ECLI:NL:GHARL:2025:8170

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.355.846/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake gezag en omgangsregeling na gewelddadige relatie

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de gezags- en omgangsregeling van twee minderjarige kinderen, na een gewelddadige relatie tussen de ouders. De vader, die in eerste aanleg het gezamenlijk gezag over de kinderen had, is veroordeeld tot vijf jaar detentie en dwangverpleging voor ernstige geweldsmisdrijven tegen de moeder. De rechtbank Overijssel had in een eerdere beschikking het gezag van de vader beëindigd en de moeder alleen met het ouderlijk gezag belast. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing, maar het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelde dat de omstandigheden, waaronder de gewelddadige geschiedenis en de angst van de moeder en kinderen voor de vader, een eenhoofdig gezag door de moeder noodzakelijk maken. Daarnaast is de omgangsregeling aangepast; de kinderen hebben recht op videobelmomenten met de vader, maar alleen als hun draagkracht dat toelaat. De moeder is verplicht om de vader jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van de kinderen, met hulp van betrokken hulpverleners. Het hof heeft de proceskosten gecompenseerd, zodat beide ouders hun eigen kosten dragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.846
(zaaknummer rechtbank Overijssel 308902)
beschikking van 18 december 2025
inzake
[appellant],
verblijvende in [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R. Vermeer,
tegen
[geïntimeerde],
wonende in [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I.P. van Rossen.

1.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 15 maart 2024, 5 juni 2024 en 20 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna ook genoemd: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlagen, ingekomen op 18 juni 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met een bijlage;
- een journaalbericht namens de moeder van 10 november 2025 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vader van 10 november 2025 met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren de vader en de moeder met hun advocaten aanwezig.
Van de raad voor de kinderbescherming (de raad) was een vertegenwoordiger aanwezig.
3. De feiten
3.1
De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad en zij zijn de ouders van:
- [naam1] (hierna: [naam1] ), geboren te [woonplaats2] [in] 2018;
- [naam2] (hierna: [naam2] ), geboren te [woonplaats2] [in] 2020.
De vader heeft de kinderen erkend. Tot aan de bestreden beschikking hadden de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over de kinderen, die bij de moeder wonen.
3.2
Bij het vonnis van 23 januari 2024 is de vader veroordeeld tot vijf jaar detentie en dwangverpleging voor een poging tot doodslag van de moeder, een poging tot zware mishandeling van de moeder, in het bijzijn van de kinderen, en een verkrachting van de moeder. Daarnaast is hij veroordeeld tot het betalen van een (im)materiële schadevergoeding zowel aan de moeder als aan de kinderen.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- het gezag van de vader over de kinderen beëindigd en de moeder alleen met het ouderlijk
gezag over de kinderen belast;
- een omgangsregeling vastgesteld, die inhoudt dat de kinderen eenmaal in de drie weken een
videobelmoment met de vader hebben;
- aan de moeder de verplichting opgelegd om de vader jaarlijks in de maanden januari, april,
juli en oktober schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen op het
gebied van - onder mogelijk meer - gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en
sociaal leven, daaronder begrepen het toezenden van recente foto’s en de inhoud van de
schoolrapporten van de kinderen.
4.2
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof om die beschikking te vernietigen en:
- het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdige gezag te belasten, af te wijzen;
- te bepalen dat de moeder hem eenmaal per acht weken informeert over de ontwikkeling van
de kinderen (gezondheid, schoolprestaties/rapporten, vrijetijdsbesteding, sociaal leven) en
daarbij recente foto’s stuurt.
4.3
De moeder heeft verweer gevoerd en in incidenteel appel verzocht een omgangsregeling vast te stellen waarbij de kinderen een keer in de drie weken een videobelmoment met de vader hebben, mits daarbij de kinderen in afdoende mate blijk geven van de wens voor een dergelijk moment, althans dat geen sprake zal zijn van de mededeling aan de kinderen dat zij het videobelmoment móeten hebben, kosten rechtens.
