ECLI:NL:GHARL:2025:8163

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.354.215/01 en 200.355.799/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap na echtscheiding

In deze zaak gaat het om een hoger beroep inzake partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap na echtscheiding tussen partijen die in 2018 zijn gehuwd. De man heeft op 25 oktober 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarop de rechtbank Midden-Nederland op 7 februari 2025 de echtscheiding heeft uitgesproken. De vrouw is in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank, waarin werd bepaald dat zij € 1.350 per maand aan de man moest betalen als bijdrage in zijn levensonderhoud. De man heeft in hoger beroep zijn verzoek tot verdeling van de gemeenschap van goederen vermeerderd en verzoekt een hogere alimentatie van € 1.970 per maand. Het hof heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan en de bestreden beschikking vernietigd voor wat betreft de alimentatie, en bepaald dat de vrouw € 1.970 per maand aan de man moet betalen. Het hof heeft geoordeeld dat de man behoeftig is en dat de vrouw in staat is om deze alimentatie te betalen. Tevens is het hof van oordeel dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap niet kan worden gelast, omdat partijen niet inzichtelijk hebben gemaakt welke goederen tot de gemeenschap behoren. De proceskosten in hoger beroep zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.215 en 200.355.799
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 583561)
beschikking van 18 december 2025
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: met ingang van 6 november 2025 mr. D.I.A. Schröder, daarvoor mr. E.I. Robert,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. E.A. Prins.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht ) van 7 februari 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 4 mei 2025;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 4;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 4 en 5;
- een journaalbericht van mr. Prins van 7 oktober 2025 met productie 5.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 17 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Schröder trad daarbij op als waarnemer van mr. Robert. Op 6 november 2025 heeft mr. Robert zich onttrokken en heeft mr. Schröder zich gesteld als advocaat van de vrouw.
2.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen tot 7 november 2025 de tijd gekregen om het hof te laten weten of zij onderling alsnog tot overeenstemming konden komen. Als dat niet het geval zou zijn zou het hof op 18 december 2025 een beschikking geven. Het hof heeft van partijen niets vernomen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2018 gehuwd in gemeenschap van goederen.
3.2
De man heeft op 25 oktober 2024 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
3.3
Bij de beschikking van 7 februari 2025 (hierna ook: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking was op het moment van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.4
Naast het uitspreken van de echtscheiding heeft de rechtbank:
- bepaald dat de vrouw huurder zal zijn van de woning aan [adres1] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand; en
- bepaald dat de vrouw per maand € 1.350 dient te betalen aan de man als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud, met ingang van de datum dat de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de bijdrage in het levensonderhoud van de man (hierna ook: partneralimentatie) en de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen.
4.2
De vrouw is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij is het niet eens met de partneralimentatie die zij aan de man moet betalen en zij verzoekt het hof om de bestreden beschikking op dat punt te vernietigen en dit verzoek van de man alsnog af te wijzen.
4.3
De man voert verweer en heeft het verzoek dat hij bij de rechtbank had gedaan in hoger beroep vermeerderd met een verzoek tot verdeling van de gemeenschap van goederen en hij heeft een incidenteel verzoek gedaan over de partneralimentatie. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de partneralimentatie te vernietigen en te bepalen dat de vrouw hem € 1.970 per maand moet voldoen als bijdrage in zijn levensonderhoud, met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Aanvullend verzoekt hij het hof de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen te gelasten zoals hij dat voorstaat.
4.4
De vrouw voert daarop verweer en vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken en anders deze af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om de wijze van verdelen van de gemeenschap van goederen te gelasten. Volgens haar heeft de man daar bij de rechtbank niet om verzocht en kan hij dat niet voor het eerst in hoger beroep doen.
5.2
Het hof overweegt dat op grond van artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoek tot het vaststellen van een nevenvoorziening, zoals het verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap, voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan [1] .Het hof zal dus ook op het betreffende verzoek van de man beslissen.
partneralimentatie
5.3
De vrouw heeft één grief geformuleerd, waarin zij de behoefte van de man, zijn behoeftigheid en haar eigen draagkracht aan de orde stelt.
behoefte
5.4
Ten aanzien van de behoefte zijn partijen het er op de zitting over eens geworden dat in het kader daarvan van een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 4.200 kan worden uitgegaan. De man heeft gesteld dat aan zijn zijde van een netto besteedbaar inkomen van € 2.052 kan worden uitgegaan voor de vaststelling van de behoefte.
