Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die sinds 1992 gehuwd waren en tevens de wijze van verdeling van de echtelijke woning vastgesteld, welke uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De man verzocht het hof om schorsing van deze uitvoerbaarheid totdat het hoger beroep in de hoofdzaak is beslist.
Het hof overwoog dat een uitvoerbare beschikking ook tijdens hoger beroep kan worden uitgevoerd, tenzij het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan dat van de wederpartij. De man heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn belang zwaarder zou zijn. Hij stelde dat hij geen hypotheekaanvraag kan doen zonder het echtscheidingsconvenant, maar dit is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft immers de verdeling vastgesteld, wat een convenant vervangt.
Daarnaast heeft de man onvoldoende aangetoond dat hij en de kinderen bij een gedwongen verkoop niet tijdig vervangende woonruimte kunnen vinden. De kinderen zijn inmiddels volwassen en hun keuze om bij de man te blijven wonen is hun eigen verantwoordelijkheid. Ook de stelling van een kennelijke misslag door de rechtbank wordt door het hof verworpen, aangezien het hof dit onderwerp in de hoofdzaak zal behandelen.
Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen en de beschikking van de rechtbank blijft uitvoerbaar.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en verklaart de beschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad.