ECLI:NL:GHARL:2025:8441

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/1163 en 24/1165
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en bezwaarkostenvergoeding

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de Inspecteur van de Belastingdienst tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, waarin de rechtbank de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017, 2018 en 2019 heeft vernietigd. De belanghebbende, een stewardess, had bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen die waren opgelegd door de Inspecteur, omdat zij van mening was dat zij niet verzekeringsplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen gedurende de periodes dat zij voor buitenlandse werkgevers werkte. De rechtbank heeft de bezwaren van de belanghebbende gegrond verklaard en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten. De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld, waarbij de vraag centraal staat of de rechtbank terecht de kostenvergoeding heeft toegewezen aan de belanghebbende. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door de navorderingsaanslagen vast te stellen zonder een beschikking van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) over de verzekeringsplicht van de belanghebbende. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1163 t/m 24/1165
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 april 2024, nummers ARN 23/2569, ARN 23/2570 en ARN 23/2571, ECLI:NL:RBGEL:2024:8002 in het geding tussen de Inspecteur en
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn over de jaren 2017, 2018 en 2019 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de bezwaren van belanghebbende afgewezen.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur en de navorderingsaanslagen vernietigd. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende voor zowel de bezwaar als de beroepsfase.
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [naam1] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam2] . De griffier heeft op 1 september 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting. Op 1 september 2025 om 14:53 uur is volgens de – bij deze uitspraak gevoegde – loggegevens een kennisgeving van de plaatsing van dat bericht verzonden aan het door belanghebbende voor dat doel opgegeven emailadres. Op grond hiervan neemt het Hof aan dat belanghebbende dit bericht gelet op artikel 8:36c, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 1 september 2025 heeft ontvangen. Het Hof heeft aldus belanghebbende op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende was gedurende de jaren 2017, 2018 en 2019 woonachtig in Nederland. Gedurende deze jaren heeft belanghebbende een aantal perioden als stewardess aan boord van verschillende buiten de Europese Unie geregistreerde schepen gewerkt. Deze werkzaamheden verrichte zij in loondienst voor buiten de Europese Unie gevestigde werkgevers.
2.2.
Belanghebbende heeft aangiften IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 gedaan. In deze aangiften heeft belanghebbende enkel Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking aangegeven.
2.3.
De Inspecteur heeft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 overeenkomstig de ingediende aangiften vastgesteld.
2.4.
Nadat de aanslagen voor de jaren 2017, 2018 en 2019 waren vastgesteld, heeft belanghebbende herziene aangiften voor deze jaren ingediend. Naast de al in haar eerdere aangiften opgegeven Nederlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking, heeft belanghebbende in deze aangiften tevens buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking opgegeven. Deze buitenlandse inkomsten hebben betrekking op de bij 2.1. genoemde werkzaamheden. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven niet verzekeringsplichtig te zijn geweest voor de Nederlandse volksverzekeringen gedurende de periodes dat zij de buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten. Voor deze periodes verzoekt belanghebbende in de aangiften om premievrijstelling.
2.5.
Bij email van 5 april 2022 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende verzocht om nadere informatie en stukken te verstrekken naar aanleiding van de herziene aangiften. De Inspecteur heeft in deze email – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

Graag ontvang ik de volgende stukken en toelichting met betrekking tot de inkomsten bij buitenlandse werkgevers, zodat ik de herziene aangiften kan beoordelen.
- Kopieën van de jaaropgaven 2017, 2018 en 2019 van de betreffende buitenlandse werkgevers.
- Voor zover de periode van werken voor de betreffende buitenlandse werkgevers niet uit de jaaropgaven blijkt, ontvang ik graag andere bewijsstukken waarmee de periode van werken voor buitenlandse werkgevers, per jaar, aannemelijk wordt gemaakt.
- Wat voor werkzaamheden verrichtte je client voor de buitenlandse werkgevers?
- Een toelichting, indien mogelijk voorzien van bewijsstukken, waaruit de gedeeltelijke vrijstelling voor de premie volksverzekeringen, voor elk jaar, volgt.
2.6.
Bij emails van eveneens 5 april 2022 heeft de gemachtigde van belanghebbende voor ieder jaar kopieën van de loonstroken van de buitenlandse werkgevers en het monsterboekje van belanghebbende aan de Inspecteur gestuurd. Daarbij heeft de gemachtigde vermeld dat belanghebbende haar werkzaamheden heeft verricht als stewardess aan boord van schepen die voeren onder de vlag van respectievelijk de Kaaiman Eilanden en het eiland Man. Tevens heeft de gemachtigde geschreven dat belanghebbende recht heeft op premievrijstelling op grond van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB 1999).
2.7.
Bij brieven van 6 mei 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens is om navorderingsaanslagen op te leggen over de jaren 2017, 2018 en 2019.
