tot vermindering van dit onderdeel van de vordering van ViMa zouden moeten leiden.
HaSa heeft nog betwist dat zij in verzuim is geraakt, maar ook dat passeert het hof. HaSa heeft namelijk niet betwist dat zij niet bevoegd was om Hilti ankers te plaatsen. Evenmin heeft HaSa gesteld dat herstel op een andere manier dan door het plaatsen van Hilti ankers mogelijk was. Daarmee staat vast dat alsnog deugdelijk nakomen voor HaSa onmogelijk was. Dan treedt het verzuim op grond van artikel 6:81 BW direct in zonder dat eerst aan de eisen van artikel 6:82 BW en artikel 6:83 BW moet zijn voldaan. De slotsom is dat het hof dit onderdeel van de vordering van ViMa c.s. zal toewijzen.
Restgebreken
3.104. ViMa c.s. heeft alsnog de bij de antwoordconclusie van 21 oktober 2020 behorende producties 137, 138 en 139 aan het hof overgelegd. Zoals het hof in 3.15 van dit arrest heeft vermeld, heeft ViMa c.s. haar eis op dit onderdeel verminderd. ViMa c.s. heeft als productie 155 bij haar akte van 4 juni 2024 een nieuw overzicht van de ‘Rest-/MängelPunkte’ in het geding gebracht, in digitale vorm met alle onderliggende stukken daarin verwerkt. In haar akte heeft ViMa c.s. uitgelegd hoe dit bestand moet worden gelezen. In kolom D van dit overzicht staat de klacht, dan wel het gebrek omschreven. Volgens ViMa c.s. zijn alle in productie 155 opgenomen gebreken en/of klachten aan HaSa toe te rekenen. Het hof kan in de antwoordakte van HaSa van 13 augustus niet lezen dat HaSa betwist dat de vermelde gebreken en klachten aan haar zijn toe te rekenen. HaSa stelt dat er sprake is van dubbeltellingen, omdat er opnieuw verkeerd geplaatste, ontbrekende of defecte ankerplaten op de lijst staan. Welke dat zijn concretiseert HaSa niet, terwijl ViMa in punt 28.1 van haar antwoordconclusie van 21 oktober 2020 al had gesteld dat alle restgebreken niet bij de eerdere vorderingen aan de orde zijn gekomen. Waarom en op welke onderdelen er desondanks sprake zou zijn van een dubbeltelling heeft HaSa onvoldoende onderbouwd. HaSa vindt het opvallend dat het merendeel van de meldingen van na 31 januari 2012 is. HaSa wijst er daarbij op dat partijen in mei 2012 de zogeheten ‘gele lijsten’ hebben opgesteld en dat partijen in juni 2012 uitgebreid met elkaar hebben gesproken. Daarbij is volgens HaSa ook besproken dat ViMa nog zaken aan een Gutachter zou voorleggen. Volgens HaSa had ViMa meer dan genoeg tijd om deze restgebreken met HaSa te bespreken. Het hof laat deze opmerkingen verder buiten beschouwing, omdat HaSa er geen voldoende concrete gevolgtrekking aan verbindt. HaSa maakt nog een punt van het ontbreken van ingebrekestellingen. Het hof heeft ViMa c.s. in het eerste tussenarrest gevraagd om toe te lichten dat het gaat om gebreken ten aanzien waarvan HaSa in verzuim verkeert. ViMa c.s. heeft voor een groot aantal van de restgebreken de daarmee corresponderende ingebrekestelling overgelegd. In die gevallen heeft HaSa naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd weersproken dat zij in verzuim verkeert. Dat geldt ook voor gebreken die bij ViMa zijn gemeld nadat HaSa haar verplichtingen had opgeschort en het werk had verlaten. Uit 3.34 van het eerste tussenarrest volgt dat dit in ieder geval voor 4 juni 2012 is geweest. Voor de RMP vanaf nummer 1530 mocht ViMa aannemen dat HaSa door die mededeling zonder ingebrekestelling in verzuim verkeerde, omdat die opschorting van HaSa onterecht was. ViMa c.s. erkent dat zij voor de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507 geen ingebrekestelling aan HaSa heeft gestuurd. Uit het overzicht van productie 155 blijkt dat deze RMP aan ViMa zijn gemeld voordat HaSa het werk had verlaten. Hoe HaSa met betrekking tot deze RMP in verzuim is geraakt, heeft ViMa c.s. niet toegelicht, ondanks dat het hof daar uitdrukkelijk om heeft gevraagd. Daardoor heeft ViMa c.s. op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan en komt het hof niet toe aan bewijslevering. De vordering van ViMa c.s. is voor deze RMP niet toewijsbaar.