4.4
De vader heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep. Hij vraagt het hof om het desbetreffende verzoek van de moeder af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Het gezag
Wat staat er in de wet?
5.1
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Wat heeft de rechtbank overwogen en beslist?
5.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het volgende overwogen:
“(…)
3.8.
De rechtbank is op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken van oordeel dat het in het belang van de kinderen vereist is dat het
gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen gewijzigd wordt naar eenhoofdig gezag van
de moeder. De rechtbank overweegt daarbij als volgt.
3.9
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die
nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om
belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals over de verblijfplaats, de school,
medische zaken, geloofsbeleving, vrije tijdsbesteding) te nemen. In geval van gezamenlijk
gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezaghebbende ouder genomen.
Een minimale communicatie tussen de ouders is noodzakelijk om op een goede manier
invulling te kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. In ieder geval moeten zij samen
kunnen overleggen over de eventuele knelpunten in de opvoeding. Gelet op hetgeen zich in
het verleden heeft afgespeeld, de angst die de kinderen en de moeder hebben voor de vader,
haar angst dat de vader haar en de kinderen iets aan zal doen en het feit dat zij zich constant
onveilig voelt en altijd op haar hoede is, is duidelijk dat van enig overleg tussen partijen geen sprake kan zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat deze situatie zich op afzienbare termijn in positieve zin zal wijzigen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking het gewelddadige
gedrag van de vader in het verleden, de door hem geuite bedreigingen jegens de moeder, haar trauma's en vrees voor haar veiligheid en dat van de kinderen en het feit dat de vader voor zijn problematiek nog geen behandeling heeft gehad. Voor de rechtbank is evident dat van de moeder niet kan worden gevergd om in overleg met de vader te moeten treden. Iedere vorm van overleg tussen de ouders zal veel spanningen bij de moeder en ook bij de kinderen
opleveren, wat onvermijdelijk een negatieve weerslag zal hebben op de kinderen. Dat moet
juist worden voorkomen.
3.1
Onder deze omstandigheden moet het anderszins in het belang van [naam1] en [naam2]
noodzakelijk worden geacht dat de moeder alleen wordt belast met het gezag over [naam1] en
[naam2] . zodat het de moeder mogelijk wordt gemaakt om voortvarende gezagsbeslissingen over
de kinderen te kunnen nemen. Eenhoofdig gezag biedt meer duidelijkheid en brengt in elk
geval voor wat betreft de rechten en plichten die voor een ouder voortkomen uit het gezag,
de voor de kinderen hoogst noodzakelijke rust. Het verzoek zal dan ook, conform het advies
van de raad, worden toegewezen.
(…)”.
Wat zijn de standpunten in hoger beroep?
5.3
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag over de kinderen heeft beëindigd. Hij begrijpt wel dat zijn handelen de nodige impact op de moeder en de kinderen heeft gehad, maar hij heeft zich de afgelopen maanden terughoudend opgesteld. Hij heeft alleen via de hulpverlening of zijn advocaat contact met de moeder gezocht en geen enkele gezagsbeslissing gefrustreerd. Bovendien krijgt hij door het gezag inzage in de verslagen van de hulpverlening van de kinderen, zodat hij beter op de hoogte blijft over wat er speelt in hun leven.
5.4
De moeder voert aan dat het gezag van de vader terecht is beëindigd. De vader stelt enerzijds dat hij begrijpt dat de gebeurtenissen impact hebben gehad op haar en de kinderen, maar anderzijds beseft hij blijkbaar onvoldoende dat de gevolgen een lange nasleep zullen hebben voor haar en de kinderen. Zelfs minimaal en uitsluitend schriftelijk contact met de vader over een gezagskwestie is zeer belastend voor haar en de kinderen, die de rust moeten krijgen om de voor hen noodzakelijke therapie te kunnen volgen.
Wat adviseert de raad?
5.5
De raad heeft geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voor gezamenlijk gezag is nodig dat er tussen de ouders een minimale vorm van contact kan zijn, wat in dit geval niet mogelijk is. De moeder en de kinderen moeten de rust en de ruimte krijgen om hun leven weer op te starten.
