ECLI:NL:GHARL:2025:8465

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
21-000174-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake belaging met stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte is beschuldigd van belaging van de aangeefster, waarbij hij gedurende een periode van meer dan veertien maanden herhaaldelijk contact heeft gezocht, ondanks dat de aangeefster duidelijk had gemaakt geen contact te willen. De verdachte heeft via verschillende kanalen, waaronder WhatsApp, e-mail en sociale media, berichten gestuurd en heeft ook de ouders van de aangeefster benaderd. De politierechter had de verdachte veroordeeld tot een taakstraf en een vrijheidsbeperkende maatregel, maar het hof heeft de bewezenverklaring van de belaging bevestigd en een andere straf opgelegd. Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster vormden, wat leidde tot aanzienlijke emotionele en professionele gevolgen voor haar. De verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, een taakstraf van 100 uren, en een contact- en locatieverbod voor de duur van twee jaar. Het hof heeft ook bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000174-25
Uitspraakdatum: 19 december 2025
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 7 januari 2025 met parketnummer 16-335443-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1969 in [plaats 1] ,
wonende te [postcode] [plaats 1] , [woonplaats] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van 5 december 2025 bij het hof en wat er op de zitting van 7 januari 2025 bij de rechtbank besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.C. Cox, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld voor belaging en hem een taakstraf opgelegd voor de duur van 160 uren, bij niet uitvoering te vervangen door 80 dagen hechtenis waarvan een gedeelte van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, niet ten uitvoer zal worden gelegd, met een proeftijd voor de duur van twee jaren. Daarnaast heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd voor de duur van twee jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod dat hij zich niet zal ophouden in/op de [straat 1] in [plaats 1] . De politierechter heeft de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen van de opgelegde maatregel.
Het hof komt tot een iets andere bewezenverklaring (periode) en legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 29 mei 2023 tot en met 27 augustus 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:
- meermalen via WhatsApp brieven te sturen
- veelvuldig berichten via social media te sturen en/of post(s) te liken
- de ouders en/of de zus van die [slachtoffer] en/of een of meerdere vrienden een vriendschapsverzoek en/of berichten te sturen en/of te liken
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. Nadat aangeefster op 12 juni 2023 duidelijk aan verdachte heeft laten weten dat zij geen contact met hem wilde, is hij doorgegaan met het zoeken van contact. Het dossier bevat een duidelijke aangifte met een overzicht van berichten en brieven die gelinkt kunnen worden aan verdachte. Ook heeft verdachte veel berichten van aangeefster geliked. Verdachte heeft een aantal verwijten ook toegegeven.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat een eventuele bewezenverklaarde periode dient te worden beperkt van 22 juni 2023 tot 17 februari 2024. Van wederrechtelijkheid kan op z’n vroegst sprake zijn vanaf het moment dat verdachte op ondubbelzinnige wijze bekend is geworden dat aangeefster geen contact met hem wilde. Dat is pas het geval geweest op 22 juni 2023, toen aangeefster duidelijk en ondubbelzinnig aan verdachte heeft medegedeeld dat zij geen contact meer wenste en dat “rust” ook betekende dat zij geen contact meer wilde. Het laatste bericht waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte degene was die dit via de sociale media naar aangeefster heeft verstuurd is van 17 februari 2024.
Ten aanzien van het grootste deel van de zogenoemde likes en reacties op social media kan niet worden vastgesteld dat verdachte die heeft geplaatst, en ook niet dat dit in vorenbedoelde periode is gebeurd. Verder kan niet worden bewezen dat verdachte in die periode vriendschapsverzoeken, berichten en/of likes naar familie en vrienden van aangeefster heeft verstuurd, met uitzondering van één brief die verdachte via whatsapp aan de ouders van aangeefster heeft verzonden. Gelet hierop is vanwege de “beperkte aard, lage frequentie en geringe indringendheid” geen sprake van “een stelselmatige in breuk op de persoonlijke levenssfeer” van aangeefster en dient verdachte te worden vrijgesproken.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Vooropgesteld moet worden dat voor een bewezenverklaring van belaging ex artikel 285b, eerste lid, Sr sprake dient te zijn van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander, welke inbreuk opzettelijk en wederrechtelijk moet zijn. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander moet ook stelselmatig plaatsvinden. Ten slotte moet de verdachte het oogmerk hebben gehad die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Deze in aanmerking te nemen beoordelingsfactoren zijn daarbij in zekere mate communicerende vaten. Het gaat dus niet zozeer om een weging van elke factor op zichzelf, maar om de waardering van het gehele handelen van de verdachte en de vraag of dat handelen in zijn totaliteit bezien voldoet aan de eisen die aan belaging in artikel 285b, eerste lid, Sr worden gesteld.
