In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een verzoek tot opheffing van de curatele van de betrokkene. De betrokkene, geboren in 1981, verblijft sinds medio juli 2024 in een gedwongen kader op een zorglocatie. Op 10 juli 2025 is er opnieuw een rechterlijke machtiging verleend. De kantonrechter in Assen had eerder de goederen en gelden van de betrokkene onder bewind gesteld en dit bewind omgezet in een ondercuratelestelling op verzoek van de bewindvoerder. De betrokkene verzocht in januari 2025 om opheffing van de curatele, maar dit verzoek werd door de kantonrechter afgewezen. In hoger beroep heeft de betrokkene de beslissing van de kantonrechter bestreden, met het verzoek om de ondercuratelestelling op te heffen of een andere curator te benoemen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 27 november 2025 zijn de betrokkene, zijn advocaat, vertegenwoordigers van de curator en familieleden verschenen. Het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene kampt met complexe problematiek, waaronder een verstandelijke beperking en schizofrenie van het paranoïde type. De betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en er is een risico op afglijden als hij met medicatie stopt. Het hof oordeelt dat de noodzaak voor curatele nog steeds aanwezig is, gezien de psychische kwetsbaarheid van de betrokkene en de onrust die zijn gedrag bij hem en zijn omgeving veroorzaakt. Het hof heeft de beslissing van de kantonrechter bekrachtigd en het verzoek tot opheffing van de curatele afgewezen, evenals het verzoek om een andere curator te benoemen, omdat er geen gewichtige redenen voor ontslag van de huidige curator zijn aangetoond.