Wat is het oordeel van het hof?
5.6
Het hof heeft hetzelfde oordeel als de rechtbank en voegt daar nog het volgende aan toe. De moeder heeft zelf traumatherapie nodig en zij moet daarnaast de kinderen begeleiden bij de voor hen noodzakelijke behandeling. Van de moeder kan in die omstandigheden niet ook nog worden verwacht dat zij voor gezagsbeslissingen contact opneemt met de vader, zelfs niet als dat schriftelijk of via derden gaat. Gezamenlijk gezag is in deze situatie niet uitvoerbaar. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij het gezag van de vader is beëindigd en de moeder alleen is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
De informatie- en consultatieregeling
Wat staat er in de wet?
5.7
Op grond van artikel 1:247 lid 3 BW omvat het gezag mede de verplichting van een ouder om de ontwikkeling van de banden van het kind met de andere ouder te bevorderen.
Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind. Op verzoek van een ouder kan de rechter daarvoor een regeling vaststellen.
Wat heeft de rechtbank overwogen en beslist?
5.8
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de moeder de vader eens per drie maanden dient te informeren over het wel en wee van de kinderen. Zij hoeft daarbij geen afschriften van de schoolrapporten van de kinderen mee te sturen, maar zij dient wel de inhoud van die rapporten met de vader te delen.
Wat zijn de standpunten in hoger beroep?
5.9
De vader stelt dat hij destijds akkoord is gegaan met de informatieregeling omdat er wekelijks een videobelmoment was. Omdat de rechtbank de frequentie daarvan heeft teruggebracht naar eenmaal per drie weken en deze momenten ook niet altijd doorgaan, krijgt de vader niet veel informatie meer. In dat opzicht is de driemaandelijkse door de moeder verstrekte informatie volgens de vader te weinig en zou die frequentie op eenmaal per acht weken, en bovendien met toevoeging van recente foto’s, gesteld moeten worden. Ook vindt de vader de informatie die de moeder verstrekt te weinig en te nietszeggend.
5.1
De moeder voert aan dat de door de rechtbank vastgestelde frequentie van de informatieverstrekking van eenmaal per drie maanden voor haar op dit moment het maximaal haalbare is, zonder dat zij voortdurend met de vader en het verleden wordt geconfronteerd. Zij ervaart het als belastend om de informatie met de vader te delen.
Wat adviseert de raad?
5.11
De raad heeft geadviseerd om de frequentie van de informatieverstrekking niet te verhogen, maar wel om wat uitgebreidere informatie over de kinderen aan de vader te sturen, waarbij de moeder de hulp van een professionele instantie kan vragen.
Wat is het oordeel van het hof?
5.12
Het hof is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat de frequentie van de door de moeder aan de vader te verstrekken informatie niet kan worden verhoogd. Zoals hiervoor door het hof over het gezag al is overwogen kan van deze ernstig getraumatiseerde moeder ten aanzien van de informatieverstrekking niet worden verwacht dat zij de vader vaker dan eenmaal per drie maanden gaat informeren over de kinderen. Het hof acht het wel in het belang van de vader, maar uiteindelijk ook van de kinderen, dat de vader uitgebreidere informatie over de kinderen krijgt. Om de moeder daarin zoveel mogelijk te ontlasten kan de moeder daarbij de hulp vragen van de bij de kinderen betrokken organisaties Helderzorg en/of Jarabee. Deze organisaties kunnen de informatie over de kinderen die bij hen in het kader van de therapie bekend is opstellen, waarna de moeder het alleen nog maar hoeft te accorderen. Dat betekent dat het hof de beslissing van de rechtbank over de informatieregeling aanvult met de rol van de hulpverlening en de informatie over het verloop van de therapie. Voor de duidelijkheid zal het hof de informatieregeling zoals de rechtbank die heeft bepaald hieronder ook in de beslissing opnemen (onder 6). Uitsluitend om deze proces technische reden zal het hof de beslissing van de rechtbank over de informatieregeling vernietigen.