Het hof heeft ViMa c.s. in het eerste tussenarrest, overeenkomstig haar aanbod in de antwoordconclusie van 21 oktober 2020, in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven dat de herstelkosten daadwerkelijk zijn gemaakt ten aanzien van gebreken waarvan HaSa in verzuim verkeerde. Het hof leest die toelichting niet in de akte van ViMa c.s. van 4 juni 2024. Uit de overzichten die ViMa c.s. bij dit onderdeel van haar vordering heeft overgelegd is voor het hof niet af te leiden tot welke herstelkosten de RMP hebben geleid die op grond van het voorgaande niet toewijsbaar zijn.
Omdat HaSa onvoldoende heeft weersproken dat zij gehouden is de daadwerkelijke herstelkosten te betalen van de restgebreken, met uitzondering van de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, zal het hof aan de deskundige vragen of zij in staat is uit de administratie van ViMa te destilleren welke daadwerkelijke herstelkosten ViMa heeft gemaakt om de restgebreken, met uitzondering van de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, te herstellen.
De bonus voor het Machinenhaus
3.105. HaSa doet een beroep op verrekening van haar vordering wegens een bonus voor het Maschinenhaus met enig bedrag dat zij aan ViMa c.s. zal moeten betalen. Uit dit arrest en het eerste tussenarrest volgt dat HaSa in ieder geval enig bedrag aan ViMa c.s. verschuldigd is. Het hof zal daarom reeds nu de vordering van HaSa op dit onderdeel bespreken. Voor de standpunten van partijen verwijst het hof naar 3.61 van het eerste tussenarrest.
3.106. In het verslag van 4 juni 2012 staat dat ViMa de aanspraak van HaSa van € 2.800.000 als bonus voor het Maschinenhaus niet erkent, maar dat HaSa volhardt in deze vordering. HaSa heeft in een brief van 6 juni 2012 aan ViMa onder meer geschreven dat zij de aanspraak op deze bonus handhaaft. Daarop hebben partijen opnieuw met elkaar gesproken op 12 juni 2012. In het verslag dat van die bespreking is gemaakt staat op pagina twee:
Punkt 17 “Back to Back Maschinenhaus”
Der Bonus auf Lohnnachtrag für das Maschinenhaus würden wird zahlen.
ViMa c.s. heeft er in haar akte van 25 juni 2014 in punt 5.20 op gewezen dat met de woorden “
Bonus auf Lohnnachtrag für das Maschinenhaus” niet de door HaSa bedoelde bonus voor het Maschinenhaus is bedoeld. ViMa heeft ook gesteld dat HaSa de grondslag van dit deel van haar vordering en de opbouw van het gevorderde bedrag op geen enkele wijze heeft onderbouwd. ViMa wijst er ook op dat het gegeven dat zij in het kader van het bereiken van een totaalafspraak bereid zou zijn geweest de bonus te betalen niet betekent dat zij die vordering onvoorwaardelijk heeft erkend. Het hof stelt voorop dat door HaSa volgens het verslag van 4 juni 2012 en haar brief van 6 juni 2012 duidelijk is gesteld dat zij meent recht te hebben op betaling van een bonus van € 2.800.000 voor het Maschinenhaus. Wat voor bonus dat is en wanneer de betaling van die bonus is overeengekomen en welke voorwaarden daarvoor gelden blijkt niet. Dat voor ViMa niet duidelijk is geweest op welke grondslag dit was en hoe dat bedrag is opgebouwd kan het hof echter ook niet afleiden uit het verslag van 4 juni 2012. Dat in het verslag van 12 juni 2014 een andere bonus wordt bedoeld blijkt ook nergens uit. ViMa c.s. stelt dat het verslag van 12 juni 2014 nooit aan HaSa is gestuurd en dat dit verslag alleen voor intern gebruik is opgesteld. Daaruit kan volgens ViMa c.s. daarom niet worden afgeleid dat partijen overeenstemming hebben bereikt op enig punt. Volgens HaSa is op 12 juni 2012 alsnog overeenstemming bereikt over de betaling van de door haar bedoelde bonus van € 2.800.000. Het hof zal HaSa toelaten tot het bewijs van deze stelling. In het geval HaSa niet slaagt in dat bewijs komt HaSa geen beroep op verrekening toe. Voor het bestaan van de aanspraak op deze bonus op andere gronden dan de gestelde overeenstemming op 12 juni 2012 heeft HaSa onvoldoende gesteld. Om proceseconomische redenen zal het hof HaSa de bewijslevering in een later stadium van de procedure toestaan.
