Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:8162

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.352.737/01 en 200.352.737/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:404 lid 1 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie met aanpassing ingangsdatum en bedragen

De man en vrouw zijn ouders van twee minderjarige kinderen en hebben samen het gezag. De rechtbank Midden-Nederland stelde op 13 december 2024 kinderalimentatie vast waarbij de vrouw vanaf 1 december 2024 €661 per maand moest betalen en vanaf 1 juli 2025 €295 per maand. De man ging in hoger beroep omdat hij een eerdere ingangsdatum en hogere bedragen wilde.

Het hof oordeelt dat de ingangsdatum van de alimentatie op 1 december 2024 blijft, omdat de vrouw tot die datum kosten voor de kinderen maakte en al alimentatie betaalde vanaf augustus 2024. De man stelde dat de ingangsdatum op 1 april 2024 moest liggen, maar het hof volgt de rechtbank hierin niet.

De draagkracht van de man was een geschilpunt. De man voerde aan dat hij niet de door de rechtbank aangenomen verdiencapaciteit van €45.000 kon halen, mede door zijn zorgtaak en verliesgevende onderneming. Het hof stelt dat de man wel een verdiencapaciteit van €45.000 per jaar heeft en dat hij de keuze heeft gemaakt om als zelfstandige te blijven werken, wat voor zijn rekening en risico is.

Het hof vernietigt het deel van de rechtbankbeslissing dat de lagere alimentatie vanaf 1 juli 2025 bepaalde en stelt dat vanaf 1 januari 2026 de vrouw €295 per maand moet betalen, rekening houdend met de verdiencapaciteit van de man. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vrouw moet vanaf 1 december 2024 €661 per maand en vanaf 1 januari 2026 €295 per maand aan kinderalimentatie betalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.737
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 579303 (provisionele voorziening) en 579305 (hoofdzaak)
beschikking van 18 december 2025
in de zaak van
[verzoeker](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. M. de Jonge,
en
[verweerster](de vrouw),
die woont in [woonplaats1] ,
advocaat: mr. C.D.R. Schoonderbeek.

1.Samenvatting

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 13 december 2024 beslist dat de vrouw vanaf 1 december 2024 aan kinderalimentatie een bedrag van € 661 (€ 441 voor [minderjarige1] en € 220 voor [minderjarige2] ) per maand en vanaf 1 juli 2025 een bedrag van € 295
(€ 258 voor [minderjarige1] en € 37 voor [minderjarige2] ) per maand moet betalen aan de man.
Het hof beslist dat de vrouw vanaf 1 december 2024 € 661 per maand aan kinderalimentatie moet betalen en vanaf 1 januari 2026 € 295 per maand.

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw hebben een relatie gehad. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige2] geboren [in] 2015 en
- [minderjarige1] , geboren [in] 2017.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. [minderjarige2] staat ingeschreven bij de vrouw en [minderjarige1] staat ingeschreven bij de man.

3.De procedure bij de rechtbank

3.1.
De man heeft de rechtbank verzocht om (als provisionele voorziening en in de hoofdzaak) kinderalimentatie vast te stellen. Hij wil dat de vrouw vanaf 1 april 2024 een bedrag van (minimaal) € 239 per maand voor [minderjarige2] aan hem moet betalen.
Voor [minderjarige1] zou de vrouw in de periode voor 27 juni 2024 (minimaal) € 239 per maand moeten betalen en met ingang van 27 juni 2024 € 459 per maand.
3.2.
De rechtbank heeft op 13 december 2024 de verzoeken van de man in de provisionele voorziening afgewezen. In de hoofdzaak heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw aan de man per maand aan kinderalimentatie het volgende moet betalen:
- vanaf 1 december 2024: € 661 (€ 441,- voor [minderjarige1] en € 220 voor [minderjarige2] );
- vanaf 1 juli 2025: € 295 (€ 258 voor [minderjarige1] en € 37 voor [minderjarige2] ).
3.3.
Verder heeft de rechtbank bepaald dat de beslissing moet worden uitgevoerd, ook als hoger beroep is ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad verklaard). Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Als voorlopige voorziening verzoekt de man het hof om te bepalen dat de kinderalimentatie ongewijzigd blijft tijdens de procedure in hoger beroep. De vrouw zou met ingang van 1 juli 2025 tot de beslissing in hoger beroep € 441 per maand voor [minderjarige1] en
€ 220 voor [minderjarige2] aan de man moeten betalen.
In de hoofdzaak verzoekt de man het hof om de beslissing van de rechtbank ongedaan te maken en te bepalen dat de vrouw vanaf 1 april 2024 per maand aan kinderalimentatie € 661 (€ 441 voor [minderjarige1] en € 220 voor [minderjarige2] ) aan hem moet betalen. Daarnaast heeft de man verzocht om de vrouw in beide instanties in de proceskosten te veroordelen.
4.2.
De vrouw is het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift, ingekomen op 13 maart 2025;
- het verweerschrift;
- een bericht namens de vrouw van 26 augustus 2025, met een productie;
- een bericht namens de man van 17 november 2025, met producties.
4.4.
De zitting bij het hof was op 28 november 2025. Aanwezig waren:
- de man met zijn advocaat;
- de vrouw met haar advocaat.