Verdachte en aangeefster kennen elkaar vanwege hun werkzaamheden voor een politieke partij. In eerste instantie ervaarde aangeefster het contact als prettig, maar dat is op enig moment omgeslagen. Op 30 mei 2023 heeft verdachte aan aangeefster een brief geschreven waarin hij – kort gezegd – excuses maakt, zich afvraagt of hij verliefd is op aangeefster, andere intieme gevoelens deelt en de hoop uitspreekt dat zij contact kunnen houden. Aangeefster was niet gediend van deze brief en heeft naar aanleiding daarvan afstand genomen van de verdachte. Zij heeft op dat moment naar eigen zeggen echter nog niet met zoveel woorden benoemd dat zij afstand wilde, maar reageerde minder op zijn berichten. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar vervolgens benaderde over het contact dat was afgenomen. In reactie daarop heeft zij hem per whatsapp op 12 juni 2023 laten weten dat zij ‘rust nodig’ heeft. De verdachte reageerde daarop met een bericht dat ‘hij contact nodig heeft’. Kort daarna (enkele minuten) valt in de berichten te lezen dat de aangeefster herhaalt dat zij ‘even adempauze nodig’ heeft. Diezelfde dag stuurt de verdachte een brief waar hij schrijft dat hij in alle antwoorden (het hof begrijpt: van aangeefster) onder meer leest dat aangeefster “ff afstand wil houden”.
Uit het voorgaande leidt het hof af dat het voor de verdachte ten minste vanaf 12 juni 2023 duidelijk was dat de aangeefster (op dat moment) geen contact meer met hem wilde.
Desondanks is verdachte doorgegaan met zijn pogingen om contact te zoeken – waar hij blijkens zijn verklaring in eerste aanleg spijt van heeft. Hij betrekt dan daarbij ook de ouders van aangeefster. Op 22 juni 2023 stuurde aangeefster een bericht aan verdachte dat zij ‘not amused’ was dat verdachte contact had gezocht met haar ouders en herhaalde zij dat zij geen contact wil. Verdachte reageerde daarop met de mededeling dat hij juist in contact probeert te komen met aangeefster waarop aangeefster berichtte “ik denk dat een opmerking als “we hebben nu even geen contact genoeg is” en “heb meermaals om rust gevraagd en dat betekent dus even geen contact”.
Omdat verdachte langs verschillende wegen – zoals blijkt uit de bewijsmiddelen die zullen worden opgemaakt in de aanvulling op dit arrest in geval er cassatie wordt ingesteld – contact bleef zoeken met aangeefster en haar familie (o.a. per brief van 22 september 2023 aan haar vader) heeft aangeefster op 29 spetember 2023 per aangetekende post een zogenoemde stopbrief verstuurd. Verdachte heeft daarover ter zitting van de politierechter op 7 januari 2025 verklaard dat het zou kunnen dat hij na de aangetekende stopbrief van 29 september 2023 is doorgegaan met het reposten van berichten en liken van de instagramverhalen van aangeefster door middel van een bedrijfsaccount. Gelet hierop en in aanmerking genomen de te bezigen bewijsmiddelen heeft ook deze brief van aangeefster dus niet het gewenste resultaat had.
Vervolgens is op 1 maart 2024 door de politie een stopbrief aan de verdachte uitgereikt. Daarna bleef het enige tijd rustig maar ontving aangeefster op 22 augustus 2024 opnieuw een mail van verdachte, waarna zij heeft besloten aangifte te doen.