De verrekening op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011
3.107. In 3.90 van het eerste tussenarrest heeft het hof overwogen dat HaSa erkent dat ViMa op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 aanspraak heeft op verrekening van een bedrag van € 651.039,54. Partijen zijn het erover eens dat op dit bedrag € 256.854 en € 54.723,60 in mindering moet worden gebracht, zodat een ten gunste van ViMa c.s. te verrekenen bedrag van € 448.909,14 resteert (zie 3.89 van het eerste tussenarrest). ViMa c.s. vordert betaling van dit bedrag. Uit 3.90 van het eerste tussenarrest volgt dat HaSa stelt dat op dit bedrag in mindering moet worden gebracht de vertragingskosten wegens het werken met glijbekisting bij de ronde silowanden van in totaal (€ 364.500 + € 121.500 =) € 486.000. Dat betekent volgens HaSa dat ViMa c.s. geen vordering wegens verrekening meer heeft op haar, maar dat HaSa een vordering heeft op ViMa van € 37.090,86.
3.108. De boordeling van deze twee vorderingen hangt af van de vraag of HaSa recht heeft op betaling van de gestelde vertragingsschade wegens het werken met glijbekisting. Uit 3.51 van dit arrest volgt dat betaling van de vertragingstoeslag door ViMa aan HaSa voor vertraging als gevolg van het werken met glijbekisting is afgesproken onder de voorwaarde dat RWE akkoord zou gaan met de betaling aan ViMa van een moeilijkheidstoeslag van € 340 per ton voor de glijbekisting. Het hof heeft in 3.48 van dit arrest beslist dat het aan de deskundige zal vragen om te onderzoeken of RWE die toeslag heeft betaald of niet. De verdere beoordeling van de vordering van ViMa c.s. op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 is – net als de verdere beoordeling van de vordering van HaSa op grond van de overeenkomst van 31 augustus 2011 van de uitkomst van het deskundigenonderzoek afhankelijk.
De benoeming van een deskundige
3.109. In het eerste tussenarrest heeft het hof aangekondigd dat het van plan is de eerder door de rechtbank benoemde deskundige opnieuw te benoemen ter beantwoording van:
  • de verdere beoordeling van het resterende deel van de kleine bouwplaatsen, onderdeel van vordering 1 van HaSa;
  • de beoordeling van vordering 3 van HaSa;
  • de beoordeling van de vordering van ViMa c.s. met betrekking tot de kosten als gevolg van schade aan en vermissing van bekistingsmateriaal.
3.110. Beide partijen kunnen zich vinden in het benoemen van [naam2] tot deskundige. Beide partijen vinden dat vooralsnog met de benoeming van één deskundige kan worden volstaan. ViMa c.s. wijst er op dat zij bij enkele schadevorderingen niet beschikt over facturen van derden. Voor die posten stelt ViMa c.s. voor om bij betwisting door HaSa een deskundige op het gebied van bouwkosten te benomen, om de redelijkheid van de gevorderde bedragen te beoordelen. Het hof ziet geen aanleiding om reeds nu een bouwkosten deskundige te benoemen.
