Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot een kind zonder bekende verblijfplaats. De vader, verzoeker in hoger beroep, heeft het hof verzocht om het gezamenlijk gezag met de moeder te beëindigen en hem alleen te belasten met het gezag over hun kind, [minderjarige], geboren in 2021. De moeder is zonder bekende woon- of verblijfplaats en is in hoger beroep niet verschenen. Het hof verwijst naar de eerdere beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 25 april 2025, waarin het verzoek van de vader werd afgewezen.
Het hof heeft vastgesteld dat er veel onduidelijkheid bestaat over de verblijfplaats van [minderjarige]. Hij is sinds 18 december 2023 niet meer ingeschreven in de Basisregistratie Personen in Nederland en er is geen contact tussen de vader en het kind of de moeder. De moeder heeft zowel de Nederlandse als de Australische nationaliteit en het hof vermoedt dat [minderjarige] mogelijk in Australië verblijft. Het hof heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordeeld aan de hand van de relevante wetgeving, waaronder de Brussel II-ter en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. Het hof concludeert dat het niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, omdat het belang van [minderjarige] niet naar behoren kan worden beoordeeld. De uitspraak van het hof is dat het zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het verzoek in hoger beroep.