ECLI:NL:GHARL:2025:8434

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
21-004898-21
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen afpersing tijdens gewapende overval op telecomwinkel

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte is veroordeeld voor medeplegen van afpersing tijdens een gewapende overval op een telecomwinkel. De overval vond plaats op klaarlichte dag, waarbij de verdachte samen met medeverdachten een dreigende situatie creëerde door gebruik te maken van wapens. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, maar het hof heeft de straf herzien. Het hof oordeelt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten en dat het door de verdachte aangedragen alternatieve scenario niet geloofwaardig is. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf van 240 uren. Het hof heeft ook de verbeurdverklaring van de in beslag genomen scooter uitgesproken en de teruggave van de in beslag genomen telefoon aan de verdachte gelast. De uitspraak is gedaan in aanwezigheid van de griffier en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004898-21
Uitspraakdatum: 18 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2021 met parketnummer 16-316288-20 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [locatie] ,
wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 5 december 2025 en op de zitting bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • bewezenverklaring van het primair aan verdachte ten laste gelegde (kort gezegd: het in samenwerking met anderen gewapend overvallen van een belwinkel, ten laste gelegd als afpersing in vereniging gepleegd);
  • veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;
  • verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen scooter en teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen telefoon;
  • toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 1] tot een bedrag van
  • toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 2] tot een bedrag van
  • toewijzing van de vordering van [benadeelde partij 3] tot een bedrag van
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, ter zitting hebben aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 26 oktober 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de volgende bijzondere voorwaarden verbonden:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • deelname aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheidstraining (CoVa);
  • meewerken aan een ambulante behandeling (indien nodig);
  • een contactverbod ten aanzien van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
De rechtbank heeft de inbeslaggenomen motorscooter verbeurd verklaard en de teruggave aan verdachte gelast van het inbeslaggenomen telefoontoestel.
De rechtbank heeft verder de vorderingen van de benadeelde partijen:
  • [benadeelde partij 1] : toegewezen tot een bedrag van € 767,09, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afgewezen voor het meer gevorderde;
  • [benadeelde partij 2] : toegewezen tot een bedrag van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afgewezen voor het meer gevorderde;
  • [benadeelde partij 3] : toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en afgewezen voor het meer gevorderde.
Ten slotte heeft de rechtbank het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank het primair ten laste gelegde terecht en op goede gronden bewezen heeft verklaard. De verweren die in hoger beroep zijn gevoerd en die strekken tot vrijspraak zijn in de kern, op één verweer na dat ziet op verdachte’s aangetroffen DNA, gelijk aan de vrijspraakverweren die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. De rechtbank heeft deze verweren op juiste gronden verworpen. In zoverre bevestigt het hof het vonnis. Het hof vult de bewijsconstructie verder aan. Een bevestiging volgt ook voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen. Wat de strafoplegging betreft, komt het hof tot een ander oordeel. In zoverre vernietigt het hof het vonnis.

Aanvulling bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat de bewijsmiddelen die door de rechtbank zijn gebezigd moeten worden aangevuld, met dien verstande dat daarbij ook worden opgenomen:
1. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 28 november 2020, opgenomen op pagina 339 e.v. van het einddossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL099-2020387878 d.d. 5 maart 2021, inhoudende:
Volgnummer 1:
Goednummer: PL0900-2020387878-2741371
Categorie omschrijving: Colli/fust
Object: Vuilniszak
Aantal/eenheid: 1 stuks
Spoor identificatienr: AAN09863NL
Bijzonderheden: Zat om kentekenplaat van scooter heen gewikkeld
2. Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapport “Onderzoek naar biologische sporen en DNA onderzoek naar aanleiding van een diefstal gepleegd in Almere op 28 november 2020” van 25 maart 2025, opgesteld door [deskundige] , NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen of op het onderzoeksmateriaal DNA aanwezig is en, zo ja, van wie dat DNA afkomstig kan zijn.
Bij het onderzoek betrokken personen:
Naam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum]