HaSa heeft voor de aan de deskundige te stellen vragen verwezen naar haar aktes van 18 mei 2016, 22 juni 2016 en 14 september 2016. ViMa c.s. wijst er naar het oordeel van het hof terecht op dat in de laatste twee aktes van HaSa geen concrete voorstellen voor aan de deskundige te stellen vragen staan. Ook wijst ViMa c.s. er terecht op dat de opmerkingen die HaSa in die twee aktes maakt geen betrekking lijken te hebben op de vragen zoals het hof die aan de deskundige voor wil leggen. In haar akte van 18 mei 2016 stelt HaSa 12 algemene vragen voor en 44 specifieke vragen. Het hof begrijpt niet wat HaSa bedoelt met haar verwijzing naar deze vragen. Enige toelichting waarom deze 56 vragen relevant zijn voor de door het hof aan de deskundige te stellen vragen ontbreekt. Het hof gaat daarom voorbij aan de door HaSa voorgestelde vragen.
3.111. Het hof heeft naar aanleiding van de processtukken van na het eerste tussenarrest nog vragen toegevoegd aan de eerder door het hof voorgestelde vragen, zie daarvoor 3.48 en 3.104 van dit arrest.
3.112. Het hof zal de deskundige benoemen om aan de hand van de administratie van HaSa en de administratie van ViMa c.s. de volgende vragen te beantwoorden:
1. Met betrekking tot de kleine bouwplaatsen, zie 3.43 van het eerste tussenarrest:
a. Kunt u vaststellen dat van de facturen van HaSa met de nummers 349, 350, 408, 409, 410, 411 en 426 de in rekening gebrachte hoeveelheden daadwerkelijk zijn verwerkt?
b. Kunt u vaststellen dat de daadwerkelijke verwerkte hoeveelheden tegen de overeengekomen eenheidsprijzen en toeslagen zijn gefactureerd?
c. Heeft u voor de in die facturen in rekening gebrachte werkzaamheden een hoeveelhedenstaat en/of uitvoerdersbon aangetroffen? Zo ja, van welke datum zijn die en zijn die ondertekend namens ViMa?
d. Kunt u voor meerwerk dat met deze facturen in rekening is gebracht een opdracht namens ViMa voor dat meerwerk in de administraties terugvinden?
e. Kunt u vaststellen dat ViMa betalingen heeft gedaan aan HaSa met betrekking tot deze facturen? Zo ja, welke bedragen zijn op welke facturen betaald?
2. Met betrekking tot de factuur van 18 april 2012, zie 3.47 van het eerste tussenarrest:
a. Kunt u vaststellen dat de in rekening gebrachte hoeveelheden daadwerkelijk zijn verwerkt?
b. Kunt u vaststellen dat de daadwerkelijke verwerkte hoeveelheden tegen de overeengekomen eenheidsprijzen en toeslagen zijn gefactureerd?
c. Heeft u voor de in die facturen in rekening gebrachte werkzaamheden een hoeveelhedenstaat en/of uitvoerdersbon aangetroffen? Zo ja, van welke datum zijn die en zijn die ondertekend namens ViMa?
d. Kunt u voor meerwerk dat met deze factuur in rekening is gebracht een opdracht namens ViMa voor dat meerwerk in de administraties terugvinden?
e. Kunt u vaststellen dat ViMa betalingen heeft gedaan aan HaSa met betrekking tot deze factuur? Zo ja, welke bedragen zijn op voor welke werkzaamheden betaald?
3. Met betrekking tot de schade aan het bekistingsmateriaal, zie 3.69 van het eerste tussenarrest:
a. Kunt u vaststellen dat ViMa voor een bedrag van € 1.167.101,32 facturen van Doka heeft betaald ter vergoeding van schade aan en vermissing van bekistingsmateriaal?
b. Indien u dit niet tot het gehele bedrag, maar wel tot een deel van dat bedrag kunt vaststellen; welke bedragen heeft ViMa aan Doka vergoed wegens schade aan of vermissing van bekistingsmateriaal op basis van welke facturen van Doka?
4. Met betrekking tot (de voorwaarde in) de overeenkomst van 31 augustus 2011, zie 3.51 van dit arrest:
a. Kunt u vaststellen dat RWE voor bouwdeel R2UET in verband met het werken met glijbekisting een meerwerktoeslag of moeilijkheidstoeslag heeft betaald van € 340 per ton?