2.8.
Op 21 mei 2022 heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen over de jaren 2017, 2018 en 2019 opgelegd. Bij het opleggen van de navorderingsaanslagen heeft de Inspecteur rekening gehouden met buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking. De Inspecteur heeft daarbij de gevraagde premievrijstelling niet verleend.
2.9.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en daarbij opnieuw het standpunt ingenomen dat op grond van artikel 12 van het BUB 1999 belanghebbende niet verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekering gedurende de periode dat zij in de jaren 2017, 2018 en 2019 werkzaam was voor de buitenlandse werkgevers. Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift verzocht om een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar.
2.10.
De Inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende afgewezen. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur – voor zover hier van belang – onder ander geschreven:
“Blijkens het van u ontvangen monsterboekje heeft het schip waarop uw cliënte werkzaam was in 2017 verschillende Europese havens aangedaan. Ik ben dan ook van mening dat sprake is van het verrichten van werkzaamheden op het grondgebied van meerdere lidstaten. Er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 883/2004. Om te beoordelen of recht op een (gedeeltelijke) vrijstelling van de premieplicht bestaat, moet de situatie van uw cliënte dan ook eerst getoetst worden aan deze Europese wet- en regelgeving.
In de Verordening (EG) nr. 883/2004 worden regels gesteld op basis waarvan de toepasselijke wetgeving kan worden vastgesteld. In deze basisverordening wordt de situatie van uw cliënte verder niet geregeld. In de toepassingsverordening (EG) nr. 987/2009 is wel een aanwijsregel opgenomen die op uw cliënte van toepassing is. Artikel 14 lid 11 van de toepassingsverordening geeft aan dat, wanneer een inwoner van een EU- lidstaat werkt op het grondgebied van meerdere
lidstaten voor een werkgever die niet in een EU- lidstaat is gevestigd, de sociale zekerheidswetgeving van het woonland wordt aangewezen. Op basis van deze bepaling is uw cliënte derhalve verzekerd in Nederland. Als verzekerde zijn premies volksverzekeringen verschuldigd.
Het gaat hierbij om een vangnetbepaling om te voorkomen dat een persoon volgens geen enkele sociale zekerheidswetgeving is verzekerd. Dit zou namelijk tegen het uitgangspunt van de Verordening (EG) nr. 883/2004 indruisen. Uitgangspunt is namelijk dat iemand altijd onder enige sociale zekerheidswetgeving van enige lidstaat dient te vallen. Gezien het voorgaande ben ik van mening dat uw cliënte geen recht heeft op een (gedeeltelijke) vrijstelling van de premie volksverzekeringen. Op grond van de Europese coördinatieverordeningen is de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op uw client van toepassing. Nu de Europese coördinatieverordening van toepassing is, komen we niet meer toe aan de nationale bepaling van het BUB 1999.”
2.11.
Belanghebbende heeft op 17 februari 2023 beroep ingesteld bij de Rechtbank. Belanghebbende heeft de beroepen bij brief van 11 mei 2023 nader gemotiveerd. Bij deze nadere motivering heeft belanghebbende een beslissing van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) van 13 april 2023 gevoegd, waarin (onder andere) staat dat belanghebbende van 29 september 2017 tot en met 26 mei 2018 en van 16 september 2018 tot en met 21 september 2019 niet verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat zij toen buiten Nederland werkte.
2.12.
Op 15 mei 2023 heeft de Inspecteur de SVB per email naar haar standpunt over de verzekeringsplicht van belanghebbende voor de Nederlandse volksverzekeringen over de periode 2017 tot en met 2019 gevraagd. In deze email heeft de Inspecteur – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:
“Beste collega SVB,
[belanghebbende] heeft in de periode 29 september 2017 - 21 september 2019 meerdere periodes als stewardess op een superjacht gewerkt.
Zij heeft haar werkzaamheden als stewardess verricht aan boord van het superjacht [jacht A] welke vaart onder de vlag van de Cayman Islands (29 september 2017 - 26 mei 2018). Zij is in loondienst werkzaam bij [werkgever A] , gevestigd op Jersey. Op haar salaris worden geen sociale zekerheidspremies (en belasting) ingehouden.
In de periode van 11 juni 2018 t/m 16 september 2018 (beperkt aantal uren in horeca/uitzendarbeid) heeft zij tijdelijk gewerkt voor Nederlandse werkgevers.
Vervolgens is zij werkzaam geweest aan boord van het superjacht [jacht B] welke vaart onder de vlag van Isle of Man (17 september 2018 t/m 21 augustus 2019). Zij is in loondienst werkzaam bij [werkgever B] , gevestigd op de British Virgin Islands. Op haar salaris worden geen sociale zekerheidspremies (en belasting) ingehouden.
