ECLI:NL:GHARL:2025:8397

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
21-003573-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het veroorzaken van een aanrijding met lichamelijk letsel door onvoorzichtig en onoplettend rijden en verlaten van de plaats van het ongeval

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Gelderland. De verdachte, een beginnend bestuurder, werd beschuldigd van het veroorzaken van een verkeersongeval op 17 februari 2023 in [plaats], waarbij een fietser, [slachtoffer], ernstig letsel opliep. De verdachte reed met een snelheid tussen de 52 en 67 km/u op een weg waar de maximumsnelheid 30 km/u was, terwijl hij zijn mobiele telefoon in de hand had en daarmee handelingen verrichtte. Na de aanrijding verliet hij de plaats van het ongeval zonder zich te vergewissen van de toestand van het slachtoffer. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor 18 maanden. In hoger beroep heeft het hof de feiten en omstandigheden opnieuw beoordeeld. Het hof oordeelde dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend had gereden, maar niet roekeloos. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en legde een taakstraf van 180 uren op, met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De uitspraak benadrukt de ernst van verkeersovertredingen en de gevolgen daarvan voor slachtoffers.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003573-24
Uitspraakdatum: 16 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 augustus 2024 met parketnummer 05-099121-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] in Cali (Colombia),
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 december 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. K.C. van de Wijngaart, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte door zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft aan een verkeersongeval, waardoor een ander lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht, waarna hij vervolgens de plaats van het ongeval heeft verlaten. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 17 februari 2023 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij, verdachte, een beginnend bestuurder was, over de [straatnaam] te rijden met een (indicatieve) snelheid gelegen tussen de 52km p/u en/of 67km p/u, althans met een snelheid veel hoger dan de toegestane maximum snelheid van 30km p/u en/of (daarbij) zijn mobiele telefoon ter hand te nemen en/of (daarbij) op voornoemde mobiele telefoon (een) handeling(en) te verrichten en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen deel van de weg en/of op overige medeweggebruikers te letten en/of is blijven letten en/of (vervolgens) zijn motorrijtuig niet, althans niet tijdig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en/of waarover deze weg vrij was en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid, althans met een snelheid veel hoger dan de toegestane maximum snelheid van 30km p/u achter op/tegen een medeweggebruiker (fietser) te botsen en/of te rijden waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 17 februari 2023 te [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straatnaam] , met een (indicatieve) snelheid gelegen tussen de 52km p/u en/of 67km p/u, althans met een snelheid veel hoger dan de toegestane maximum snelheid van 30km p/u heeft gereden en/of (daarbij) zijn mobiele telefoon ter hand heeft genomen en/of (daarbij) op voornoemde mobiele telefoon (een) handeling(en) heeft verricht en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen deel van de weg en/of op overige medeweggebruikers heeft gelet en/of is blijven letten en/of (vervolgens) zijn motorrijtuig niet, althans niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen een afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en/of waarover deze weg vrij was en/of (vervolgens) met onverminderde snelheid, althans met een snelheid veel hoger dan de toegestane maximum snelheid van 30km p/u achter op/tegen een medeweggebruiker (fietser) is gebotst en/of gereden door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in [plaats] op/aan de [straatnaam] , op of omstreeks 17 februari 2023 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging [1]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde onder feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, met dien verstande dat het rijgedrag van verdachte is aan te merken als roekeloos.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen van verdachte niet leiden tot roekeloosheid en slechts sprake kan zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de feiten op juiste wijze uiteen heeft gezet en zal deze uiteenzetting dan ook grotendeels overnemen en dezelfde bewijsmiddelen gebruiken voor een bewezenverklaring.