Resultaten, interpretatie en conclusie

Tape en de vuilniszak AANO9863NL
DNA kan afkomstig zijn van:
Bewijskracht:
AAN09863NL#01
Rugzijde vermoedelijk originele uiteinde plakband
minimaal één persoon:
- [verdachte]
meer dan 1 miljard
AAN09863NL#02
Rugzijde overige stukken plakband
minimaal één persoon:
- [verdachte]
meer dan 1 miljard
AAN09863NL#03
Buitenzijde vuilniszak
minimaal drie personen
- [verdachte]
- minimaal twee onbekende personen, waarvan minimaal één man
- meer dan 1 miljard
- niet van toepassing

Aanvullende bewijsoverweging

Alternatief scenario
Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde zowel bij de politie als op de zitting bij de rechtbank en het hof ontkend. Ook in hoger beroep heeft verdachte een alternatief scenario naar voren gebracht. [medeverdachte 3] zou verdachte hebben gevraagd of hij zijn scooter mocht lenen. Verdachte zou hiermee hebben ingestemd, omdat hij zijn scooter al regelmatig uitleende aan vrienden. Een andere vriend van [medeverdachte 3] zou de scooter vervolgens bij verdachte hebben opgehaald. De later na de overval op het kenteken van de scooter aangetroffen vuilniszak en tape, zouden bij het uitlenen van de scooter al in de scooter (het hof begrijpt de buddyseat) hebben gezeten. Verdachte had deze namelijk altijd bij zich zodat hij, indien nodig, zijn scooter ter plekke kon repareren.
De rechtbank heeft, ondanks de ontkenning van verdachte en het in verband daarmee naar voren gebrachte alternatieve scenario, verdachte veroordeeld voor betrokkenheid bij de overval en daarbij waarde gehecht aan het signalement dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaven van de persoon die de scooter leverde, de telefoongegevens van verdachte die hem rondom het tijdstip van het ten laste gelegde plaatsten in de omgeving van de plaats delict en de op de telefoon van verdachte aangetroffen foto van het bij de winkeloverval gebruikte voorwerp gelijkend op een vuurwapen. Tegen deze achtergrond, en zonder nadere onderbouwing, heeft de rechtbank het alternatieve scenario waarin verdachte de scooter enkel zou hebben uitgeleend, terzijde geschoven.
Het hof kan zich hierin vinden. Extra steun hiervoor vindt het hof in het in hoger beroep aan het dossier toegevoegde NFI-rapport van 25 maart 2025. In dit rapport is onderzoek gedaan naar het DNA dat is aangetroffen op de vuilniszak en de tape die zijn gebruikt voor het afplakken van het kenteken van de scooter die is ingezet bij de overval. De rapporteur concludeert dat het aangetroffen DNA-profiel meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is als dit afkomstig is van verdachte, dan wanneer het afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
Verdachte heeft naar het oordeel van het hof dan ook willens en wetens zijn scooter aan de medeverdachten ter beschikking gesteld, de kentekenplaat met een vuilniszak bedekt en afgesproken dat hij na de overval en vlucht daarop door de medeverdachten, de scooter weer van hen zou overnemen en de vuilniszak zou verwijderen zodat hij – zonder op te vallen – weer met zijn scooter kon wegrijden.
Bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien
Voor zover de raadsman in hoger beroep de uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen voortvloeiende redengevende omstandigheden, steeds op zichzelf heeft besproken, daar vraagtekens bij heeft gezet en vervolgens onderaan de streep een vrijspraak heeft bepleit, geldt dat hij daarmee voorbij gaat aan de omstandigheid dat die redengevende omstandigheden op zichzelf weliswaar onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen, maar dat die in de bewijsconstructie van de rechtbank in onderlinge samenhang worden bezien.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich op klaarlichte dag samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een afpersing met wapens in een T-Mobile winkel. Hij heeft samen met zijn medeverdachten in de winkel een dusdanig dreigende situatie gecreëerd dat het slachtoffer zich gedwongen voelde om meerdere telefoons af te staan. De medeverdachten hebben in de winkel een gaspistool en machete op de aanwezigen gericht. Op het moment van de afpersing was er winkelend publiek aanwezig en liepen buiten de winkel anderen die getuige zijn geweest van het incident. Nadat de overvallers de winkel rennend hadden verlaten, is het gaspistool nog op toevallige voorbijgangers gericht. Verdachte heeft met zijn medeverdachten niet alleen bij het personeel van de winkel, maar ook bij klanten en omstanders angst aangejaagd.