ECLI:NL:GHARL:2025:8265

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
200.356.976/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag vader op basis van artikel 1:253n Burgerlijk Wetboek

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over hun twee minderjarige kinderen. De vader, die in hoger beroep ging, verzocht het hof om de beschikking van de rechtbank Gelderland te vernietigen, waarin de moeder alleen met het gezag over de kinderen was belast. De vader voerde aan dat er onvoldoende onderzoek was gedaan en dat hij niet tegenwerkte, maar juist in het belang van de kinderen handelde. De moeder daarentegen stelde dat de vader wel degelijk gezagsbeslissingen tegenwerkte en dat er voldoende hulpverlening was aangeboden. Het hof heeft de feiten en omstandigheden zorgvuldig gewogen en vastgesteld dat de vader in het verleden niet heeft meegewerkt aan gezagsbeslissingen, wat een negatieve impact heeft gehad op de kinderen. De raad voor de kinderbescherming adviseerde om de beschikking van de rechtbank in stand te laten, gezien de spanningen tussen de ouders en de noodzaak voor stabiliteit voor de kinderen. Het hof concludeerde dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk was dat het gezag alleen aan de moeder werd toebedeeld, en bekrachtigde de eerdere beschikking. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten droeg.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.976
(zaaknummer rechtbank Gelderland 440878)
beschikking van 18 december 2025
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. B. Anik
en
[verweerder](de moeder)
die woont in [woonplaats2] , gemeente [plaats1]
advocaat: mr. L.A. Hauwert.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 april 2025, uitgesproken onder zaaknummer 440878. Het hof zal die beslissing hierna de bestreden beschikking noemen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 juli 2025
- het verweerschrift met producties
-een journaalbericht van de moeder van 28 oktober 225 met productie
-een journaalbericht van de vader van 10 november 2025 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling was op 20 november 2025. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat
- de vader met zijn advocaat
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
- een vertegenwoordiger van de stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI als informant).