Feit 1

Niet ter discussie staat dat verdachte op 17 februari 2023 als verkeersdeelnemer en bestuurder van een auto over de [straatnaam] in [plaats] heeft gereden. Tijdens het rijden had verdachte zijn mobiele telefoon in zijn hand en hij verrichtte daar handelingen op, namelijk het opzetten van muziek. Verdachte is met zijn auto in aanrijding gekomen met een fietser, aangever [slachtoffer] (hierna: aangever). Verdachte heeft daarna de plaats van de aanrijding verlaten. [2]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte beginnend bestuurder is. [3] De maximaal toegestane snelheid op de [straatnaam] is 30 km/u. De Forensische Opsporing Verkeer heeft, op basis van camerabeelden van vlak voor de aanrijding, een grove indicatieve snelheidsberekening gemaakt. Daaruit is naar voren gekomen dat verdachte met een hogere snelheid dan de toegestane 30 km/u heeft gereden. [4] Verdachte heeft bevestigd dat hij te hard reed en heeft verklaard dat hij op de [straatnaam] tussen de 40 en 50 km/u reed op het moment van de aanrijding. [5] Het hof ziet mede daarom geen reden om te twijfelen aan de weliswaar grove indicatieve snelheidsberekening van de Forensische Opsporing Verkeer en vindt op basis daarvan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een hogere snelheid dan de toegestane 30 km/u heeft gereden. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij, op het moment van de aanrijding, zijn telefoon in zijn handen had en muziek aan het opzetten was. [6]
Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994
Bij de beantwoording van de vraag of het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van verdachte, komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen aan verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Bij de vaststelling van de mate waarin een verdachte schuld heeft aan een ongeval, wordt onderscheid gemaakt tussen i) roekeloos, ii) zeer onvoorzichtig en onoplettend en iii) aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Roekeloosheid is de zwaarste vorm van schuld.
Onder roekeloosheid moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging of gedragingen van een verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl deze verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in samenhang met artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW kan worden aangemerkt (zie HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405). Artikel 5a, eerste lid, WVW beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen die kunnen worden beschouwd als ernstig gevaarzettend. Als de verdachte, door één of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Het hof stelt vast dat verdachte, als beginnend bestuurder, met een hogere snelheid dan de toegestane 30 km/u heeft gereden en zijn mobiele telefoon in zijn hand had waarmee hij handelingen verrichtte. Deze beide overtredingen staan genoemd bij de reeks gedragingen in artikel 5a, eerste lid WVW, en kunnen worden beschouwd als gevaarverhogende verkeersovertredingen. Het hof is echter van oordeel dat deze gedragingen – die zonder meer wijzen op een grote mate van onvoorzichtigheid bij verdachte – onvoldoende zijn om vast te stellen dat sprake was van opzettelijke en in ernstige mate bewuste overtreding van de verkeersregels. Het is het hof ook onvoldoende gebleken dat verdachte heeft gereden met een algehele instelling die erop wijst dat hij de verkeersregels aan zijn laars lapte of dat hij het door hem veroorzaakte gevaar bewust heeft aanvaard. Het hof concludeert daarom dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte roekeloos heeft gereden.
Verdachte is naar het oordeel van het hof door zijn gedragingen (te hard rijden en met zijn telefoon bezig zijn) onvoldoende blijven letten op de weg en de overige weggebruikers. Hij was daardoor niet in staat om zijn snelheid zodanig te regelen dat hij nog in staat was om zijn auto tijdig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij de weg kon overzien of waarover deze weg vrij was. Hij heeft aangever op zijn fiets niet gezien en niet voorkomen dat een aanrijding plaatsvond. Verdachte reed immers tegen aangever aan. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte door deze feitelijke gedragingen zeer onvoorzichtig en onoplettend gereden. Er is dan ook sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Lichamelijk letsel
In de tenlastelegging is opgenomen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel of letsel waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. De drempel om in juridische zin te kunnen spreken van zwaar lichamelijk letsel is vrij hoog. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel in elk geval kunnen worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Psychische gevolgen die niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens zoals bedoeld in artikel 82, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kunnen niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Het dossier bevat onvoldoende informatie over de aard van de verwondingen, het al dan niet noodzakelijk medisch ingrijpen en het verwachte herstel van aangever. Het hof kan daarom niet vaststellen of sprake is van zwaar lichamelijk letsel en spreekt verdachte van dit onderdeel vrij. Wel vindt het hof uit het dossier voldoende blijken dat in ieder geval sprake is geweest van een tijdelijke ziekte of verhindering van het uitoefenen van de dagelijkse bezigheden. Zo blijkt uit het verhoor van aangever op 6 april 2023, ongeveer zeven weken na de aanrijding, dat aangever nog psychische en lichamelijke klachten heeft, de huisarts verwacht dat het nog twee tot drie maanden gaat duren voordat aangever lichamelijk is hersteld en dat hij nog niet is gaan werken. [7] Uit een brief van GGD Gelderland-Zuid blijkt dat aangever op 21 april 2023 nog een afspraak had staan bij een neuroloog vanwege problemen met zijn zicht. [8]
Gelet op het bovenstaande vindt het hof het primair tenlastegelegde onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen (waarbij als gradatie van schuld zeer onvoorzichtig en onoplettend wordt aangenomen).

