Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
[de minderjarige1], geboren op [in2] 2008 en
[de minderjarige2], geboren op [in3] 2010,
4.De omvang van het geschil
- voor recht te verklaren dat de laatste zin van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden van 16 oktober 2020 nietig is;
- te bepalen dat de vrouw ook indien zij uit het te verrekenen vermogen meer dan € 2.000.000,- ontvangt, de man gedurende een periode van ten minste 12 jaar jegens de vrouw onderhoudsplichtig is en het door de vrouw gevorderde bedrag aan partneralimentatie alsnog toe te wijzen/ dan wel een bedrag aan partneralimentatie vast te stellen;
5.De motivering van de beslissing
3.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 maart 1980 overwogen dat bij het maken van de in art. 1:158 BW vervatte uitzondering aan de wetgever uitsluitend overeenkomsten voor ogen hebben gestaan die de echtgenoten tijdens hun huwelijk zijn aangegaan met het oog op een voorgenomen echtscheiding. Daarin ligt besloten het oordeel dat een vóór het huwelijk aangegane overeenkomst waarbij wordt afgezien van partneralimentatie, nietig is op grond van art. 1:400 lid 2 BW. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 12 januari 1996 geoordeeld dat er geen reden was om terug te komen van het arrest van 7 maart 1980.