ECLI:NL:GHARL:2025:8430

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
23/1160
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en waardevermindering door gebruiksschade

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland. De zaak betreft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) die door de Inspecteur is opgelegd aan belanghebbende. De Inspecteur had de naheffingsaanslag vastgesteld op basis van de handelsinkoopwaarde van de auto, zonder rekening te houden met schade. Belanghebbende betwistte de hoogte van de naheffingsaanslag en stelde dat de handelsinkoopwaarde moest worden verminderd vanwege meer dan normale gebruiksschade en het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand door de RDW. Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet voldoende bewijs had geleverd voor de gestelde waardevermindering door gebruiksschade. Ook het argument over de kilometerstand werd verworpen, omdat belanghebbende geen onregelmatigheden had aangetoond. Het Hof concludeerde dat de naheffingsaanslag niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1160
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 22 maart 2023, nummer AWB 21/5337, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2025. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. P.A.J.M. Lodestijn , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door [naam1] , bijgestaan door [naam2] . Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft volgens de inkoopfactuur op 22 april 2020 in België voor een bedrag van € 29.950 (€ 29.600 + € 350 handling fee) een Jaguar F-pace 2.0d Prestige met datum eerste toelating 6 juni 2019 (hierna: de auto) gekocht.
2.2.
Op 20 mei 2020 heeft belanghebbende aangifte Bpm gedaan voor de auto naar een bedrag van € 6.389. In het aangifteformulier heeft belanghebbende bij de keuze voor de verminderingsmethode "taxatierapport" aangekruist. Het aangifteformulier bevat als bijlage een taxatierapport van 20 mei 2020 van [naam5] van [bedrijf1] B.V. (hierna: het taxatierapport). Het taxatierapport vermeldt onder meer:
  • een kilometerstand van 24.055;
  • een historische nieuwprijs van € 84.846;
  • een bruto bpm van € 18.548.
De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto als volgt berekend:
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
€ 37.818
Af: reparatiekosten
€ 5.788
Bij: correctie reparatiekosten i.v.m. gebruikssporen cf. Autotelex
-/- € 200
Af: ‘geen oordeel kilometerstand’
€ 3.000
Totaal correcties:
-/- € 8.588
Handelsinkoopwaarde na correcties
€ 29.230
2.3.
De auto is op 20 mei 2020 door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) gekeurd.
2.4.
Belanghebbende heeft de auto op 29 mei 2020 getoond bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). DRZ heeft op 2 juni 2020 op basis van haar bevindingen een rapport opgemaakt. Volgens DRZ is geen sprake van meer dan normale gebruiksschade. In het rapport is daarover opgemerkt:
“Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade* worden aangemerkt. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.
*(Bij gebruikersschade is er rekening gehouden met de leeftijd en kilometerstand van het voertuig).”
DRZ gaat in het rapport uit van een historische nieuwprijs van de auto van € 83.025, een bruto bpm van € 18.548 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van de koerslijst XRay (Marge) van € 37.805.
2.5.
Na de tenaamstelling van de auto op 7 december 2020 heeft belanghebbende bij de maandaangifte van december 2020 uiteindelijk voor de auto een bedrag van € 5.570 aan Bpm aangegeven en betaald.
2.6.
Met dagtekening 2 april 2021 heeft de Inspecteur op grond van de bevindingen van DRZ aan belanghebbende een naheffingsaanslag Bpm opgelegd van € 1.678. Daarbij heeft de Inspecteur de afschrijving en daarmee de handelsinkoopwaarde van de auto bepaald aan de hand van de koerslijst zonder daarop een correctie wegens schade toe te passen. Hij heeft gelet op de tenaamstelling van het kenteken op 7 december 2020 wel rekening gehouden met een extra leeftijdskorting.
2.7.
De Inspecteur heeft het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
2.8.
De Rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is vastgesteld.
3.2.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat voor het berekenen van de afschrijving ingevolge artikel 10, tweede lid, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet Bpm) de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden verminderd volgens de in het taxatierapport opgenomen correcties ‘conform bijlage schadecalculatie’ en vanwege de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand.