Feit 2

Niet ter discussie staat dat verdachte de plaats van de aanrijding heeft verlaten. De vraag die het hof moet beantwoorden is of verdachte wist of had moeten vermoeden dat een persoon letsel of schade had opgelopen door de aanrijding. Deze vraag beantwoordt het hof bevestigend.
Verdachte heeft verklaard een harde klap te hebben gevoeld/gehoord. [9] Verdachte dacht naar eigen zeggen echter dat hij een lantaarnpaal of stoeprand had geraakt en heeft, nadat hij de plaats van de aanrijding had verlaten, op de plek van bestemming alleen naar zijn afgebroken spiegel gekeken. Meer schade is verdachte toen niet opgevallen, zo heeft hij verklaard. Uit het onderzoek van de Forensische Opsporing Verkeer is gebleken dat de rechterzijde van de voorbumper van de auto beschadigd was en een deel daarvan miste. Ook zaten er blauwe veegsporen op het rechter voorscherm, was er schade aan de rechterzijde van de motorkap, bevonden zich op de motorkap veegsporen en zaten er barsten in de rechterzijde van de voorruit. De buitenspiegel van de auto was afgebroken. [10] Het hof vindt dat verdachte gelet op de impact van de klap en de ontstane schade in ieder geval redelijkerwijs had moeten vermoeden dat iemand gewond was geraakt, ook al zegt verdachte alleen een kapotte spiegel te hebben gezien. Alleen al de klap in combinatie met de afgebroken spiegel had voor verdachte voldoende reden moeten zijn om te controleren waarmee hij in aanrijding is gekomen. Daarbij komt nog dat verdachte naar eigen zeggen de volgende dag wel constateerde dat er barsten in zijn voorruit zaten en dat de bumper beschadigd was. Ook toen heeft verdachte geen actie ondernomen. Het hof vindt gelet op dit alles feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
1. primair
hij op
of omstreeks17 februari 2023 te [plaats]
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede
rijdende over de weg, [straatnaam] ,
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
roekeloos, in elk gevalzeer
, althans aanmerkelijk,
onvoorzichtig en
/ofonoplettend,
terwijl hij, verdachte, een beginnend bestuurder was,
- over de [straatnaam] te rijden met een (indicatieve) snelheid
gelegen tussen de 52km p/u en/of 67km p/u, althans met een snelheidveel hoger dan de toegestane maximum snelheid van 30km p/u en
/of(daarbij)
- zijn mobiele telefoon ter hand te nemen en
/of(daarbij) op voornoemde mobiele telefoon (een) handeling(en) te verrichten en
/of(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen deel van de weg en
/ofop overige medeweggebruikers te letten en
/ofis blijven letten en
/of(vervolgens)
- zijn motorrijtuig
niet, althansniet tijdig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en
/ofwaarover deze weg vrij was en
/of(vervolgens)
-met
onverminderde snelheid, althans meteen snelheid veel hoger dan de toegestane maximum snelheid van 30km p/u achter op
/tegeneen medeweggebruiker (fietser) te botsen
en/of te rijden
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] )
zwaar lichamelijk letsel ofzodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
2.
