ECLI:NL:GHARL:2025:8134

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
21-001307-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor onttrekking van een minderjarige aan het gezag en de gevolgen daarvan

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte, geboren in 1976, werd veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van zijn minderjarige dochter aan het wettig gezag van haar moeder. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van zestien maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en een contactverbod. Het hof bevestigde de veroordeling, maar wijzigde de straf en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. De verdachte had zijn dochter zonder toestemming meegenomen naar Turkije, wat leidde tot ernstige gevolgen voor zowel het kind als de moeder. Het hof oordeelde dat de verdachte onvoldoende inzicht had in zijn strafbare handelen en dat zijn acties grote emotionele schade hadden veroorzaakt. De vorderingen van de benadeelde partijen werden gedeeltelijk toegewezen, met een schadevergoeding van €2.500,- voor immateriële schade aan de dochter en €5.816,65 voor de moeder, bestaande uit materiële en immateriële schade. Het hof legde ook een vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van vijf jaar, met een contactverbod en een locatieverbod. De uitspraak benadrukt de ernst van het onttrekken van een minderjarige aan het gezag en de impact daarvan op de betrokkenen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001307-23
Uitspraakdatum: 4 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van
19 december 2023 met parketnummer 16-283689-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 [geboorteplaats ] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

Verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 april 2025 en 20 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. J.M. van Dam, en de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , en haar advocaat,
mr. A.Y. Bleeker, hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem
(het hof leest: haar)gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, kort gezegd: een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een contact- en locatieverbod. Daarnaast heeft de rechtbank een contactverbod met het slachtoffer
[benadeelde partij 1] en een locatieverbod in en rondom [plaats 1] opgelegd op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
(hierna Sr)voor de duur van vijf jaren. Zowel de bijzondere voorwaarden als het contact- en locatieverbod zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Verder heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en
[benadeelde partij 2]
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. Ten aanzien van deze onderdelen van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Oplegging van straf en maatregel

Vordering van de advocaat-generaal
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis, met uitzondering van de duur van de proeftijd en met opname van de eventuele mogelijkheid van een enkelband. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, dient de proeftijd te duren tot [benadeelde partij 1]
(hierna: [benadeelde partij 1] )meerderjarig is, te weten tot
9 mei 2029.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er bij een bewezenverklaring rekening moet worden gehouden dat de onttrekking één dag heeft geduurd en dat verdachte voor het één dag onttrekken van zijn dochter al lang heeft vastgezeten. De verdediging ziet geen nut van het opleggen van een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr. Mocht het hof overgaan tot het opleggen van deze maatregelen, dan wordt verzocht de duur van vijf jaren niet te overschrijden.
Het oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zijn destijds elfjarige dochter [benadeelde partij 1] onttrokken aan het gezag van haar moeder, terwijl er een schriftelijke aanwijzing gold die inhield dat hij niet in de buurt van [benadeelde partij 1] mocht komen en ook niet op plekken mocht komen waar zij zou zijn. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] op straat aangesproken toen zij naar haar hockeytraining ging en gezegd dat ze bij haar tante, even verderop, langs zouden gaan. Toen [benadeelde partij 1] eenmaal in de auto zat, kwam zij erachter dat haar tante niet in de buurt was en dat ze door haar vader mee werd genomen naar [plaats 2] . Verdachte heeft zijn dochter letterlijk van straat geplukt en is met haar vertrokken zonder haar omgeving te informeren. [benadeelde partij 1] heeft tegenover de politie verklaard dat zij in paniek raakte en begon te huilen toen zij ontdekte dat zij [plaats 1] uit reden en op weg gingen naar [plaats 2] , maar dat zij daar niets tegen kon doen. Zij maakte zich zorgen of ze ooit nog terug naar Nederland zou gaan. Haar moeder maakte zich ondertussen ook grote zorgen of zij [benadeelde partij 1] ooit nog terug zou zien. Verdachte is aan één stuk doorgereden, zonder dat hij voorzieningen had getroffen voor de zorg voor [benadeelde partij 1] . Hij had geen schone kleren, noch toiletartikelen voor haar meegenomen. Nadat verdachte was aangehouden heeft [benadeelde partij 1] als elfjarig meisje een aantal dagen alleen in [plaats 4] gezeten, voordat zij werd herenigd met haar moeder. Het hof rekent verdachte zijn handelen en de gevolgen van zijn handelen zwaar aan. Het hof stelt vast dat verdachte met zijn handelen ook zijn eigen belangen heeft ondergraven: verdachte is door dit alles het gezag over zijn dochter verloren en heeft sinds zijn arrestatie in [plaats 4] zijn dochter niet meer gezien.