Gedurende de periode van 12 juni 2023 tot en met 27 augustus 2024 heeft de verdachte – kort gezegd – op meerdere manieren contact gezocht met aangeefster en haar ouders terwijl hij wist dat aangeefster hier volstrekt niet van gediend was. Het gaat onder meer om berichten via whatsapp, mails (waaronder een mail verzenden naar het werkmailadres van aangeefster), brieven (al dan niet via whatsapp verzonden) en het liken van sociale media berichten. Het hof heeft geen (enkele) reden om eraan te twijfel dat de in de bewijsmiddelen opgenomen berichten/likes door verdachte zijn verzonden in voornoemde periode. Daarbij neemt het niet alleen de verklaring van aangeefster daarover in aanmerking, maar heeft het ook acht geslagen op de aard en inhoud van de berichten, de verklaring van verdachte zoals hiervoor benoemd, en hetgeen hiervoor overigens is overwogen.
De gedragingen van de verdachte hebben grote gevolgen gehad voor aangeefster, zowel emotioneel/fysiek als professioneel. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat een deel van de gedragingen voor een groter publiek kenbaar was, verdachte via een indringende brief en lang bericht contact heeft gezocht met de ouders van aangeefster, en haar ook op haar werkmail heeft benaderd. Daar komt verder bij dat aangeefster meer dan een jaar op verschillende wijzen – waaronder met behulp van de politie – vergeefs heeft getracht de verdachte ervan te weerhouden contact met haar te zoeken. Gelet op dit alles, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot de slotsom dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Het hof acht daarmee bewezen dat verdachte zich aan de tenlastegelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
hij in
of omstreeksde periode van 12 juni 2023 tot en met 27 augustus 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:
- meermalen via WhatsApp brieven te sturen
- veelvuldig berichten via social media te sturen en
/ofpost
(s
)te liken
- de ouders
en/of de zusvan die [slachtoffer]
en/of een of meerdere vrienden een vriendschapsverzoek en/ ofberichten te sturen
en/of te liken
met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets
te doen, niet te doen,te dulden en
/ofvrees aan te jagen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de volgende sancties zal opleggen:
- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van drie jaren met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde een verbod om expliciet of impliciet over aangeefster te publiceren;
- een taakstraf voor de duur van 120 uren, deze te vervangen door 60 dagen hechtenis in geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht;
- een contactverbod met betrekking tot aangeefster [slachtoffer] en een locatieverbod (op grond van artikel 38v Sr), met het bevel dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om in geval van een bewezenverklaring geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Ook acht de raadsvrouw oplegging van een publicatieverbod niet passend. De gevolgen van deze zaak voor verdachte zijn enorm. Hij heeft zijn werkzaamheden binnen de politiek volledig moeten beëindigen, waarmee niet alleen een belangrijk deel van zijn professionele leven is weggevallen, maar ook een activiteit waarvan hij veel voldoening en maatschappelijke betrokkenheid ondervond. Ook zijn werk als ZZP’er binnen de jeugdhulpverlening staat onder grote druk. Als gevolg van het bewezenverklaarde is het voor hem nagenoeg onmogelijk geworden om voor het uitvoeren van zijn opdrachten de benodigde verklaring omtrent het gedrag (VOG) te verkrijgen. Hierdoor hebben verdachte en zijn partner het momenteel financieel zwaar. De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een (deels voorwaardelijke) taakstraf op te leggen. Verdachte is bereid een taakstraf uit te voeren.
Oordeel hof
Bij het bepalen van de straf en/of maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van aangeefster. Ondanks dat aangeefster aan verdachte duidelijk had gemaakt dat zij op geen enkele wijze contact met hem wilde en door hem met rust gelaten wilde worden, heeft de verdachte daarna nog gedurende veertien maanden veelvuldig contact met haar gezocht. Dat deed hij onder meer door haar zowel brieven te sturen als berichten via sociale media. De verdachte heeft dus geen respect getoond voor de wens van de aangeefster om met rust te worden gelaten en heeft een inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Dergelijke feiten worden als beangstigend en bedreigend ervaren. Het bewezenverklaarde gedrag van de verdachte heeft grote gevolgen voor aangeefster gehad: zowel haar emotioneel welzijn, als haar gezondheid, en haar werk hebben eronder geleden, zoals blijkt uit haar slachtofferverklaring. De aard en ernst van het bewezenverklaard rechtvaardigt dan ook een substantiële straf.
