ECLI:NL:GHARL:2025:8442

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/1258
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake invordering aanmaningskosten en dwangsom wegens niet tijdig beslissen door de invorderingsambtenaar

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 mei 2024. De zaak betreft de invordering van gemeentelijke belastingen door de gemeente Arnhem, waarbij belanghebbende een aanmaning met kosten van € 8 ontving wegens het niet tijdig betalen van de aanslag. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanmaningskosten en stelde later een beroep in tegen het uitblijven van een uitspraak op zijn bezwaar. De rechtbank heeft het verzoek om een dwangsom afgewezen en het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende geen beroep kan doen op de regeling van een dwangsom. Het Hof concludeert dat de ingebrekestelling van belanghebbende niet rechtsgeldig was, omdat deze plaatsvond voordat de beslistermijn was verstreken. Hierdoor kan belanghebbende geen aanspraak maken op een dwangsom. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen griffierecht of proceskostenvergoeding toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/1258
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 mei 2024, nummer 23/1063, ECLI:NL:RBGBGEL:2024:2855, in het geding tussen belanghebbende en
de
invorderingsambtenaarvan de
gemeente Arnhem(hierna: de invorderingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem heeft aan belanghebbende een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd met aanslagnummer: [aanslagnummer] .
1.2.
De invorderingsambtenaar heeft wegens het niet tijdig betalen van de aanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] op 15 oktober 2022 een aanmaning met € 8 aanmaningskosten aan belanghebbende gestuurd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de aanmaningskosten bezwaar gemaakt.
1.4.
Op 22 januari 2023 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.
1.5.
De Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het verzoek om een dwangsom afgewezen, het beroep verder niet-ontvankelijk verklaard, de invorderingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de invorderingsambtenaar [naam1] .

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 27 december 2022 een ingebrekestelling met een verzoek om een dwangsom naar de invorderingsambtenaar gestuurd, omdat de invorderingsambtenaar nog geen uitspraak had gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanmaningskosten. De ingebrekestelling is op 31 december 2022 door de invorderingsambtenaar ontvangen.
2.2
De heffingsambtenaar heeft bij brief van 16 mei 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat hij de aanslag gemeentelijk belastingen met nummer [aanslagnummer] heeft verminderd. Uit deze brief valt gelet op de daarin genoemde bedragen af te leiden dat ook de door de invorderingsambtenaar in rekening gebracht aanmaningskosten van € 8 tot nihil worden verminderd.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de invorderingsambtenaar de door belanghebbende gevorderde dwangsom in verband met het niet tijdig beslissen door de invorderingsambtenaar verschuldigd is.
3.2
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de aanmaningskosten niet langer in geschil zijn en dat hij zich ook niet langer op het standpunt stelt dat de invorderingsambtenaar ten onrechte geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