Verdachte blijft – ook in hoger beroep – ontkennen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de onttrekking van [benadeelde partij 1] aan het gezag van haar moeder. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij toestemming had van de moeder van [benadeelde partij 1] om [benadeelde partij 1] mee te nemen naar [plaats 2] . Verdachte laat hiermee zien geen inzicht te hebben in zijn strafbare handelen.
De slachtofferverklaring die ter terechtzitting in hoger beroep door [benadeelde partij 2] , de moeder van [benadeelde partij 1] , is voorgedragen heeft duidelijk gemaakt hoe wanhopig en angstig haar dochter, zijzelf en hun naasten zijn geweest. [benadeelde partij 1] en haar moeder ondervinden nog dagelijks de gevolgen van de gedragingen van verdachte. [benadeelde partij 1] heeft haar behandeling inmiddels afgerond. Haar moeder is verwezen naar een psychotherapeut vanwege haar PTSS. Namens [benadeelde partij 1] en haar moeder is verzocht tot oplegging van een contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr en als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf. Dit laatste, omdat een enkelband niet kan worden ingezet bij het contact- en locatieverbod op grond van artikel 38v Sr. [benadeelde partij 1] wil geen contact met verdachte. Een enkelband zorgt voor rust bij [benadeelde partij 1] en haar moeder.
Het hof heeft gelet op het strafblad van 20 oktober 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Uit het reclasseringsadvies van 19 november 2025 volgt dat er sprake is van een langdurige problematische gezinssituatie waarbij verdachte geen perspectief heeft op contact met zijn dochter, hetgeen verdachte nog steeds wenst. Desondanks heeft verdachte zich de afgelopen twee jaar wel gehouden aan het opgelegde contact- en locatieverbod. Gedurende ruim twee jaar is ingezet op gedragsverandering, maar dit heeft geen effect gehad. Verdachte heeft ook geen veranderwens met betrekking tot zijn functioneren. Op overige leefgebieden zijn geen problemen vastgesteld. Zowel door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie als door De Waag is geen psychopathologie vastgesteld. Toezicht en interventies binnen een juridisch kader zijn niet geïndiceerd. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden, maar wel met een ruime proeftijd. De reclassering adviseert bij een veroordeling wel het contactverbod met [benadeelde partij 1] en het locatieverbod voor in en rondom [plaats 1] op grond van artikel 38v Sr voort te zetten.
Alles afwegende acht het hof, met de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Ondanks het recente advies van de reclassering ziet het hof aanleiding om bijzondere voorwaarden te koppelen aan het voorwaardelijk strafdeel. Het hof zal als bijzondere voorwaarden opleggen een meldplicht, een contactverbod met [benadeelde partij 1] en een locatieverbod voor in en rondom [plaats 1] . Op deze manier is overtreding van het contact- of locatieverbod (ook) bedreigd met de forse voorwaardelijke gevangenisstraf. Indien de reclassering dat noodzakelijk acht en daartoe aanleiding ziet, zeker gelet op de feiten en omstandigheden na het wijzen van dit arrest, kan elektronische monitoring wederom worden ingezet. Het hof acht het wenselijk dat de reclassering het Openbaar Ministerie informeert bij mutaties van het al dan niet inzetten van de elektronische monitoring.
Het hof ziet, anders dan de rechtbank, geen aanleiding tot het opleggen van een ambulante behandelverplichting. Het hof betrekt het eerder genoemde reclasseringsadvies in haar oordeel.
Anders dan de advocaat-generaal heeft geëist, legt het hof geen langere proeftijd op dan een proeftijd van drie jaren. Gelet op artikel 14b Sr kan de proeftijd de duur van drie jaren overschrijden en ten hoogste tien jaren bedragen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gebruik van geweld is niet ten laste gelegd en uit het dossier volgt ook niet dat verdachte geweld heeft gebruikt om [benadeelde partij 1] aan het ontzag van haar moeder te onttrekken. Omdat geen sprake is van een zogenoemd geweldsdelict, kan de proeftijd in dit geval de duur van drie jaren niet overschrijven.
De rechtbank heeft in eerste aanleg een dadelijk uitvoerbaar contact- en locatieverbod opgelegd. Dit betekent dat het contact- en locatieverbod sinds 19 december 2023 van kracht was. De termijn vanaf de datum van het vonnis in eerste aanleg tot aan de datum van dit arrest dient ten aanzien van de bijzondere voorwaarden afgetrokken te worden van de thans opgelegde proeftijd van drie jaren.