Verder heeft het hof gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies van 11 december 2024 en de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het advies van de reclassering volgt dat er een hoog risico op herhaling is als er niet geïntervenieerd wordt. Hierin spelen de duur van het belagingsgedrag, de sterke emoties van verdachte, het verlies van dagbesteding/zingeving en het ontbreken van hulpverlening een rol. Daarom heeft de reclassering geadviseerd verdachte een (deels)voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling. Op de zitting van het hof is gebleken dat verdachte zich op eigen initiatief heeft gemeld bij [centrum] . Hij stond op de wachtlijst en heeft op 16 december 2025 een afspraak. Vanuit het oogpunt van het voorkomen van herhaling (recidive) acht het hof het van groot belang dat de verdachte daadwerkelijk wordt behandeld en wordt begeleid door de reclassering. Het hof zal daarom bij de hierna te noemen voorwaardelijke straf, als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij Reclassering Nederland en een ambulante behandelverplichting stellen. Het hof zal, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, verdachte geen publicatieverbod opleggen. Het hof heeft dit wel overwogen, maar acht (de controle op de naleving van) een dergelijke verbod (praktisch) niet haalbaar. Dit neemt niet weg dat het hof het zorgelijk vindt dat verdachte stukken schrijft en op zijn eigen website plaats die kennelijk gaan over aangeefster en hij kennelijk nog steeds in zijn hoofd bezig is met aangeefster. Met het stellen van de hiervoor genoemde voorwaarde is er naar het oordeel van het hof echter in voldoende mate een ‘stok achter de deur’ om herhaling te voorkomen.
Alles overwegende ziet het hof aanleiding om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op te leggen met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast acht het hof oplegging van een taakstraf van 100 uur passend en geboden. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om tot andere of lagere straffen te komen.
Contact- en locatieverbod
Het hof acht – mede op basis van het door de reclassering ingeschatte recidivegevaar – daarnaast een contact- en locatieverbod in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr noodzakelijk ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Op die manier kan direct worden ingegrepen als de verdachte toch contact zoekt met aangeefster. Het hof is van oordeel dat een duur van de maatregel voor twee jaar en 11 maanden passend is. Omdat verdachte al onderworpen is geweest aan de door de politierechter opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel gedurende een periode van (afgerond) 11 maanden wordt de maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar. De sanctie op het overtreden van het contactverbod is zeven dagen hechtenis voor iedere keer dat het verbod wordt overtreden. De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
Deze maatregel houdt in
  • een contactverbod, direct en indirect, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1999.
  • een locatieverbod voor:
o de [straat 1] tussen [straat 2] en de [straat 3] in [plaats 1] .
Geen dadelijke uitvoerbaarheid
Naar het oordeel van het hof is er thans onvoldoende reden om te bevelen dat dit contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar is. De wettelijke voorwaarde daarvoor is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Hoewel het hof van oordeel is dat er voldoende reden is voor het opleggen van een contact- en locatieverbod, is naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate gebleken van omstandigheden op basis waarvan er op dit moment
ernstigrekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich opnieuw belastend zal gedragen tegenover aangeefster [slachtoffer] .
Opheffing dadelijke uitvoerbaarheid politierechter
Gelet op het voorgaande beslist het hof tot opheffing van het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudend een contact- en locatieverbod.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Heft op het door de politierechter gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel (als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) inhoudende een contact- en gebiedsverbod.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte
  • zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij Reclassering Nederland op het adres: [straat 4] te [plaats 2] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • zich zal laten behandelen door [centrum] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1999 en zich niet zal ophouden in/op de [straat 1] tussen [straat 2] en de [straat 3] in [plaats 1] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Dit arrest is gewezen door mr. O.O. van der Lee, mr. L.G.J.M. van Ekert en T. de Bont, in aanwezigheid van de griffier mr. J.P. Fuchs-van Dis en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 19 december 2025.