5.5
Gezamenlijk hadden partijen dus een netto besteedbaar inkomen van € 6.252 en dat resulteert in een netto behoefte van € 3.751 op grond van de zogenoemde hofnorm. Die norm stelt de behoefte op 60% van het gezamenlijk inkomen toen partijen nog bij elkaar waren (in 2021). Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte € 4.470 netto per maand.
behoeftigheid
5.6
Vervolgens dient te worden bezien in hoeverre de man zelf in staat is in die behoefte te voorzien. Voor het deel dat hij daarin niet kan voorzien is hij behoeftig.
5.7
De man werkt 45 uur per week als vrachtwagenchauffeur en bevoorraadt horecabedrijven. Hij heeft blijkens de door hem overgelegde loonstroken uit 2025 een bruto inkomen van € 2.925 per maand. Daarop wordt € 122,29 pensioenpremie ingehouden en € 48,96 wegens een ANW-hiaat regeling. Rekening houdend met 8% vakantiegeld komt dit neer op een netto besteedbaar inkomen van € 2.587 per maand.
5.8
De man komt dus € 1.883 netto per maand (€ 4.470 minus € 2.587) tekort om volledig in zijn behoefte te kunnen voorzien. Bruto is dat € 3.668 per maand.
5.9
De vrouw heeft gesteld dat de man sinds het uiteengaan van partijen financieel de eindjes aan elkaar heeft kunnen knopen en ook niet om partneralimentatie heeft verzocht. Door het tijdsverloop is volgens haar de lotsverbondenheid tussen partijen afgenomen en is de behoefte verbleekt. De man kan dus geacht worden geheel in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, zodat de vrouw van mening is dat zij hem geen bijdrage hoeft te betalen.
5.1
Het hof volgt die redenering niet. De lotsverbondenheid tussen partijen ontstaat door het huwelijk en kan de alimentatieverplichting doen ontstaan, maar het voortduren van die verplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid. Daarom kan het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting
,Ook kan de behoefte niet ‘verbleken’. Bij de vaststelling van de behoefte wordt rekening gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, een eenmaal vastgestelde behoefte kan niet verminderen of ‘verbleken’. De man verklaarde ter zitting dat hij er niet van op de hoogte was dat hij al eerder om partneralimentatie had kunnen verzoeken, bijvoorbeeld bij wege van voorlopige voorziening. Verder heeft hij toegelicht dat hij nu in een grote kamer woont, maar voorzieningen als een keuken en een badkamer moet delen. Dat is niet ideaal en de man wil ook naar zelfstandige woonruimte verhuizen. Het hof constateert dat de man zijn uitgavenpatroon heeft aangepast aan de feitelijke situatie en dus de ‘tering naar de nering’ heeft gezet, maar dat betekent niet dat de huwelijksgerelateerde behoefte is gewijzigd. De toelichting van de man is voor het hof voldoende om de behoefte te houden op hetgeen hiervoor al is berekend. De man is kortom behoeftig en de vrouw dient de man een bijdrage in zijn levensonderhoud te betalen voor zover haar draagkracht dat toelaat.
draagkracht
5.11
Nu vaststaat dat de man behoeftig is, dient gekeken te worden in hoeverre de vrouw in staat is om de man een bijdrage te betalen; het hof zal de draagkracht van de vrouw vaststellen.
5.12
De vrouw werkt in de zorg. Zij werkt 24 uur per week in loondienst bij [naam1] en daarnaast 15 uur per week als zelfstandige (zzp’er) onder de naam ‘ [naam2] ’. In totaal werkt zij dus 39 uur per week. Weliswaar werkte ze in het verleden meer uren (24) als zzp’er, maar door de gewijzigde regelgeving ten aanzien van zzp’ers wordt zij nu minder uren ingehuurd, aldus de vrouw. Het hof zal uitgaan van een te verwachten winst uit onderneming van € 56.000 zoals de vrouw dit zelf in haar draagkrachtberekening heeft opgenomen. Dit is ook in lijn met haar winst uit onderneming in 2024, zoals die blijkt uit de door haar overgelegde aangifte inkomstenbelasting over 2024. Bij [naam1] heeft de vrouw een jaarinkomen van € 31.080, zoals blijkt uit de aangifte IB 2024.
5.13
Uitgaande van deze inkomsten en rekening houdend met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 4.808 per maand.
5.14
Haar draagkracht berekent het hof aan de hand van een forfaitaire formule, waarbij dit netto besteedbaar inkomen (NBI) het uitgangspunt is. De formule gaat ervan uit dat van het restant van het netto besteedbaar inkomen na aftrek van een forfaitaire woonlast (30% van het NBI) en een forfaitair bedrag dat de vrouw nodig heeft voor haar eigen levensonderhoud (de gecorrigeerde bijstandsnorm = € 1.310), zestig procent beschikbaar is voor partneralimentatie. De formule luidt als volgt:
draagkracht = 60% van [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)].