Maatregel ex artikel 38v Sr
Net als de rechtbank legt het hof het contactverbod met [benadeelde partij 1] en het locatieverbod voor in en rondom [plaats 1] ook op in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, het ontbreken van inzicht in het strafrechtelijk handelen bij verdachte en de wens van verdachte om in contact te blijven komen met [benadeelde partij 1] , legt het hof, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, een maatregel op voor de duur van vijf jaren strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het hof heeft gezien dat verdachte, ondanks zijn wens, tot nu toe geen contact heeft gezocht met [benadeelde partij 1] en zich daarmee heeft gehouden aan het dadelijk uitvoerbare contact- en locatieverbod. Als verdachte zich aan het contact- en locatieverbod blijft houden, zal geen hij hinder ondervinden van de maatregel.
Het hof beveelt dat verdachte zich dient te onthouden van elk (direct of indirect) contact met [benadeelde partij 1] , geboren op [geboorteplaats ] te [plaats 3] . Daarnaast beveelt het hof dat verdachte zich niet op zal houden in of rondom [plaats 1] , als weergegeven op het kaartje dat als bijlage aan dit arrest is gehecht. De politie wordt opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving hiervan.
Voor iedere keer dat verdachte niet aan deze opgelegde maatregel voldoet, zal vervangende hechtenis voor de duur van veertien dagen ten uitvoer worden gelegd, waarbij de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.
Gelet op het dossier is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen tegenover [benadeelde partij 1] als het contact- en locatieverbod niet meteen van kracht is. Daarom beveelt het hof dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank heeft in eerste aanleg beide maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaard. Dit betekent dat het contact- en locatieverbod sinds 19 december 2023 van kracht was. De termijn vanaf de datum van het vonnis in eerste aanleg tot aan de datum van dit arrest dient afgetrokken te worden van de thans opgelegde termijn van vijf jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,- aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 1.500,- en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat een bedrag van € 2.500,- niet onredelijk hoog is gelet op de Rotterdamse schaal en de impact dat het handelen van verdachte op [benadeelde partij 1] heeft gehad.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft verzocht om de vordering volledig toe te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank de immateriële schade logischerwijze heeft gematigd naar € 1.500,- omdat het om een onttrekking van één dag gaat.
Het oordeel van het hof
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek somt limitatief de gevallen op waarin een persoon recht heeft op vergoeding van immateriële schade door onrechtmatig handelen. Dit is onder meer zo wanneer sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Hiervan is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Dit geestelijk letsel moet objectief kunnen worden vastgesteld. Daarbij geldt dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde normschending kunnen meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon – ook zonder nadere onderbouwing – kan worden aangenomen.
[benadeelde partij 1] is op jonge leeftijd slachtoffer geworden van het onttrekken aan het gezag van haar moeder. [benadeelde partij 1] is door haar vader, verdachte, meegenomen richting [plaats 2] . Zij was angstig en wist niet of zij ooit nog zal terugkeren naar Nederland. Bij de Bulgaars-Servische grens is verdachte aangehouden. [benadeelde partij 1] heeft gezien hoe haar vader door de Bulgaarse politie is meegenomen. [benadeelde partij 1] heeft daarna drie dagen in een met prikkeldraad omringd huis in Bulgarije verbleven met gewapende politiemannen die niet dezelfde taal als [benadeelde partij 1] spraken. [benadeelde partij 1] heeft daar moeten wachten tot iemand haar kwam halen. Dit heeft bij haar gevoelens van stress, angst en onveiligheid teweeggebracht, waarvoor zij onder behandeling heeft gestaan. Het geestelijk letsel kan objectief vastgesteld worden door de brief van Praktijk Roets. Deze immateriële schade staat in zodanig rechtstreeks verband met het door verdachte gepleegde strafbare feit dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.