3.De feiten

De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige1] ( [minderjarige1] ), geboren [in1] 2016, en
- [minderjarige2] ( [minderjarige2] ), geboren [in2] 2019
over wie de ouders tot de bestreden beschikking samen het gezag uitoefenden.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder alleen belast met het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] . Het meer of anders verzochte is afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beschikking direct in werking is getreden.
4.2
De vader is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en
het verzoek van de moeder om haar alleen te belasten met het gezag af te wijzen en te bepalen dat de moeder en de vader samen het gezag over de kinderen zullen hebben.
Zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling heeft de vader op de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken.
4.3
De moeder voert verweer en vraagt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep of zijn verzoeken af te wijzen, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
De wet
5.1.
De rechter kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Dat staat in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek.
Standpunten
5.2.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de moeder alleen met het gezag over de kinderen te belasten. De vader vindt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan. Ook vindt de vader dat er onvoldoende hulpverlening is gegeven aan de ouders. Er is nooit een traject zoals Ouderschap Blijft gestart en de vader vraagt al maanden om een IAG-traject. Het argument van de rechtbank dat de vader gezagsbeslissingen tegenwerkt, is niet juist: de vader werkt geen beslissingen tegen die in het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] zijn.
5.3.
De moeder is het eens met de rechtbank. Volgens de moeder werkt de vader
gezagsbeslissingen die in het belang van de kinderen zijn wel degelijk tegen. De moeder geeft een aantal voorbeelden van beslissingen waaraan de vader niet of pas heel laat heeft meegewerkt. Ook is volgens de moeder onjuist dat geen hulpverlening aan de ouders is aangeboden. Zo is mediation ingezet en was een traject zoals “Ouderschap Blijft” niet inzetbaar omdat dit volgens de hulpverleners pas zin heeft als de vader hulpverlening voor zichzelf inzet. Dat laatste weigert de vader.
Advies raad
5.4.
De raad adviseert het hof de beslissing van de rechtbank in stand te laten. Er moet nog heel veel gebeuren voordat de kinderen een normale omgang met hun vader kunnen hebben met ouders die op een normale manier met elkaar kunnen communiceren. De moeder geeft volgens de raad op een goede manier invulling aan haar gezag. Zij houdt de vader ook voldoende op de hoogte over de kinderen. De koers die de moeder in overleg met professionele hupverlening heeft ingezet voor de kinderen moet volgens de raad niet langer belast zijn met energieverslindende discussies tussen de vader, de GI en de moeder. De kinderen staan op een belangrijk punt in hun ontwikkeling. Zij zijn aangemeld voor EMDR-therapie. De raad vindt een raadsonderzoek niet in het belang van de kinderen: de kinderen gaan een ingrijpend behandeltraject tegemoet en een raadsonderzoek zou de kinderen ongewenste extra spanning en stress geven.
Oordeel hof
5.5.
Het hof stelt in de eerste plaats vast dat het voldoende informatie heeft om een beslissing over het gezag te kunnen nemen. Het hof zal dan ook geen raadsonderzoek gelasten.
5.6.
Het is naar het oordeel van het hof in het belang van de kinderen noodzakelijk dat het gezag over de kinderen alleen aan de moeder toekomt. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
5.7.
In de eerste plaats heeft de vader in de afgelopen jaren aantoonbaar niet meegewerkt met de moeder bij het nemen van gezagsbeslissingen. Zo heeft de moeder de vader in juli 2022 een aanmeldformulier voor de basisschool van [minderjarige2] gestuurd, waarna zij na herhaalde verzoeken op 24 januari 2023 de rechtbank om vervangende toestemming heeft verzocht tot inschrijving van [minderjarige2] op de basisschool. Pas bij de mondelinge behandeling van dat verzoek bij de rechtbank op 7 februari 2023 heeft de vader aan dit verzoek voldaan. Ook heeft het maanden geduurd voordat de vader zijn toestemming gaf voor het aanvragen van een ID-kaart voor de kinderen. In maart 2025 heeft de vader zijn toestemming geweigerd voor EMDR-therapie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] . Zelfs op de mondelinge behandeling bij dit hof gaf de vader aan dat hij nog steeds weigert mee te werken aan het opstellen van een door de hulpverleners gevraagde (levens)verhaallijn om de voor de kinderen noodzakelijk geachte EMDR-therapie met zo goed mogelijke informatie van vaders- en moederszijde van start te kunnen laten gaan. De kinderen zijn met die houding van de vader niet geholpen en hebben daar last van.
5.8.
In de tweede plaats is de verhouding tussen de vader, de moeder en de hulpverleners zeer gespannen, wat een negatieve weerslag heeft op de kinderen. Hoewel het hof ziet dat de vader zijn best doet en het beste met de kinderen voor heeft, is onvoldoende verbetering in de houding van de vader in de richting van de GI, de gezinsvoogd en de moeder te zien. Om in het belang van de kinderen tot verbetering van de onderlinge communicatie te komen, is volgens de betrokken deskundigen nodig dat de vader de stap naar professionele hulpverlening zet. Daartoe is de vader nog steeds niet bereid. Het verzoek per e-mail van de vader van 3 november 2025 (productie 8 van de vader) om met een vertrouwenspersoon, zijn buurman [naam1] , een gesprek met een teamleider van de GI aan te gaan om de communicatie te verbeteren lijkt hoopvoller dan het is: die vertrouwenspersoon blijkt behalve buurman van de vader ook wethouder in de gemeente [plaats2] te zijn. De wethouder is volgens de vader met hem van mening dat wat er in dit jeugdzorgdossier allemaal gebeurd is, niet kan. Daardoor lijkt het er meer op dat de vader met steun van de wethouder door middel van escalatie binnen de organisatie van de GI nieuwe zuurstof wil geven aan zijn strijd tegen de GI en de moeder, dan dat het gesprek gericht is op het verbeteren van de communicatie met de gezinsvoogd vanuit acceptatie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de gemeente [plaats2] in het kader van haar taken op het gebied van de jeugdzorg ook opdrachtgever/ketenpartner is van de GI.
Volgens de gezinsvoogd bedoelt de vader met zijn verzoek van 3 november 2025 om te werken aan herstel van het vertrouwen dat er een andere gezinsvoogd moet komen. De vader heeft dat niet weersproken.
5.9.
Al met al maken de niet meewerkende houding van de vader bij het nemen van gezagsbeslissingen en het vooralsnog ontbreken van een reëel perspectief op verbetering van de onderlinge verstandhouding dat wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Zeker nu de kinderen zijn gestart met door professionele deskundigen noodzakelijk geachte EMDR-therapie, is het van groot belang dat de rust bewaard blijft bij het nemen van dit soort beslissingen. Voor [minderjarige1] geldt bovendien dat de leerkrachten op school alle zeilen moeten bijzetten om hem in het reguliere onderwijs te houden omdat hij op school zeer moeilijk gedrag vertoont. Als dat niet lukt, zal [minderjarige1] naar speciaal onderwijs moeten. Het zou zonde zijn als [minderjarige1] de stap naar het speciaal onderwijs moet zetten, terwijl dat mogelijk voorkomen had kunnen worden. Het is nu van groot belang dat ook de vader, al wordt hij niet hersteld in het gezag over de kinderen, zijn volle medewerking verleent aan de inzet van de leerkrachten en de GI op dit punt.

6.De slotsom

6.1
Op grond van wat hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, nu de ouders echtgenoten zijn geweest en de procedure de uit hun relatie geboren kinderen betreft.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 29 april 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, I.G.M.T. Weijers- van der Marck en K.A.M. van Os - ten Have, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 18 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.