ECLI:NL:GHARL:2025:8395

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
200.362.177
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging faillissement wegens getroffen betalingsregelingen en toekomstige inkomsten

Appellant, handelend onder een eenmanszaak in de bouw en levering van kozijnen, werd door de rechtbank failliet verklaard op verzoek van Capilex vanwege niet-betaling van een lening. In hoger beroep betwist appellant deze faillietverklaring en voert aan dat hij inmiddels betalingsregelingen heeft getroffen en binnenkort over voldoende inkomen zal beschikken.

Het hof stelt vast dat Capilex een vordering heeft en dat er meerdere schuldeisers zijn, waaronder de Belastingdienst en Achmea Bank. Echter, appellant heeft een regeling getroffen waarbij € 25.000,- op een derdengeldenrekening is gestort en derden de curator kosten hebben voldaan. Tevens heeft appellant een hypothecaire lening afgesloten die binnenkort vrijkomt om schulden af te lossen.

Het hof oordeelt dat appellant niet langer in de toestand verkeert van opgehouden te betalen, mede omdat hij betalingsregelingen met schuldeisers heeft en vanaf januari 2026 een inkomen van € 1.500,- per week verwacht. De curator kosten worden verminderd van € 7.648,63 naar € 5.000,- wegens onvoldoende specificatie en onnodige aanwezigheid van een kantoorgenoot.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot faillietverklaring af. De curator kosten worden vastgesteld op € 5.000,- en komen voor rekening van appellant.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt het faillissement en wijst het verzoek tot faillietverklaring af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.362.177
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/25/558
arrest van 19 december 2025
in de zaak van
[appellant], handelend onder de naam [naam]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. A.M.S. van Asselt
en
Capilex B.V.
die is gevestigd in Vught
hierna: Capilex
advocaat: mr. S.K. Tuithof

1.De procedure bij de rechtbank

De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), heeft bij vonnis van 25 november 2025 [appellant] , op verzoek van Capilex, in staat van faillissement verklaard. Daarbij is mr. L. Veldkamp benoemd tot curator (hierna: de curator). Het gerechtshof (hierna: het hof) verwijst naar dat vonnis.

2.De procedure bij het hof

2.1.
Bij (op 3 december 2025 bij het hof binnengekomen) beroepschrift heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep is dat het verzoek van Capilex tot faillietverklaring van [appellant] alsnog wordt afgewezen.
2.2.
Het hof heeft naast het beroepschrift kennisgenomen van:
  • het door de curator toegezonden stuk van 11 december 2025;
  • de akte inbrengen bijlagen van [appellant] van 12 december 2025;
  • de nagekomen stukken van [appellant] van 15 december 2025.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Hierbij is [appellant] verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Van Asselt. Namens Capilex is verschenen mr. Tuithof. Ook is de curator verschenen, vergezeld door kantoorgenoot mr. C. Knoben.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