5.Het oordeel van het hof

De ontvankelijkheid
5.1.
De vrouw heeft het hof verzocht om de verzoeken van de man niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het hoger beroep te laat zou zijn ingediend. Tijdens de zitting heeft de vrouw dit verzoek ingetrokken, zodat het hof dit verzoek niet hoeft te beoordelen.
De voorlopige voorziening
5.2.
Zowel bij de rechtbank als bij het hof heeft de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig plaatsgevonden met het verzoek in de hoofdzaak. Het hof neemt een beslissing in de hoofdzaak, waardoor de man geen belang meer heeft bij een voorlopige voorziening. Het hof wijst dit verzoek van de man daarom af.
De hoofdzaak
Wat in de wet staat
5.3.
Op grond van artikel 1:404 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Hieruit volgt dat onderhoudsverplichting wordt begrensd door de behoefte van [minderjarige2] en [minderjarige1] en anderzijds de draagkracht van de ouders. Voor de berekening van de kinderalimentatie volgt het hof de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen (het rapport Alimentatienormen).
De standpunten van de man en de vrouw
5.4.
De man voert aan dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie moet worden bepaald op 1 april 2024. De vrouw heeft de man toen op straat gezet en te lang gewacht met het verstrekken van haar inkomensgegevens. De man betaalde de kosten voor de kinderen, terwijl hij de helft van de tijd zorg voor de kinderen droeg en een aanzienlijk lager inkomen had. De vrouw heeft vanaf augustus 2024 een bijdrage voor de kinderen aan de man betaald, maar die bijdrage was niet toereikend en lager dan de kinderalimentatie die de rechtbank heeft vastgesteld. Als het hof de ingangsdatum niet op 1 april 2024 bepaalt, moet 2 augustus 2024 als ingangsdatum worden gehanteerd. Op die datum is het verzoekschrift bij de rechtbank ingediend. Volgens de man geldt als hoofdregel voor de ingangsdatum van kinderalimentatie de datum van indiening van het verzoekschrift. Over zijn verdiencapaciteit voert de man aan dat het voor hem onmogelijk is om terug te komen op een inkomensniveau dat hij had voordat de partijen kinderen kregen. Het is niet redelijk en billijk om dit van de man te verwachten. De man en de vrouw hebben in het verleden bewust ervoor gekozen dat de vrouw zich zou richten op haar carrière en de man de zorg voor de kinderen op zich zou nemen. De huidige zorgregeling laat te weinig ruimte voor de man om dit inkomen te verdienen. De man heeft geen verdiencapaciteit van € 45.000, zoals de rechtbank heeft vastgesteld. In het verleden heeft hij deze verdiencapaciteit niet behaald op het moment dat hij een groot deel van de zorg voor de kinderen droeg. Daarnaast heeft de rechtbank de man een onredelijk korte termijn gegeven om dit inkomen te genereren.
5.5.
De vrouw voert aan dat de rechtbank terecht de ingangsdatum op 1 december 2024 heeft bepaald, omdat de vrouw tot die datum ook kosten heeft gemaakt voor de kinderen en bijdragen heeft betaald aan de man. Partijen hebben in het verleden niet afgesproken dat de vrouw carrière zou gaan maken en dat de man voor de kinderen zou gaan zorgen. Vanaf het moment dat partijen uit elkaar gingen, was sowieso sprake van een nieuwe situatie. De vrouw en de man hebben dezelfde verplichting om naar vermogen te voorzien in de kosten voor de kinderen. De man wijst naar het verleden en neemt geen verantwoordelijkheid voor de toekomst. Een verdiencapaciteit van € 45.000 is reëel. De man heeft een hbo-opleiding commerciële economie gevolgd. Het modale salaris in Nederland is € 46.900 per jaar. Het gemiddelde inkomen voor iemand met een hbo-opleiding is € 59.520 per jaar. De rechtbank heeft vanaf 1 juli 2025 rekening gehouden met de verdiencapaciteit van de man. Dat de man de tijd tot 1 juli 2025 niet heeft benut om zijn verdiencapaciteit te vergroten, door bijvoorbeeld een baan in loondienst te gaan zoeken, moet voor zijn rekening blijven.
Het oordeel van het hof
5.6.