hij, als degene die
al dan nietals bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval
dat had plaatsgevonden in [plaats] op
/aande [straatnaam] ,
op
of omstreeks17 februari 2023
de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,
terwijl bij dat ongeval, naar hij
wist ofredelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toegebracht.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsvrouw heeft een taakstraf bepleit. Zij heeft verzocht de duur van de ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen te matigen en deze geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen, zodat verdachte zo min mogelijk wordt belemmerd in onder meer zijn werk.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee serieuze verkeersovertredingen. Verdachte reed op 17 februari 2023 in [plaats] met een hogere snelheid dan was toegestaan. Tijdens het rijden had verdachte zijn mobiele telefoon in zijn hand en verrichtte hij daarop handelingen. Hij heeft hierdoor een fietser over het hoofd gezien en deze fietser van achteren aangereden waarbij de fietser letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit prijs te geven en zonder zich te vergewissen van de toestand van de fietser. Hij liet daarmee de fietser gewond op straat achter, terwijl omstanders de hulpdiensten hebben gebeld. Uit de verklaringen van de fietser is gebleken dat de aanrijding een grote impact op zijn leven heeft gehad. Hoewel verdachte het ongeluk niet zal hebben gewild, heeft hij wel zodanig onvoorzichtig gereden dat de aanrijding plaats kon vinden. Uit het gedrag van verdachte blijkt dat hij geen respect had voor de geldende verkeersregels en zich evenmin heeft bekommerd om de gevolgen voor andere weggebruikers. Het hof rekent het verdachte aan dat hij na de klap niet de moeite heeft genomen zijn auto stil te zetten en te kijken waartegen hij is aangereden. Ook toen verdachte de plaats van bestemming bereikte, heeft hij niet adequaat gereageerd, maar naar eigen zeggen zeer summier de schade bekeken en geen verdere actie ondernomen.
In het voordeel van verdachte weegt het hof mee dat hij later bij de politie en ter zitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag en de gevolgen daarvan en eerlijk heeft verklaard over zijn fouten.
Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte volgens het uittreksel justitiële documentatie van 30 oktober 2025 niet eerder is veroordeeld. Bij de straftoemeting betrekt het hof tevens dat verdachte heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het ongeval alcohol had gedronken en verdachte niet is onderworpen aan een ademonderzoek. Het hof houdt rekening met de straffen die – zo blijkt uit de oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (het LOVS) – in min of meer soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Kijkend naar de feiten waarbij sprake is van ernstige schuld, waarbij bij het slachtoffer sprake is van tijdelijke ziekte en sprake is van alcoholgebruik, geldt als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden. Voor het verlaten van de plaats van het ongeval wordt een taakstraf vanaf 25 uren als uitgangspunt genoemd.
Ter bescherming van de verkeersveiligheid, en om de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking te brengen, zal het hof een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, opleggen. Het hof ziet aanleiding om het overgrote deel van die rijontzegging in voorwaardelijke zin op te leggen vanwege het tijdsverloop, de proceshouding van verdachte en het feit dat verdachte in de tussentijd positief aan zichzelf heeft gewerkt.
Alles afwegende acht het hof (evenals de rechtbank) de oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. D.J. Stahlie, mr. Th.C.M. Willemse en mr. K. Gilhuis, in aanwezigheid van de griffier mr. S. Berendsen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 december 2025.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant S. Rijkes van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023077822, gesloten op 11 april 2023 en in de bijbehorende in wettelijk vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 juli 2024; proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 80-83.
3.Uittreksel politiesysteem rijbewijs, p. 74-75.
4.Proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer PD-Onderzoek, p. 42-43.
5.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 81.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 81.
7.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer, p. 51.
8.Medische informatie in het kader van letsel GGD Gelderland-Zuid, p. 3 (aanvullend proces-verbaal).
9.Verklaring verdachte ter terechtzitting van 30 juli 2023.
10.Proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer PD-Onderzoek, p. 31-35.