4.Beoordeling van het geschil

Wettelijke kader
4.1.
In artikel 231, lid 1, van de Gemeente wet is bepaald: “Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als waren die belastingen rijksbelastingen”.
4.2.
De van belang zijnde bepalingen in de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) luiden als volgt:
Artikel 1, lid 2: “Op deze wet zijn […] titels 4.1 tot en met 4.3, […], de hoofdstukken 6 en 7 […] van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.”
In de wetsgeschiedenis is omtrent dit artikellid opgemerkt:
“A. In de Invorderingswet zijn bestuurlijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen sterk met elkaar verweven. Het zou dan onoverzichtelijk zijn voor bepaalde – bestuursrechtelijke rechtshandelingen de hoofdstukken 4, 6 en 7 wet te laten gelden, terwijl deze uit hun aard niet op de privaatrechtelijke van toepassing zijn. Om deze reden worden de genoemde drie hoofdstukken buiten toepassing verklaard; dit is in overeenstemming met hetgeen hierover is opgemerkt op pagina 14 van het nader rapport bij de eerste tranche van de Awb” (Kamerstukken II, 1990-1991, 22061, nr. 3, blz. 89).
Artikel 11: “Indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de ontvanger hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.”
4.3.
In de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: Kostenwet) is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
Artikel 2: “Voor het verzenden van een aanmaning tot betaling is verschuldigd € 8 bij een gevorderde som tot € 454 en € 18 bij een gevorderde som van € 454 of meer.”
Artikel 7, lid 1: “Tegen de door de ontvanger of belastingdeurwaarder in rekening gebrachte kosten van vervolging welke niet voortspruiten uit de gerechtelijke tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan degene van wie de kosten worden gevorderd een bezwaarschrift, onderscheidenlijk een beroepschrift indienen bij de ontvanger. Op het bezwaar, beroep en hoger beroep en beroep in cassatie inzake de eerste volzin bedoelde beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.”
4.4.
De van belang zijnde bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luiden als volgt:
Artikel 4:17: “Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.”
Artikel 4:18: “Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.”
Dwangsom mogelijk?
4.5.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende geen beroep kan doen op de regeling van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb. De kosten van de aanmaning ten bedrage van € 8 zijn ingevolge artikel 2 van de Kostenwet in rekening gebracht. Ingevolgde artikel 7, lid 1, van de Kostenwet, is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing, hetgeen betekent dat de rechter in belastingzaken bevoegd is. Wetsystematisch brengt dit mee dat de bepalingen van de Awb die op een procedure voor de rechter in belastingzaken van toepassing zijn, zoals die van de afdelingen 7.1 en 7.2 van de Awb, ook in het onderhavige geval van toepassing zijn. Artikel 1, lid 2, van de IW, doet daaraan niet af.
4.6.
Het in 4.5 vermelde, brengt mee dat in het onderhavige geval artikel 7:14 van de Awb van toepassing is. In dit artikel wordt paragraaf 4.1.3.2 – zijnde de artikelen 4:17 tot en met 4.20 – van de Awb van toepassing verklaard, zodat belanghebbende in aanmerking kan komen voor een dwangsom, als overigens aan de voorwaarden is voldaan.
Dwangsom verschuldigd?
4.7.
Ingevolge artikel 4:17, lid 3, van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking zijn verstreken en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling van de aanvragen heeft ontvangen. De aanvrager kan het bestuursorgaan in gebreke stellen zodra hij redelijkerwijs kan menen dat het bestuursorgaan in gebreke is (Kamerstukken II, 2004-2005, 29934, nr. 6, blz. 12).
4.8.
Ingevolge artikel 7:10, lid 1, van de Awb, beslist het bestuursorgaan binnen zes weken op een bezwaar, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De kosten van de aanmaning zijn op 15 oktober 2022 in rekening gebracht (zie 1.2.). In het onderhavige geval eindigde de bezwaartermijn van zes weken (artikel 6:7 van de Awb) op 28 november 2022 en de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar in beginsel op 9 januari 2023 (artikel 1, lid 1, in verbinding met artikel 3, lid 1, van de Algemene termijnenwet).
4.9.
Belanghebbende heeft de invorderingsambtenaar bij brief van 27 december 2022, ontvangen door de invorderingsambtenaar op 31 december 2022 in gebreke gesteld (zie 2.1.).
4.10.
Volgens vaste rechtspraak is van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid, van de Awb, slechts sprake als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken (CRvB 19 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:933). De ingebrekestelling van 31 december 2022 voldoet niet aan deze voorwaarde aangezien de beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken. Verder merkt het Hof nog op dat het niet mogelijk is het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Dan zou de ingebrekestelling immers zijn functie niet meer kunnen vervullen (Kamerstukken II, 2004-2005, 29934, nr. 6, blz. 12).
4.11.
Gelet op het hiervoor overwogen, heeft belanghebbende de invorderingsambtenaar niet rechtsgeldig in gebreke gesteld. Er is geen grond om te oordelen dat dit redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Bij gebreke van een rechtsgeldige ingebrekestelling kan belanghebbende geen aanspraak maken op een dwangsom. De Rechtbank heeft daarom terecht belanghebbendes verzoek om een dwangsom afgewezen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(H. de Jong) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.