ECLI:NL:GHARL:2025:818

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
18 februari 2025
Zaaknummer
200.349.740/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing uitvoerbaarheid verdeling echtelijke woning na echtscheiding

In deze zaak heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die sinds 1992 gehuwd waren en tevens de wijze van verdeling van de echtelijke woning vastgesteld, welke uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. De man verzocht het hof om schorsing van deze uitvoerbaarheid totdat het hoger beroep in de hoofdzaak is beslist.

Het hof overwoog dat een uitvoerbare beschikking ook tijdens hoger beroep kan worden uitgevoerd, tenzij het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan dat van de wederpartij. De man heeft onvoldoende onderbouwd waarom zijn belang zwaarder zou zijn. Hij stelde dat hij geen hypotheekaanvraag kan doen zonder het echtscheidingsconvenant, maar dit is niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft immers de verdeling vastgesteld, wat een convenant vervangt.

Daarnaast heeft de man onvoldoende aangetoond dat hij en de kinderen bij een gedwongen verkoop niet tijdig vervangende woonruimte kunnen vinden. De kinderen zijn inmiddels volwassen en hun keuze om bij de man te blijven wonen is hun eigen verantwoordelijkheid. Ook de stelling van een kennelijke misslag door de rechtbank wordt door het hof verworpen, aangezien het hof dit onderwerp in de hoofdzaak zal behandelen.

Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen en de beschikking van de rechtbank blijft uitvoerbaar.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en verklaart de beschikking van de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.349.740-02
(zaaknummers rechtbank Gelderland 429958 en 435132)
beschikking van 18 februari 2025 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoeker,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers,
en
[verweerster] ,
wonende in [woonplaats2] ,
verweerster,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 17 oktober 2024, uitgesproken onder zaaknummers 429958 en 435132.

2.De procedure bij het hof met betrekking tot het verzoek tot schorsing

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 9 januari 2025, en
- het verweerschrift op het incidenteel verzoek tot schorsing.
2.2
De zitting was op 3 februari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat, en
- de vrouw, bijgestaan door mr. M. Smits, kantoorgenoot van mr. Kranenburg.

3.De kern van de zaak

3.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen die op 26 augustus 1992 waren gehuwd.
3.2
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking ook, voor zover hier van belang, de wijze van verdeling van de echtelijke woning vastgesteld en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de uitspraak kan worden uitgevoerd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. De man verzoekt het hof om te bepalen dat de uitspraak niet hoeft te worden uitgevoerd zolang het hof nog geen beslissing in de hoofdzaak heeft genomen (schorsing van de uitspraak van de rechtbank).

4.De motivering van de beslissing

4.1
Een veroordeling door de rechtbank is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan die uitvoerbaarheid echter schorsen, als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
4.2
In de bestreden beschikking is de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet gemotiveerd en dat maakt dat er plaats is voor een ruimere afweging van belangen dan als de rechtbank de uitvoerbaar bij voorraadverklaring wel had gemotiveerd. Het is aan de man te stellen dat, en door middel van stukken te onderbouwen waarom, zijn belang zwaarder weegt dan het belang van de vrouw.
4.3
Het hof is van oordeel dat het schorsingsverzoek van de man dient te worden afgewezen omdat zijn belang bij schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring niet zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij uitvoering van de beschikking. De vrouw heeft een belang bij naleving van de bestreden beschikking omdat zij moet kunnen beschikken over het haar toekomende deel van de overwaarde die het huis vertegenwoordigt. De man wil de woning zelf overnemen, maar stelt dat hij geen hypotheekaanvraag kan indienen, omdat hij nog niet over alle stukken beschikt die daarvoor nodig zijn. Zo moet de eindbeslissing in het hoger beroep dat hij heeft ingesteld tegen onder andere de partneralimentatie eerst worden afgewacht, aldus de man. De man heeft deze – door de vrouw betwiste – stelling niet voldoende onderbouwd. Nergens blijkt uit dat door het door de man ingestelde hoger beroep geen hypotheekaanvraag kan worden gedaan. De man heeft geen enkel stuk overgelegd waaruit volgt dat, zoals hij stelt, een echtscheidingsconvenant noodzakelijk is voor een beoordeling van een hypotheekaanvraag. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking immers de wijze van verdeling vastgesteld en die beschikking vervangt een eventueel echtscheidingsconvenant. De man stelt bovendien zelf dat hij volgens de inschatting van zijn hypotheekadviseur in staat is de woning over te nemen. De man had aldus een hypotheekaanvraag kunnen doen op basis van het voor hem ’slechtste’ scenario, namelijk dat de bestreden beschikking in stand blijft. De man heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad (in ieder geval drie maanden) om te laten zien dat hij de echtelijke woning van de vrouw kan overnemen. Dit vormt dan ook geen reden om tot schorsing over te gaan. Dat de man en de kinderen bij een gedwongen verkoop niet tijdig over vervangende woonruimte kunnen beschikken, heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet voldoende onderbouwd. De man weet sinds 2023 dat de vrouw van hem wil scheiden en heeft daarmee voldoende tijd gehad om vervangende woonruimte te zoeken. Ten aanzien van de kinderen geldt dat zij inmiddels volwassen zijn (24 en 30 jaar) en dat hun keuze om bij de man te blijven wonen, voor hun eigen risico dient te komen, althans niet (financieel) kan worden afgewenteld op de vrouw.
4.4
Verder heeft de man gesteld dat sprake is van een kennelijke misslag, omdat de rechtbank bij de bepaling van de overwaarde geen rekening heeft gehouden met de waarde van de beleggingshypotheek per 15 december 2023. Het hof volgt de man daarin niet. Dat de man het inhoudelijk niet eens is met deze beslissing maakt niet dat sprake is van een kennelijke misslag. Een beoordeling van deze stelling zal bij de behandeling van de hoofdzaak aan de orde komen. In deze schorsingszaak is daarvoor, gelet op het genoemde beoordelingskader, geen ruimte. Daarnaast is volgens de man sprake van een kennelijke misslag nu de rechtbank voor de verkoop van de woning een makelaar heeft aangewezen die alleen taxaties verricht en geen woningen verkoopt. Het hof overweegt dat deze mogelijke misslag niet zodanig is dat zij een schorsing rechtvaardigt.

5.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, K. Mans en K. Hermsen en is op 18 februari 2025 door mr. K. Mans uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.