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie moet worden bepaald op 1 december 2024. In de periode tussen het eindigen van de relatie tussen de man en de vrouw (begin 2024) en 1 december 2024 heeft de vrouw kosten gemaakt voor [minderjarige2] en [minderjarige1] . Sinds 1 augustus 2024 heeft de vrouw ook kinderalimentatie aan de man betaald. In die periode heeft de vrouw dus aan haar onderhoudsverplichting voldaan. De man stelt dat als hoofdregel voor het bepalen van de ingangsdatum heeft te gelden de datum waarop het verzoekschrift is ingediend. Daar gaat het hof niet in mee.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum waarop het verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend en de datum waarop de rechter beslist. Ook een andere datum is mogelijk, maar de rechter moet in elk geval behoedzaam omgaan met deze beslissingsvrijheid. Het hof zal in dit geval de ingangsdatum aanhouden die ook de rechtbank heeft bepaald, omdat die datum dicht bij de datum van de bestreden beschikking ligt en omdat de vrouw na de datum waarop het verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend kosten voor de kinderen en substantiële bedragen aan kinderalimentatie aan de man heeft betaald.
5.7.
Tussen de man en de vrouw staat de draagkracht van de man ter discussie. Het gaat daarbij om de vraag wat de verdiencapaciteit van de man is. De partijen hebben een co-ouderschapsregeling. Van zowel de man als de vrouw mag worden verwacht dat zij een aandeel leveren in de kosten voor [minderjarige2] en [minderjarige1] . Hoewel de man aanvoert dat zijn onderneming in de fotografie levensvatbaar is, heeft de onderneming in 2024 een verlies van ruim € 19.000 geleden. Het bedrijfsresultaat over 2025 wordt begroot op een verlies van ruim € 11.000. Om een inkomen te genereren, heeft de man een uitkering ontvangen via het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Het is de keuze van de man geweest om te blijven proberen een inkomen als ondernemer te verwerven. De man heeft niet geprobeerd om op een andere manier een inkomen te genereren, zoals in loondienst. Dat de man kiest om als zelfstandig fotograaf te blijven werken, moet dan ook voor zijn rekening en risico blijven, zeker nu het gaat om vaststelling van kinderalimentatie. Het hof zal daarom rekening houden met de verdiencapaciteit van de man. Gelet op het opleidingsniveau van de man en zijn inkomen in het verleden, is het hof - net als de rechtbank - van oordeel dat een verdiencapaciteit van de man van € 45.000 per jaar reëel is.
5.8.
Bij het berekenen van de kinderalimentatie houdt het hof vanaf 1 januari 2026 rekening met de verdiencapaciteit (en daarmee de gewijzigde draagkracht) van de man. Op dit onderdeel vernietigt het hof de beslissing van de rechtbank. Het hof is van oordeel dat de periode die de rechtbank aan de man heeft gegeven om zijn verdiencapaciteit te benutten, te kort is geweest. Van de man kan wel worden verwacht dat hij in een jaar tijd na de beslissing van de rechtbank een inkomen van € 45.000 per jaar kan genereren.
5.9.
Gelet op het voorgaande bepaalt het hof dat de vrouw per maand aan kinderalimentatie aan de man moet betalen:
- vanaf 1 december 2024: € 661 (€ 441 voor [minderjarige1] en € 220 voor [minderjarige2] );
- vanaf 1 januari 2026: € 295 (€ 258 voor [minderjarige1] en € 37 voor [minderjarige2] ).
Proceskosten
5.10.
Vanwege de aard van de procedure beslist het hof dat de partijen allebei de eigen proceskosten moeten betalen. Het verzoek van de man om de vrouw in de proceskosten te veroordelen, wijst het hof daarom af.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in het verzoek van de man tot het treffen van een voorlopige voorziening
wijst het verzoek van de man af;
in de hoofdzaak
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
13 december 2024, en opnieuw beschikkende;
bepaalt dat de moeder aan de vader als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] zal betalen:
- vanaf 1 december 2024: € 661 (€ 441 voor [minderjarige1] en € 220 voor [minderjarige2] );
- vanaf 1 januari 2026: € 295 (€ 258 voor [minderjarige1] en € 37 voor [minderjarige2] );
beslist dat de vrouw de kinderalimentatie steeds voor de eerste van de maand moet
betalen;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, K.A.M. van Os-ten Have en
C.M. Schönhagen, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.