ECLI:NL:GHARL:2025:8181

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
Wahv 200.349.988/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing dwangsom wegens misbruik van procesrecht bij ingebrekestelling

De betrokkene stelde beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het verzoek tot het opleggen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen door de officier van justitie ongegrond verklaarde. De ingebrekestelling was onderdeel van een bulk van 3.000 ingebrekestellingen, waarvan een groot deel niet doel kon treffen. De kantonrechter oordeelde dat sprake was van misbruik van procesrecht en dat daarom geen dwangsom verschuldigd was.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de ingebrekestelling correct was ingediend en dat de officier van justitie onterecht buiten de termijn had beslist. Ook stelde hij dat de steekproefsgewijze controle van de officier van justitie niet rechtsgeldig was en dat er mogelijk opzettelijke vertraging was om dwangsommen te vermijden.

De advocaat-generaal verdedigde het standpunt van de officier van justitie en stelde dat het in bulk toesturen van ingebrekestellingen, waarvan het merendeel niet relevant was, het Parket CVOM belemmerde adequaat te beslissen, wat misbruik van procesrecht oplevert.

Het hof concludeerde dat de ingebrekestelling niet afzonderlijk in het dossier aanwezig was, maar wel onderdeel was van de bulk. Het hof volgde het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht en bevestigde de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot dwangsom wegens misbruik van procesrecht bij de ingebrekestelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.349.988/01
CJIB-nummer
: 256008836
Uitspraak d.d.
: 18 december 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek van de gemachtigde tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen, door de officier van justitie, op het administratief beroep. De kantonrechter heeft overwogen dat geen dwangsom is verschuldigd en daartoe onder meer overwogen dat, nu gebleken is dat onderhavige ingebrekestelling was opgenomen in een bulk van 3.000 ingebrekestellingen, waarbij steekproefsgewijze controle heeft uitgewezen dat in het grootste deel daarvan de zaak niet bekend was of al was ingetrokken of dat de gemachtigde niet bij de zaak betrokken was, reden waarom er sprake is van misbruik van procesrecht of in ieder geval een niet deugdelijke aanlevering van de ingebrekestelling in een bulk. Daarbij volgt de kantonrechter het standpunt van de officier van justitie wat betreft dit laatste punt, zodat er, bij gebreke van een deugdelijke ingebrekestelling, geen dwangsom is verschuldigd. Het hof leest de beslissing van de kantonrechter daarom zo dat het verzoek tot het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom niet-ontvankelijk is verklaard.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geweigerd een dwangsom toe te kennen. Ingevolge artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 4:18 van Pro de Awb is de officier van justitie verplicht om binnen twee weken na ontvangst van een ingebrekestelling een besluit te nemen. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij de officier van justitie op de juiste wijze in gebreke heeft gesteld. De wet biedt geen ruimte op basis van een steekproef te bepalen welke ingebrekestellingen wel en niet worden behandeld. De officier van justitie heeft ook geen tekst en uitleg gegeven over de steekproef. Er zijn inderdaad veel ingebrekestellingen verstuurd, maar verkeersboete.nl heeft ook veel zaken. Ten aanzien van de stelling van de officier van justitie dat in veel zaken al een beslissing was genomen, wordt opgemerkt dat post afkomstig van het Parket CVOM soms veel later binnenkomt. Daarnaast is de beslissing soms alleen naar de betrokkene gestuurd. Als en voor zover het Parket CVOM kan bewijzen dat post is verstuurd, betekent dat niet dat ook bewezen is dat die is aangekomen. Dat in sommige dossiers al beroep bij de kantonrechter was ingesteld komt omdat soms beroep wordt ingesteld tegen samenhangende beslissingen via één dossier. Daarnaast stelt de gemachtigde dat hij de zaken handmatig steekproefsgewijs heeft gecontroleerd en niet op gevallen is gestuit waarin een ingebrekestelling niet van toepassing was. Pas na tien weken heeft de officier van justitie een gemotiveerd standpunt ingenomen over buitenbehandelingstelling van de ingebrekestellingen. In de tussentijd beslist de officier van justitie in allerlei zaken waarin terecht ingebrekestellingen waren gestuurd. Er valt niet uit te sluiten dat de officier van justitie opzettelijk laat heeft gereageerd om aldus de verschuldigdheid van dwangsommen te vermijden. Dit komt neer op misbruik van bevoegdheid. Het voorgaande heeft de kantonrechter ten onrechte niet onderkend. De kantonrechter heeft, zonder nadere toelichting, overwogen dat geen sprake is van een deugdelijke aanlevering van de ingebrekestelling. De brieven en lijsten, zoals deze bij de kantonrechter zijn overlegd betreffen de verzendadministratie, aldus de gemachtigde. Wat betreft het onderhavige geval stelt de gemachtigde dat vaststaat dat een individuele ingebrekestelling is ingediend en dat de officier van justitie buiten de termijn van twee weken heeft beslist. Volgens de gemachtigde heeft de officier van justitie de ingebrekestelling op 3 oktober 2023 ontvangen. Daaropvolgend heeft de gemachtigde de beslissing van de officier van justitie pas op 18 december 2023 ontvangen.
3. De advocaat-generaal heeft zich in het verweerschrift onder meer op het standpunt gesteld dat de officier van justitie mocht beslissen om de ingebrekestelling met datum 2 oktober 2023 buiten behandeling te laten. Kort samengevat is aangevoerd dat met de wijze van sturen van ingebrekestellingen in een batch met in totaal 314 ingebrekestellingen, waarin slechts een klein percentage mogelijk doel kon treffen, de gemachtigde het Parket CVOM onmogelijk heeft gemaakt om adequaat en voortvarend te beslissen. Het op deze wijze in bulk toesturen van ingebrekestellingen in zaken die al waren afgedaan of waarin de gemachtigde geen gemachtigde meer was, levert misbruik van procesrecht op. De advocaat-generaal heeft een samenvatting van een memo van het Parket CVOM en de daarbij horende bijlagen bij het verweerschrift gevoegd. Die memo is opgesteld door medewerkers van het Parket CVOM, waarin de gehele correspondentie tussen de gemachtigde en het Parket is bijgehouden.
4. In het dossier bevindt zich niet de door de gemachtigde genoemde ingebrekestelling met datum 2 oktober 2023 die ontvangen zou zijn op 3 oktober 2023, ook niet in kopie bij het hoger beroepschrift. Het CJIB-nummer in deze zaak komt wel voor op de door de gemachtigde overgelegde lijst met CJIB-nummers van 314 zaken waarin op 2 oktober 2023 gelijktijdig een ingebrekestelling is ingediend. Van die bulk is voldoende gebleken dat een zeer aanzienlijk deel van de ingebrekestellingen geen doel kan treffen.
5. Het hof is, met verwijzing naar het arrest van het hof van 23 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3767, van oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht nu de gemachtigde zijn bevoegdheid tot het in gebreke stellen van de officier van justitie, gelet op de wijze waarop dat in dit geval is gedaan, in dit geval met geen ander doel heeft gedaan dan het de officier van justitie onmogelijk te maken gevolg te geven aan de ingebrekestelling door op zodanige termijn alsnog op het administratief beroep te beslissen dat geen dwangsom wordt verbeurd. Dat nadien nog een andere ingebrekestelling is toegestuurd, doet hieraan niet af en maakt niet dat niet langer sprake is van misbruik van procesrecht.
6. Gelet op het voorgaande en hetgeen onder ro. 1 is overwogen, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing met verbetering van gronden.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.