Vanaf 21 augustus 2019 is zij (beperkt aantal uren in horeca/uitzendarbeid) werkzaam voor een in Nederland gevestigde werkgevers.
Het jacht [jacht A] en [jacht B] varen beide in het Middellandse Zee-gebied en doen veelvuldig havens aan in het Middellandse Zee-gebied. Dat blijkt uit het monsterboekje dat we hebben ontvangen. Zie bijlage.
Vraag:
Graag jullie visie over de verzekeringsplicht in Nederland over de periode 2017- 2019? Is mw. Verzekerd voor de volksverzekeringen in Nederland?
Kunnen jullie de toepasselijke wetgeving vaststellen voor alle volksverzekeringen.
Beschouwing:
lk ben van mening dat mw. op grond van artikel 14, lid 11 van de Verordening (EG) nr. 987/2009 in haar woonland verzekerd is. Zij is immers als inwoner van Nederland (EU-Lidstaat) werkzaam op het grondgebied van meerdere andere EU-lidstaten. Artikel 14, lid 11 luidt als volgt:

11. Degene die zijn werkzaamheid in loondienst in twee of meer lidstaten voor rekening van een buiten het grondgebied van de Unie gevestigde werkgever verricht en in een lidstaat woont zonder daar een substantiële werkzaamheid te verrichten, valt onder de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats.”
Op grond hiervan ben ik van mening dat als toepasselijke wetgeving de Nederlandse wetgeving wordt aangewezen. Gezien de sterke werking van de Verordening (EG) nr. 883/2004 is mw. altijd in enig EU-Lidstaat verzekerd.”
2.13.
Op 14 december 2023 heeft de SVB een beschikking vaststelling verzekeringsplicht volksverzekeringen ten name van belanghebbende afgegeven. In deze beschikking staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“Naar aanleiding van een verzoek van de Nederlandse Belastingdienst heeft de SVB over de periodes zoals hieronder vermeld, beoordeeld of u onderworpen bent aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.
Beslissing
U bent niet verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen gedurende de periodes:
- 29 september 2017 tot en met 26 mei 2018
- 17 september 2018 tot en met 21 augustus 2019
- 15 juni 2020 tot en met 4 augustus 2020
- 17 april 2021 tot en met 9 augustus 2021
In deze brief leggen wij u uit waarom.
Waarom heeft de SVB beslist dat u niet verzekerd bent?
U heeft gedurende bovenstaande periodes in landen gewerkt waar Nederland geen sociaal zekerheidsverdrag mee heeft gesloten.
U werkte gedurende deze periodes aan boord van een cruiseschip in dienst van een buiten de Europese Unie (EU) gevestigde werkgever. Het schip voer onder de vlag van een niet EU-lidstaat.
Op grond van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekeren volksverzekeringen 1999 bent u niet verzekerd.
Dat het schip waarop u werkte met enige regelmaat in de territoriale wateren van één of meerdere EU-lidstaten voer, betekent niet dat u alsnog als verzekerde kunt worden beschouwd.
U valt namelijk niet onder de personele werkingssfeer van de EU-Verordeningen.”
Belanghebbende heeft geen rechtsmiddelen tegen deze beschikking aangewend waardoor deze onherroepelijk vast is komen te staan.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Rechtbank terecht aan belanghebbende een vergoeding voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar heeft toegekend.
3.2.
De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en belanghebbende bevestigend.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het woord ‘herroepen’ impliceert in dit geval dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest. [1]
4.2.
Vaststaat dat de Inspecteur de besteden besluiten, de navorderingsaanslagen, heeft herroepen en dat belanghebbende in haar bezwaarschrift heeft verzocht om een kostenvergoeding. Het geschil spitst zich dus toe op de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen van de Inspecteur.
4.3.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld. Hij voert daartoe aan dat hij, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, niet gehouden was om de SVB te verzoeken om een beschikking af te geven, voordat hij de navorderingsaanslagen zou vaststellen. Verder wijst de Inspecteur erop dat op belanghebbende de bewijslast rustte dat zij recht had op een premievrijstelling.
4.4.
Het Hof overweegt dat vaststaat dat op het moment dat de Inspecteur de navorderingsaanslagen vaststelde de SVB geen beschikking had afgegeven ten aanzien van de verzekeringsplicht van belanghebbende gedurende de jaren 2017 tot en met 2019. Bij het ontbreken van een dergelijke vaststelling door de SVB, was de Inspecteur gehouden om zelfstandig, op basis van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens, met inachtneming van de toepasselijke regelgeving te bepalen of belanghebbende gedurende deze jaren verzekeringsplichtig en daarmee premieplichtig voor de volksverzekeringen was en, zo ja, de premie te heffen. [2]
4.5.