Uitgaande van het NBI van € 4.808 per maand, heeft de vrouw aldus een netto draagkracht van € 1.234 voor het betalen van partneralimentatie.
5.15
Ten aanzien van de te betalen partneralimentatie heeft de vrouw fiscaal voordeel, omdat het te betalen bedrag fiscaal gefaciliteerd is. Dat houdt in dat de vrouw maximaal € 1.973 bruto kan betalen.
5.16
De man komt bruto € 3.668 tekort en de vrouw kan maximaal € 1.973 betalen. Omdat de man heeft verzocht om een bedrag van € 1.970 op te leggen en het hof niet meer kan toewijzen dan is verzocht, zal het hof dat bedrag aan de vrouw opleggen als te betalen partneralimentatie, vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Door de betaling van dit bedrag komt de man ook niet in een betere financiële positie dan de vrouw, zoals blijkt uit een door het hof uitgevoerde inkomstenvergelijking.
5.17
Het hof zal de berekening van bovenstaande bedragen in het kader van de partneralimentatie aanhechten.
verdeling huwelijksgemeenschap
5.18
Partijen zijn [in] 2018 gehuwd zonder dat zij vooraf of nadien huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Dat houdt in dat zij zijn gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen zoals die geldt vanaf 1 januari 2018. Tot een dergelijke gemeenschap behoren alle goederen die voor het aangaan van het huwelijk al aan partijen gezamenlijk toebehoorden en de goederen die vanaf het huwelijk door ieder van hen afzonderlijk of gezamenlijk zijn verkregen [2] . Goederen die ieder van partijen al had voor het huwelijk, maar die niet aan hen gezamenlijk toebehoorden, vallen dus niet in de gemeenschap.
5.19
De man heeft, blijkens zijn bewoordingen, in juridische zin verzocht de wijze van verdeling van de gemeenschap te gelasten. Daartoe zal dus eerst duidelijk moeten zijn welke goederen tot die gemeenschap behoren. De man heeft weliswaar twee auto’s, banksaldi, inboedel en sieraden van de vrouw genoemd, maar niet duidelijk is of deze goederen tot de gemeenschap behoren of niet en of er nog meer goederen zijn. Zo is er discussie over in ieder geval één auto en is ook op de zitting niet duidelijk geworden of die al dan niet tot de gemeenschap behoort. Ook is niet duidelijk of alle bankrekeningen door de man zijn vermeld, omdat de vrouw kennelijk ook een zakelijke rekening heeft. Het is voor het hof kortom op grond van de voorhanden gegevens niet mogelijk om de verdeling van de gemeenschap te gelasten, omdat niet duidelijk is wat tot die gemeenschap behoort. Het verzoek om de wijze van verdeling te gelasten zal het hof daarom afwijzen.
5.2
Partijen dienen dus zelf nog uit te zoeken wat hun bezittingen en schulden zijn en welke daarvan tot de gemeenschap behoren. Vervolgens zullen zij aan de goederen die tot de gemeenschap behoren een waarde moeten toekennen. Ten aanzien van bankrekeningen kan worden uitgegaan van de saldi op de peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap, te weten de datum waarop het inleidend verzoek is ingediend bij de rechtbank. In dit geval is dat 25 oktober 2024. Voor de andere goederen geldt als peilmoment voor de waardering het moment waarop de goederen daadwerkelijk verdeeld worden, tenzij partijen samen iets anders afspreken over de waarde. Nadat partijen alle goederen en schulden van de gemeenschap hebben verdeeld, dient aan de hand van de waardes die partijen aan die goederen hebben toegekend te worden bezien of een van hen in waarde meer heeft ontvangen dan de helft. Dat dient dan tussen partijen nog gecorrigeerd te worden, bijvoorbeeld doordat de een aan de ander nog een geldbedrag voldoet zodanig dat partijen ieder in waarde de helft van de gemeenschap hebben ontvangen.

6.De slotsom

6.1
Op grond van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen ten aanzien van de daarin opgelegde partneralimentatie en op dat punt beslissen zoals hierna vermeld. Voor het overige blijft de bestreden beschikking in stand.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Partijen zijn namelijk (gewezen) echtgenoten en de procedure gaat over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun (ontbonden) huwelijk.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
7.1
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht ) van
7 februari 2025, voor zover daarin is bepaald dat de vrouw € 1.350 per maand aan de man dient te betalen als uitkering tot levensonderhoud, en in zoverre opnieuw beschikkende:
7.2
bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud € 1.970 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
7.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
7.5
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, H. Phaff en L. Hamer, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 18 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 362 Rv geldt niet voor nevenvoorzieningen bij echtscheiding, zie HR 7 april 2000, NJ 2000/377; HR 23 februari 2001, NJ 2001/237
2.artikel 1:94 Burgerlijk Wetboek