5. Met betrekking tot de restgebreken:
a. Kunt u vaststellen welke herstelkosten ViMa daadwerkelijk heeft gemaakt om de restgebreken,
met uitzondering van de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, te herstellen?
b. Indien u dit niet voor alle te onderzoeken restgebreken kunt vaststellen, kunt u dan per RMP nummer waarvoor u dat wel kunt vaststellen, aangeven wat de daadwerkelijk gemaakte herstelkosten zijn?
6. Heeft u naar aanleiding van uw onderzoek nog nadere vragen en/of opmerkingen waarvan u meent dat die voor de genomen of te nemen beslissingen van het hof van belang zijn? Zo ja, welke zijn dit en waarom acht u die van belang voor de beslissingen van het hof?
3.113. Partijen zijn verplicht om de deskundige volledige toegang tot hun administratie te geven. Ook zijn partijen verplicht de deskundige alle informatie, schriftelijke stukken of mondelinge toelichting, te geven waar de deskundige om vraagt, voor zover zij over de gevraagde informatie beschikken. De vraagstelling aan de deskundige heeft betrekking op zowel stelling waarvan HaSa de bewijslast heeft, als stellingen waarvan ViMa c.s. de bewijslast heeft. Daar zal het hof bepalen dat iedere partij de helft van het voorschot van de deskundige moet betalen.
Samenvatting tot nu toe en vervolg van de procedure
3.114. Het hof corrigeert de laatste zin van 3.67 van het eerste tussenarrest. ViMa c.s. stelt dat HaSa 6/7 deel van de schade aan het bekistingsmateriaal (totaal € 1.167.101,32) moet betalen, zie 3.34 van dit arrest.
3.115. Het hof komt terug van zijn beslissing in 3.68 van het eerste tussenarrest, voor zover daarin is beslist dat ViMa c.s. zal moeten aantonen dat de schade aan het bekistingsmateriaal voor het deel waarvan zij betaling van HaSa vordert aan HaSa kan worden toegerekend, zie 3.36 van dit arrest.
3.116. Het hof komt terug van zijn beslissing in 3.91 van het eerste tussenarrest dat ViMa c.s. geen kenbare grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat van de vordering van HaSa een bedrag van € 37.090,86 op grond van de overeenkomst van 17 juni 2011 toewijsbaar is, zie 3.38 van dit arrest.
3.117. Uit het eerste tussenarrest en dit arrest volgen de volgende beslissingen:
Ten aanzien van de vorderingen van HaSa
  • Van vordering 1 is € 3.321.594,36 dat voor de grote bouwplaatsen is gefactureerd toewijsbaar;
  • Van vordering 1 is van het deel dat ziet op de kleine bouwplaatsen een bedrag van € 331.399,92 toewijsbaar;
  • Vordering 2 is toewijsbaar tot een bedrag van € 1.743.215,23;
  • Vordering 4 is geheel toewijsbaar (€ 350.000,00);
  • Vordering 10 (€ 34.000,00) is toegewezen en staat in hoger beroep niet ter discussie;
  • De verrekening van € 216.723,58 (onderdeel 11) blijft in hoger beroep gehandhaafd;
  • Vordering 5 (bonussen uit de overeenkomst van 17-11-2011, groot € 843.500) zal worden afgewezen;
  • De vordering van € 2.800.000,00 vanwege bonussen voor het Machinenhaus zal worden afgewezen;
Ten aanzien van de vorderingen van ViMa c.s. de volgende beslissingen:
  • Vordering A over de bevoegdheid tot verrekening kan worden toegewezen in het geval ViMa c.s. een vordering tot betaling van enig bedrag op HaSa zal blijken te hebben;
  • Vordering D over de teruggave van de bankgarantie zal worden toegewezen;
  • De vorderingen over de vergoeding van de kosten van de bankgarantie (voor een bedrag van € 850.850 onderdeel van vordering B en vordering C) zullen worden afgewezen;
  • De vordering tot terugbetaling van bonussen van € 650.000 (onderdeel van vordering B) zal worden afgewezen.