Verdachte moet die schade vergoeden. Het hof vindt het gevorderde bedrag van € 2.500,- een billijk bedrag voor de geleden schade. De vordering wordt daarom volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de nader te noemen datum.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Het hof zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige beschikken tot het moment dat [benadeelde partij 1] de leeftijd van achttien jaar zal hebben bereikt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.816,65 ingediend, bestaande uit € 3.316,65 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 4.816,65, bestaande uit € 3.316,65 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat een bedrag van € 5.816,65 niet onredelijk hoog is gelet op de Rotterdamse schaal en de impact dat het handelen van verdachte op [benadeelde partij 2] heeft gehad. De reis- en verblijfkosten om [benadeelde partij 1] in [plaats 4] op te halen zijn het gevolg van het handelen van verdachte. Niet kan van de benadeelde partij worden verwacht dat zij alleen haar dochter gaat ophalen in [plaats 4] na een dergelijke traumatische ervaring. [benadeelde partij 2] heeft vanwege een lange wachttijd eerst Gestalttherapie gevolgd. Inmiddels is zij verwezen naar een psychotherapeut vanwege PTSS.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft verzocht om de vordering volledig toe te wijzen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank de immateriële schade logischerwijze heeft gematigd naar € 1.500,- omdat het om een onttrekking van één dag gaat. De reis- en verblijfkosten van de broer van [benadeelde partij 2] komen niet voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast komt de Gestalttherapie niet voor vergoeding in aanmerking.
Het oordeel van het hof
Materiële schade
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de gevorderde materiële schade voldoende is onderbouwd en in zodanig rechtstreeks verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Het kon in deze situatie niet van [benadeelde partij 2] worden verwacht dat zij alleen naar [plaats 4] afreisde om haar dochter op te halen. Dat zij samen is gereisd met een tweede persoon is logisch. Dit maakt dat de kosten gemaakt voor deze tweede persoon eveneens als rechtstreekse schade zijn aan te merken en voor vergoeding in aanmerking komen. De vordering wordt daarom ten aanzien van de gevorderde materiële schade volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de nader te noemen datum.
Immateriële schade
[benadeelde partij 1] , de dochter van [benadeelde partij 2] en de persoon over wie [benadeelde partij 2] het gezag draagt, is zonder toestemming door haar vader meegenomen in de richting van [plaats 2] .
[benadeelde partij 2] was bang dat zij haar dochter nooit meer terug zou zien. Dit heeft bij haar gevoelens van stress, angst en onveiligheid teweeggebracht, waarvoor zij nog altijd onder behandeling staat. Het geestelijk letsel kan objectief vastgesteld worden door de brief van Praktijk Roets. Deze immateriële schade staat in zodanig rechtstreeks verband met het door verdachte gepleegde strafbare feit dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Verdachte moet die schade vergoeden. Het hof vindt het gevorderde bedrag van € 2.500,- een billijkbedrag voor de geleden schade. De vordering wordt daarom ten aanzien van de immateriële schade volledig toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de nader te noemen datum.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof voor beide bedragen de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 279 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf en de beslissing met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat verdachte zich binnen 3 (drie) werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het [adres] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat het verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met zijn dochter, [benadeelde partij 1] (geboren op
[geboorteplaats ] te [plaats 3] ), zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt.
Stelt als
bijzondere voorwaardedat het verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden in en rond [plaats 1] , als weergegeven op het kaartje dat als bijlage aan dit arrest is gehecht. Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod, zolang de reclassering dat noodzakelijk acht en daartoe aanleiding ziet, zeker gelet op de feiten en omstandigheden na het wijzen van dit arrest. De reclassering informeert het Openbaar Ministerie bij mutaties van het al dan niet inzetten van de elektronische monitoring. Zolang de elektronische monitoring geldt, gaat verdachte niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat hij in Nederland verblijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen;
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt dat de tijd die verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden op de proeftijd voor de bijzondere voorwaarden in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat verdachte voor de duur van
5 (vijf) jarenzich niet zal ophouden in of rond [plaats 1] , als weergegeven op het kaartje dat als bijlage aan dit arrest is gehecht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat verdachte voor de duur van
5 (vijf) jarenop geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboorteplaats ] te [plaats 3] ).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
1 november 2025.
Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding aan [benadeelde partij 1] zal worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 5.816,65 (vijfduizend achthonderdzestien euro en vijfenzestig cent) bestaande uit € 3.316,65 (drieduizend driehonderdzestien euro en vijfenzestig cent) materiële schade en € 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.816,65 (vijfduizend achthonderdzestien euro en vijfenzestig cent) bestaande uit
€ 3.316,65 (drieduizend driehonderdzestien euro en vijfenzestig cent) materiële schade en
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 64 (vierenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 november 2022.

Bevestiging overige

Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door
mr. K. Gilhuis, voorzitter,
mr. W.A. Holland en mr. M. Zwartjes, raadsheren,
in aanwezigheid van mr. R. Kaatman, griffier,
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 december 2025
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 4 december 2025.
mr. O.O. van der Lee, voorzitter,
mr. T.C. Pastoor, advocaat-generaal,
mr. P.T. Vissers, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
Verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.