De kern van de zaak
3.1.
[appellant] exploiteert in de vorm van een eenmanszaak ( [naam] ) een onderneming die zich (onder andere) bezighoudt met de bouw en levering van kozijnen.
[naam] en Capilex hebben een kredietovereenkomst gesloten, op grond waarvan Capilex een lening van € 15.000,- heeft verstrekt aan [naam] tegen 1% rente per maand. Volgens Capilex heeft [naam] (en dus [appellant] ) het krediet niet terugbetaald. Capilex heeft daarom een verzoek ingediend tot faillietverklaring van [appellant] .
3.2.
De rechtbank heeft [appellant] in staat van faillissement verklaard omdat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van Capilex en omdat [appellant] in de toestand verkeerde dat hij heeft opgehouden te betalen.
Juridisch kader
3.3.
Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager (Capilex) en ook van het (op dit moment) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar ( [appellant] ) verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste), is een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.
3.4.
Als in hoger beroep een nieuwe beoordeling plaatsvindt van de materiële vereisten voor de faillietverklaring, toetst het hof naar het moment van zijn uitspraak of aan die vereisten is voldaan. In dat geval geldt niet meer het vereiste dat ten tijde van de uitspraak in hoger beroep summierlijk van de eigen vordering van de aanvrager moet blijken. De faillietverklaring kan dus in hoger beroep in stand blijven als de vordering van de aanvrager (inmiddels) is betaald.
De vordering van Capilex en pluraliteit van schuldeisers
3.5.
In hoger beroep staat vast dat Capilex een vordering heeft op [appellant] en dat is voldaan aan het pluraliteitsvereiste. Er zijn namelijk meerdere schuldeisers, waaronder de Belastingdienst met een vordering van € 133.549,90 en Achmea Bank N.V. met een hypothecaire vordering van € 137.924,12.
De faillissementstoestand
3.6.
Het hof is met [appellant] van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [appellant] niet (langer) in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. [appellant] heeft allereerst een regeling getroffen met Capilex op grond waarvan € 25.000,- op de derdengeldenrekening van mr. Van Asselt is gestort door derden. Dat bedrag zal bij vernietiging van het faillissement worden overgemaakt naar Capilex. [appellant] heeft diezelfde derden bereid gevonden om de kosten van de curator namens hem te betalen. Het bedrag aan faillissementskosten dat de curator eerder als inschatting aan de advocaat van [appellant] heeft gestuurd ( € 9.075,- inclusief btw) is daarvoor op de derdengeldenrekening van mr. Van Asselt gestort. Deze betalingen betreffen schenkingen, zodat geen nieuwe schulden/schuldeisers zijn ontstaan. Verder geldt dat [appellant] met het overgrote deel van de schuldeisers een betalingsregeling heeft getroffen en dat de overige schuldeisers hebben toegezegd bereid te zijn om (na vernietiging van het faillissement) een betalingsregeling af te spreken. In dat kader is van belang dat [appellant] een getekende offerte van de Rabobank heeft overgelegd, waaruit volgt dat hij een hypothecaire lening van € 247.820,- heeft afgesloten bij de Rabobank. Hij heeft toegelicht dat hij dit bedrag, na het passeren van de akte bij de notaris op 24 december 2025, tot zijn beschikking krijgt. Zodra dit geld vrijkomt zal [appellant] daarmee zijn hypothecaire lening bij Achmea Bank N.V. aflossen. Met het resterende bedrag kan [appellant] de betalingsregelingen nakomen die hij met andere schuldeisers heeft gesloten of nog zal afsluiten. Op basis van de op dit moment lopende betalingsregelingen moet [appellant] al uiterlijk op 25 en 31 december 2025 de eerste betalingen hebben verricht. Als [appellant] de betalingen (na het passeren van de akte) rechtstreeks door de notaris laat verrichten kan hij tijdig aan deze verplichtingen voldoen. Hij heeft op de mondelinge behandeling ook verklaard dat zo te gaan regelen.
3.7.
[appellant] heeft verder aannemelijk gemaakt dat hij in staat zal zijn ook de volgende termijnen van de betalingsregelingen te kunnen voldoen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat hij per januari 2026 weer inkomen zal genereren ter hoogte van € 1.500,- netto (btw verlegd) per week. Met deze inkomsten is het voldoende aannemelijk dat [appellant] zijn verplichtingen uit de gesloten en de nog te sluiten betalingsregelingen kan nakomen. Het hof neemt hierbij ook nog in aanmerking dat de echtgenote van [appellant] (zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling) instemt met deze wijze van het voldoen van de schulden van [appellant] en dat zij ook bijdraagt aan onder andere de huishoudelijke kosten. Al met al heeft het hof de overtuiging dat [appellant] van goede wil is en dat hij in staat is om zijn schulden af te betalen zoals hij met zijn schuldeisers heeft afgesproken of nog zal afspreken, zodat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat hij verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen.
Kosten curator
3.8.
Van de curator mag worden verwacht dat zij, zolang er onzekerheid is over de faillietverklaring, alleen de strikt noodzakelijke werkzaamheden zal uitvoeren. In dat kader mag van de curator worden verlangd dat zij gespecificeerd en grondig toelicht waarom de door haar uitgevoerde werkzaamheden (gedurende het hoger beroep) noodzakelijk zijn geweest.
3.9.
De curator heeft een overzicht overgelegd waarin de totale gemaakte uren per medewerker zijn weergegeven. Aan de hand van die uren heeft de curator de totale kosten vastgesteld op € 7.648,63 inclusief btw. De curator heeft in datzelfde document toegelicht dat bij de tijdsbesteding van haar en haar kantoorgenoot mr. Knoben drie uur is opgenomen voor de reistijd en het bijwonen van de mondelinge behandeling in het hoger beroep. Het hof begrijpt dit zo dat voor ieder afzonderlijk drie uren in rekening zijn gebracht. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.8 is overwogen, zal het hof deze uren voor zover deze mr. Knoben betreffen in mindering brengen op de totale kosten. Gelet op de terughoudendheid die van de curator verwacht mag worden bij het maken van kosten tijdens de hoger beroep procedure, ziet het hof geen noodzaak om de kosten te rekenen voor de aanwezigheid van een kantoorgenoot, ook de geringe omvang en complexiteit van deze zaak in aanmerking genomen. Verder heeft de curator in haar overzicht niet gespecificeerd op welke werkzaamheden de gemaakte uren betrekking hebben en heeft zij geen toelichting gegeven waarom de verrichte werkzaamheden strikt noodzakelijk waren. De curator heeft geen tijdschrijfformulieren overgelegd. Het hof kan daarom de noodzaak van de uren die zijn weergegeven in het overzicht van de curator niet verifiëren, ook niet in combinatie met de kosteninschatting die de curator eerder naar [appellant] heeft gestuurd, omdat daar uitsluitend bedragen vermeld staan zonder een uitsplitsing per medewerker. De curator heeft maar enkele weken werkzaamheden hoeven te verrichten, terwijl [appellant] op haar verzoek zijn werkzaamheden heeft neergelegd vanaf datum faillissement. Op de mondelinge behandeling heeft de curator toegelicht dat het aanschrijven van de schuldeisers door haar medewerkers wordt verricht. Ook uit de reactie van de curator op het beroepschrift van de curator volgt niet de noodzaak van het verrichten van alle uren aan werkzaamheden, zoals die vermeld staan op het urenoverzicht. Dit maakt dat het hof de kosten zal verlagen tot een bedrag van € 5.000,- inclusief btw. Deze kosten komen ten laste van [appellant] .

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 25 november 2025 en beslist als volgt:
4.2.
wijst het verzoek tot faillietverklaring alsnog af;
4.3.
stelt het salaris van de curator vast op een bedrag van € 5.000,- inclusief btw en bepaalt dat deze kosten ten laste van [appellant] komen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.P.M. Hennekens, G.J. Meijer en J.G.B. Pikkemaat, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2025.