  • De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 64.959,50 van de buiten de bouwdelen gelegen UBZ kanalen (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.52 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 614.889,14 voor de ankerplaten (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.71 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 301.875,23 voor de roestvlekken op het beton (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.78 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 11.500 voor de uitzettingsvoegenbanden (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.80 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de kosten van ELG en Alpine van € 574.610,12 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.82 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de kosten van Franzen van € 158.843,04 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.84 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de kosten van AQZ € 24.156,54 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.86 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de kosten van IBA van € 42.885,96 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.88 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de planningskosten van HTC van € 435.496,57 (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.90 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de afrekening van overige grebreken volgens de vaststellingsovereenkomst met RWE zal het hof afwijzen, zie 3.92 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de herstelkosten van € 117.873,36 voor de stekeinden (onderdeel van vordering B) is toewijsbaar, zie 3.103 van dit arrest.
  • De vordering tot betaling van de restgebreken zal het hof afwijzen voor zover die vordering betrekking heeft op de RMP met nummers 729, 732, 777, 1067, 1212, 1284, 1286, 1288, 1290, 1319, 1477 en 1507, zie 3.104 van dit arrest.
3.118. Het hof heeft in dit arrest verder de volgende beslissingen genomen.
3.119. HaSa zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de door ViMa aangeleverde prefab-betonplaten die bij de Turbinentisch verwerkt zijn ondeugdelijk waren, omdat deze waren gescheurd. HaSa wil dit bewijs leveren door het horen van getuigen, zie 3.47 en 3.60 van dit arrest.
3.120. HaSa zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat partijen op 12 juni 2012 alsnog overeenstemming hebben bereikt over de betaling door ViMa van de door HaSa bedoelde bonus van € 2.800.000 voor het Maschinenhaus, zie 3.106 van dit arrest. HaSa wil dit bewijs leveren door het horen van getuigen.
3.121. ViMa c.s. zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat sprake is van gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden van HaSa aan de volgende inpandige UBZ kanalen:
  • ROUBA, kanaal 6
  • ROUBA, kanalen 3 en 5
  • Kanaal 5
  • ROUBA
  • ROUBA, kanaal 4, uitbreidingsverbinding (2x vermeld)
  • ROUBA, kanaal 4, trap (2x vermeld)
  • ROUBA, kanaal 5
  • ROUBA, kanaal 4.
ViMa wil dit bewijs leveren door het horen van getuigen, zie 3.56 en 3.57 van dit arrest.
3.122. Voordat aan verdere bewijslevering wordt toegekomen, zal het hof een deskundige benoemen. Om proceseconomische redenen zal de bewijslevering daarom plaatsvinden in een later stadium van de procedure.
3.123. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4.De beslissing

Het hof:
De benoeming
4.1.
Het hof benoemt tot deskundige:
Drs [naam2] RV
werkzaam bij Hermes Claim Advisory B.V.
Nassaulaan 25
1213 BA Hilversum
e-mail: [naam2] @hermesclaimadvisory.com
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de vragen in rechtsoverweging 3.112.
4.2.
Het hof stelt het voorschot van de deskundige vast op € 135.275,82 (inclusief btw).
Beide partijen moeten elk de helft van het voorschot betalen.
Aanwijzingen voor de deskundige
4.3.
Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot geheel is betaald, hoeft de deskundige met het onderzoek te beginnen.
4.4.
De deskundige moet schriftelijk antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen.
4.5.
Bij de uitvoering van het onderzoek moet de deskundige de
Leidraad deskundige in civiele zakenvolgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
4.6.
Als de deskundige vragen heeft, kan zij die stellen aan mr. W.C. Haasnoot, raadsheer-commissaris.
4.7.
Het ondertekende deskundigenbericht moet vóór 1 oktober 2026 worden gestuurd aan de griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA, Leeuwarden).
Aanwijzingen voor partijen
4.8.
Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal aan beide partijen een voorschotfactuur sturen van € 67.637,91 (inclusief btw). Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald.
4.9.
Beide partijen moeten aan de deskundige een kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundige een kopie van dit arrest en het eerste tussenarrest.
4.10.
Partijen moeten de deskundige de inlichtingen geven waarom deze vraagt.
4.11.
Op dinsdag 3 november 2026 (roldatum) kunnen beide partijen op het deskundigenbericht reageren. Op dinsdag 1 december 2026 (roldatum) mogen beide partijen op elkaars reactie reageren.
4.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.C. Haasnoot, R.E. Weening en A.G.J. van Wassenaer van Catwijck, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.