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 30 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte – hoewel relatief lang geleden – eerder onherroepelijk door de kinderrechter is veroordeeld vanwege een mishandeling. Verdachte’s strafblad weegt zo bezien in strafverzwarende zin mee bij de strafoplegging.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat het goed met hem gaat. Verdachte heeft een eigen woning en al een aantal jaren een vaste baan. Hij is inmiddels getrouwd en verwacht samen met zijn vrouw hun eerste kind. Steun hiervoor vindt het hof in het nieuwste reclasseringsrapport, van 27 november 2025. Daarin beschrijft de reclassering dat bij verdachte sprake is van stabiliteit op alle leefgebieden. Er zijn geen aanwijsbare problemen op het gebied van zijn relatie en familie of middelengebruik. Hoewel ten tijde van de verdenking zorgen bestonden over het psychosociaal functioneren, het sociaal netwerk en/of de houding van verdachte, is daar volgens de reclassering op dit moment geen sprake meer van. De voorlopige hechtenis van verdachte is in deze zaak sinds 3 januari 2022 geschorst. Over dat lopende toezicht heeft de reclassering laten weten dat verdachte zich aan alle voorwaarden houdt en zich meewerkend opstelt. De reclassering schat het recidiverisico nu in als laag en ziet onder deze genoemde omstandigheden geen aanknopingspunten meer voor toezicht of bijzondere voorwaarden.
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, mede gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting, zowel vanuit een oogpunt van vergelding en normhandhaving in beginsel vragen om de oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Een beginsel dat echter ook voortvloeit uit het strafdoel vergelding, is het proportionaliteitsbeginsel. Dat brengt met zich dat sprake moet zijn van een redelijke verhouding tussen de straf enerzijds en de concrete omstandigheden van het geval anderzijds.
Het hof heeft in dat kader oog voor de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte. Verdachte heeft de laatste jaren hard gewerkt op zijn leven op orde te krijgen, is daarin geslaagd en het hof wil voorkomen dat deze positieve weg wordt doorkruist wanneer verdachte weer gedetineerd raakt.
Het hof stelt daarnaast vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in hoger beroep is overschreden. Verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 9 november 2021 en het hof doet einduitspraak op 18 december 2025. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaren tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak van het hof met iets meer dan twee jaren overschreden. Het hof is van oordeel dat deze overschrijding dient te leiden tot strafvermindering.
Al met al ziet het hof in de voornoemde specifieke omstandigheden van het geval, aanleiding voor het opleggen van een forse grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf moet verdachte ervan weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Met het oog op de voornoemde strafdoelen van vergelding en generale preventie, kan echter niet worden volstaan met oplegging van een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf. Om die reden wordt daarnaast aan verdachte opgelegd een maximale taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Aangever [benadeelde partij 3] heeft het hof verzocht om aan verdachte een contactverbod met hem op te leggen. Het hof stelt vast dat in de periode sinds het bewezenverklaarde geen sprake is geweest van een contactverbod en dat er geen aanwijzingen zijn om aan te nemen dat er in die periode contact is geweest is tussen verdachte en aangever. Het hof ziet daarom geen aanleiding om nu alsnog, vijf jaar na dato, een contactverbod op te leggen.

Beslag

Verbeurdverklaring
Het bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van de in beslag genomen motorscooter. Dit voorwerp behoort verdachte toe. Dit wordt daarom verbeurdverklaard. Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.
Teruggave aan rechthebbende
Het in beslag genomen telefoontoestel zal aan verdachte worden teruggegeven, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
motorscooter (goednummer: PLO900-2020387878-2464768).
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
telefoontoestel (goednummer: PLO900-2020387878-2749668).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Beveelt de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
Dit arrest is gewezen door
mr. A.F. van Kooij, voorzitter,
mr. R. Godthelp en mr. E. Pennink, raadsheren,
in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist
en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 18 december 2025.