De Inspecteur is op basis van de door belanghebbende verstrekte gegevens tot de conclusie gekomen dat belanghebbende gedurende de jaren 2017 tot en met 2019 verzekerings- en premieplichtig was en heeft daarom de navorderingsaanslagen over die jaren opgelegd. Op 14 december 2023 heeft de SVB vervolgens, op verzoek van de Inspecteur, een beschikking afgegeven waarin is vastgesteld dat belanghebbende gedurende bepaalde periodes in die jaren niet verzekerd was voor de volksverzekeringen. De Inspecteur diende zich te richten naar deze verklaring van de SVB. [3] De Inspecteur heeft daarom, hangende het beroep van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen, de navorderingsaanslagen verminderd in overeenstemming met de beslissing van de SVB.
4.6.
Ook de belastingrechter is in een procedure over een besluit van de inspecteur gebonden aan een verklaring van de SVB over de verzekeringsplicht van de belanghebbende. [4] Dit maakt dat het Hof in deze procedure ook geen inhoudelijk oordeel kan geven over de juistheid van de beschikking van de SVB en het er dus voor moet worden gehouden dat de Inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen een onjuiste beoordeling heeft gemaakt ten aanzien van de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende gedurende de jaren 2017 tot en met 2019. Dat de navorderingsaanslagen in beroep zijn herroepen, is daarmee dus in beginsel het gevolg van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
4.7.
De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de navorderingsaanslagen slechts beperkte informatie had verstrekt over haar buitenlandse werkzaamheden en dat hij de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende heeft moeten vaststellen aan de hand van die beperkte informatie. Volgens de Inspecteur kan niet worden uitgesloten dat de SVB bij het nemen van de beschikking over nadere informatie van belanghebbende beschikte en juist op basis van die nadere informatie tot een ander oordeel is gekomen dan de Inspecteur. Volgens de Inspecteur is daarom de onjuistheid van de navorderingsaanslagen te wijten aan belanghebbende en bestaat daarom geen recht op een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar.
4.8.
Het Hof volgt de Inspecteur niet in dit betoog. Het Hof overweegt daartoe dat het in dit geval op de weg van de Inspecteur ligt om aannemelijk te maken dat de SVB over nadere informatie beschikte over de buitenlandse werkzaamheden van belanghebbende en dat de SVB om die reden tot een andere beslissing is gekomen dan de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof is de Inspecteur daarin niet geslaagd. De enkele stelling van de Inspecteur dat niet kan worden uitgesloten dat de SVB nadere informatie heeft gehad van belanghebbende is daarvoor onvoldoende. Het Hof wijst er hierbij op dat de Inspecteur de SVB heeft verzocht om een uitspraak te doen over de verzekeringsplicht van belanghebbende en bij dit verzoek de door hem van belanghebbende verkregen informatie aan de SVB heeft verstrekt. Uit de door de SVB op dat verzoek afgegeven verklaring kan niet worden afgeleid dat de SVB in het kader van dit verzoek van de Inspecteur van belanghebbende nadere informatie over de buitenlandse werkzaamheden heeft verkregen, waarover de Inspecteur niet beschikte, en deze informatie vervolgens in haar beoordeling heeft betrokken. Verder kan uit de omstandigheid dat de SVB eerder een verklaring heeft afgegeven dat belanghebbende bepaalde periodes in de jaren 2017 tot en met 2019 niet verzekerd was voor de Wlz (zie 2.11.), zonder nadere toelichting, die de Inspecteur niet heeft gegeven, ook niet worden afgeleid dat belanghebbende al eerder nadere informatie over haar buitenlandse werkzaamheden aan de SVB had verstrekt waarover de Inspecteur niet beschikte. De Inspecteur heeft desgevraagd verder geen duidelijkheid kunnen geven welke nadere informatie over de buitenlandse werkzaamheden van belanghebbende zou kunnen hebben geleid tot het van de beslissing van de Inspecteur afwijkende oordeel van de SVB dat belanghebbende op grond van artikel 12 van het BUB 1999 niet verzekerd was. Het Hof merkt hierbij op dat belanghebbende zich voortdurend op het standpunt heeft gesteld dat zij niet verzekeringsplichtig was op grond van artikel 12 van het BUB 1999. De Inspecteur heeft zowel in de aanslagregelende fase alsmede in de bezwaarfase belanghebbende er nooit op gewezen dat hij over onvoldoende informatie beschikte voor een juiste beoordeling van dit standpunt en de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Aangezien het hoger beroep door de Inspecteur is ingesteld en de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, zal van de Inspecteur griffierecht worden geheven, zodra deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan.
5.2.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het verweerschrift  wegingsfactor 0,5  € 907).

6.Beslissing

Het Hof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 453,50, en
– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 579.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(H. de Jong) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2000-2001, 27 024, nr. 14, blz. 1-2.
2.Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1237, r.o. 2.3.2.
3.Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725.
4.Hoge Raad 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725.