3.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag niet te hoog is. Het taxatierapport kan volgens de Inspecteur niet dienen ter onderbouwing van de waardevermindering. Volgens hem heeft belanghebbende geen meer dan normale gebruiksschade aannemelijk gemaakt en ook niet dat bij eventuele meer dan normale gebruiksschade meer dan 72% van de herstelkosten in mindering komt op de handelsinkoopwaarde. Van de omstandigheden dat de auto op winterbanden staat, dat een Nederlands boekenpakket ontbreekt en dat de RDW ‘geen oordeel kilometerstand’ heeft gegeven gaat volgens de Inspecteur geen waardevermindering uit.
3.4.
Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de historische nieuwprijs van de auto € 83.025 is, dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 37.805 bedraagt en de bruto Bpm € 18.548.

4.Beoordeling van het geschil

Kan het taxatierapport als bewijs dienen?
4.1.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de taxateur de waarde niet naar waarheid heeft vastgesteld en dat geen sprake is geweest van een gedegen fysieke opname. De Inspecteur heeft ter onderbouwing aangevoerd dat het erop lijkt dat de auto op een veel eerder tijdstip is opgenomen dan in het taxatierapport is vermeld en dat de werkzaamheden niet in een half uur kunnen zijn verricht. Volgens de Inspecteur hebben deze gebreken tot gevolg dat het taxatierapport niet kan dienen als bewijs voor enige waardevermindering.
4.2.
In het taxatierapport is als inspectiedatum 20 mei 2020 en als inspectiemoment 13:56 tot 14:26 uur opgenomen. In de fotorapportage is een foto opgenomen met het tijdstip 13:36 uur. Het Hof heeft gelet op het tijdsverloop en de verklaring van de taxateur ter zitting geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het maken van de foto’s en het opnemen van de auto op een veel eerder moment hebben plaatsgevonden en dat het opmaken van het taxatierapport niet op dezelfde dag heeft plaatsgevonden. Er bestaat daarom geen aanleiding een zo ver strekkende consequentie te verbinden aan het niet op de bedoelde wijze vermelden van tijdstippen als de Inspecteur voorstaat. Ook de hoeveelheid werkzaamheden die de taxateur in een half uur heeft verricht, is voor het Hof geen reden het taxatierapport in zijn geheel ter zijde te schuiven.
4.3.
Voor zover in het taxatierapport gebreken zitten, kunnen die gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt. Het Hof onderwerpt hierna de inhoud van het taxatierapport van belanghebbende wat betreft de gestelde schade en waardedruk aan een beoordeling. [1]
Waardevermindering wegens meer dan normale gebruiksschade?
4.4.
Belanghebbende stelt dat op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat een bedrag in mindering mag worden gebracht wegens meer dan normale gebruiksschade. In casu is volgens belanghebbende sprake van een exclusieve auto van nog geen jaar oud, zodat elke schade is aan te merken als meer dan normale gebruiksschade. Volgens het taxatierapport bestaat deze schade uit overmatige steenslag op de motorkap, de voorbumper, het voorscherm links en de buitenspiegel links, slecht spuitwerk op het scherm links, het portier links achter en het rechter achterscherm, lakschade op de portieren linksvoor, linksachter, rechtsvoor en rechtsachter, lakschade op het linker en rechter achterscherm, de achterbumper, de achterklep en het scherm rechtsvoor. De Inspecteur heeft dit, onder meer onder verwijzing naar de bevindingen van DRZ, gemotiveerd betwist.
4.5.
Belanghebbende op wie – tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur – de bewijslast rust, heeft naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat moet worden uitgegaan van een waardevermindering als gevolg van meer dan normale gebruiksschade. De stelling dat bij een exclusieve, relatief jonge auto iedere schade als méér dan normale gebruiksschade moet worden beschouwd omdat kopers een complete nieuwstaat verwachten, heeft belanghebbende niet onderbouwd, zodat het Hof daaraan reeds daarom voorbij gaat. Het Hof acht ook niet aannemelijk dat een Jaguar F-Pace van bijna een jaar oud, met een historische nieuwprijs van € 83.025 en een kilometerstand van 24.055 in het geheel geen normale gebruiksschade heeft. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aan de hand van het taxatierapport, de (sterk) ingezoomde foto’s en de toelichting ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de auto meer dan normale gebruiksschade heeft. Op een deel van de door belanghebbende in het taxatierapport ingebrachte (zeer) sterk ingezoomde foto’s, die bovendien spiegelen, is weliswaar enige schade zichtbaar, maar daaruit blijkt onvoldoende dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Het Hof heeft daarbij het volgende meegewogen. Het Hof heeft in het DRZ-rapport en het daarin opgenomen fotomateriaal niet de door belanghebbende gestelde – meer dan normale – lakschade, overmatige steenslag, slecht spuitwerk of andere bovenmatige schade kunnen constateren. Meer dan bij de leeftijd en kilometerstand van de auto passende normale gebruiksschade heeft belanghebbende ook anderszins niet aannemelijk gemaakt.
Waardevermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand’?
4.6.
Belanghebbende heeft, onder verwijzing naar het taxatierapport, gesteld dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand reden is om de waarde van de auto te verminderen met € 3.000. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist.
4.7.
Naar het oordeel van het Hof kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand in beginsel een waardedrukkende factor zijn, te meer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De bewijslast dat in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust - gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur - op belanghebbende. [2]
4.8.
Belanghebbende heeft niet gesteld dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand die niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. Belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat er geen aanwijzingen zijn voor een onjuiste of onbetrouwbare kilometerstand van de auto. Gelet daarop is belanghebbende er niet in geslaagd een waardevermindering in verband met ‘geen oordeel kilometerstand’ aannemelijk te maken.
Waardevermindering door ontbreken Nederlandstalig boekenpakket?
4.9.
Belanghebbende stelt dat op de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat een bedrag in mindering mag worden gebracht in verband met het ontbreken van een Nederlandstalig boekenpakket (een zogenaamd afwijkend kenmerk). De Inspecteur heeft dit betwist en gewezen op de aanwezigheid van het Franstalige boekenpakket.
4.10.
Het Hof acht aannemelijk dat het ontbreken van Nederlandstalige handleidingen en een Nederlandstalig onderhoudsboekje enig waardeverminderend effect heeft op de handelswaarde van de auto ten opzichte van een referentieauto, die wel over een dergelijk Nederlandstalig boekenpakket beschikt. Het Hof acht het door belanghebbende daarvoor in aanmerking genomen bedrag (€ 85) niet bovenmatig.
Waardevermindering door winterbanden?
4.11.
Belanghebbende stelt dat op de handelsinkoopwaarden van de auto in onbeschadigde staat een bedrag in mindering mag worden gebracht, omdat de auto op winterbanden staat en dat een afwijkend kenmerk is ten opzichte van auto’s in de koerslijst. Doordat de auto winterbanden heeft, moet er volgens belanghebbende voor de auto versneld een set andere banden worden aangeschaft. De Inspecteur heeft dit gemotiveerd betwist. Hij stelt dat belanghebbende haar stelling niet van een deugdelijke onderbouwing heeft voorzien, dat winterbanden juist een meerwaarde kunnen vertegenwoordigen en dat de winterbanden in goede conditie verkeren. Daarnaast stelt de Inspecteur dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto niet tevens over zomerbanden beschikt.
4.12.
Het Hof oordeelt dat belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto niet ook over zomerbanden beschikte. Uit het taxatierapport en de het rapport van DRZ volgt weliswaar dat de auto op het moment van opname op winterbanden stond en er bij de opname niet ook andere banden aanwezig waren, maar het is goed mogelijk dat die banden wel bij belanghebbende stonden. Het had, gelet op de betwisting door de Inspecteur, op de weg van belanghebbende gelegen om hierover meer aan te dragen dan de enkele stelling dat er geen andere banden zijn meegeleverd. Van een waardevermindering door winterbanden is daarom geen sprake.
Conclusie en gevolgen
4.13.
Het Hof stelt vast dat de waardevermindering als gevolg van de afwezigheid van een Nederlandstalig boekenpakket leidt tot een handelsinkoopwaarde van € 37.720 (= € 37.805 -/- € 85). Uitgaande van de niet in geschil zijnde historische nieuwprijs van € 83.025, een handelsinkoopwaarde van € 37.335,22 en de niet ter discussie staande bruto Bpm van € 18.548 en de extra leeftijdskorting van € 1.132 bedraagt de voor de auto verschuldigde Bpm € 7.294 (= € 8.426,75 -/- € 1.131,95).
4.14.
Aangezien belanghebbende op aangifte reeds € 5.570 aan Bpm heeft voldaan, is belanghebbende per saldo nog een bedrag van € 1.724 aan Bpm verschuldigd. Dat betekent dat de naheffingsaanslag met € 1.678 niet te hoog bedrag is vastgesteld.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3910.
2.Vgl. bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2453, r.o. 4.22.