De omgangsregeling
Wat staat er in de wet?
5.13
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. In het tweede lid van dit wetsartikel staat dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een omgangsregeling kan vaststellen.
Wat heeft de rechtbank overwogen en beslist?
5.14
De rechtbank heeft overwogen dat de wekelijkse videobelmomenten met de vader te belastend zijn voor de kinderen en dat het meer passend is voor de kinderen als er eenmaal per drie weken een videobelmoment plaatsvindt.
Wat zijn de standpunten in hoger beroep?
5.15
De moeder stelt dat de kinderen het videobelmoment met de vader soms voelen als een last. Zij zien soms op tegen dat moment, dat zij op aandrang toch moeten ondergaan, wat averechts werkt. De moeder verzoekt daarom te bepalen dat de kinderen een keer in de drie weken een videobelmoment met de vader hebben, mits daarbij de kinderen in afdoende mate blijk geven van de wens voor een dergelijk moment, althans dat geen sprake zal zijn van de mededeling aan de kinderen dat zij het videobelmoment móeten hebben.
5.16
De vader voert aan dat de door de moeder verzochte aanpassing niet wenselijk is. Hij vreest dat het contact met de kinderen nog meer zal verwateren als de regeling een vrijblijvend karakter krijgt. Hij erkent dat de gevoelens van de kinderen moeten worden gerespecteerd en dat dwang niet de bedoeling moet zijn, maar dat een stimulerende en begeleidende rol van de moeder hierin wel belangrijk is.
Wat adviseert de raad?
5.17
Volgens de raad hebben de kinderen er recht op om de vader te leren kennen. Het
kan niet zo zijn dat de kinderen zelf mogen beslissen of zij een videobelmoment met de vader willen. Van de moeder kan worden verwacht dat zij de kinderen zoveel mogelijk stimuleert, waarbij het mogelijk zou moeten zijn om, met de hulp van de betrokken hulpverlening, een duidelijk plan op te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van de moeder, maar vooral met die van de kinderen.
Wat is het oordeel van het hof?
5.18
Het hof is van oordeel dat het uitgangspunt is dat een regelmatig en voorspelbaar contact met de vader essentieel is voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen en ook om de ouder-kindrelatie te onderhouden. Het initiatief voor een videobelcontact met de vader moet niet volledig bij de kinderen liggen. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat er in dit verband, zoals de raad heeft geadviseerd, met de behandelaars van de kinderen een plan wordt opgesteld, waarin rekening wordt gehouden met de draagkracht van de kinderen en die van de moeder. Het hof zal aan de beslissing, dat het videobelmoment eenmaal per drie weken plaatsvindt, toevoegen: als de draagkracht van de kinderen dat toelaat. Voor de duidelijkheid zal het hof de contactregeling zoals de rechtbank die heeft bepaald hieronder in de beslissing opnemen (onder 6). Uitsluitend om deze proces technische reden zal het hof de beslissing van de rechtbank over de contactregeling vernietigen.
De proceskosten
5.19
Het hof zal, omdat de ouders een relatie met elkaar hebben gehad en deze procedure gaat over hun kinderen, de proceskosten compenseren. Daarmee wordt bedoeld dat de vader en de moeder ieder hun eigen proceskosten betalen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 20 maart 2025, voor zover deze gaat over de informatieregeling en de omgangsregeling en beslist hierover opnieuw:
dat de moeder met hulp van de betrokken hulpverlening de vader jaarlijks in de maanden januari, april, juli en oktober schriftelijk informeert over de ontwikkelingen van de kinderen op het gebied van - onder mogelijk meer - gezondheid, het verloop van de therapie, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven, daaronder begrepen het toezenden van recente foto’s en de inhoud van de schoolrapporten van de kinderen;
en vult aan:
dat het videobelmoment tussen de vader en de kinderen eenmaal per drie weken plaatsvindt als de draagkracht van de kinderen het toelaat;
en bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover deze gaat over het gezag;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 18 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.